Op deze pagina vind je een selectie van artikelen die in de afgelopen periode in de Amsterdamse Folkagenda hebben gestaan, in de rubriek "Kopij van": verslagen van optredens, cd-recensies, interviews en dergelijke. Geschreven door de medewerkers aan de Folkagenda, maar ook door lezers ingezonden stukken. De artikelen zijn in chronologische volgorde opgenomen. Voor alle duidelijkheid wijst Stichting Mokum Folk erop dat niets uit onderstaande artikelen voor publicatie mag worden overgenomen zonder voorafgaande expliciete toestemming van de auteurs.

 

Het Antwerps Liedboek (1544), titelpagina

Inhoudsopgave

Een opdracht in mijn vakantie - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda april 2014)

Een aspect van mijn leven blijft hier altijd wat onderbelicht: mijn 'groene hart'. Het leven van een Bewust Autoloze is soms best lastig. Ook al is het openbaar vervoer voor mij op loopafstand en is fietsen in Amsterdam en omstreken(nog) makkelijk te doen, het wordt een ander verhaal voor ‘de muzikant’ in mij. En vooral daar ik mijzelf (een beetje) vaardig heb gemaakt op de contrabas, waar bandjes altijd behoefte aan hebben.

In het verleden was er altijd wel een collega-muzikant met een wat grotere auto voorhanden en ook bij m’n huidige muzikantenclub kon ik, tot voor kort, wel een dankbare lift krijgen naar een podium (die wat schaars worden de laatste tijd).

Tot voor kort. Mijn ‘vaste chauffeur’ kondigde aan dat hij bezig was om naar een kleinere vierwieler uit te kijken en deze mededeling kwam dramatisch bij mij binnen. Ik was hem altijd dankbaar dat hij zijn oudere wagen altijd blootstelde aan het risico op een eventuele veeg bij het dashboard (vooral mannen schijnen de auto te zien als hun tweede vrouw), dus ik was enthousiast voor hem. Los van m’n groene hart was ik natuurlijk minder enthousiast voor mijn toekomstige muzikale hobby; immers op een thinwistle uit de binnenzak zat deze groep niet te wachten en in een (veel betere) mondharmonicaspeler was al voorzien.

Nu schoot mij te binnen dat ik laatst in een wonderschoon maar rommelig ingericht kelderwinkeltje een bijzonder instrument had gezien. Zelfs als niet-muzikant is het een genot om eens bij Soren van Palm Guitars langs te gaan, want hij heeft de meest vreemdsoortige snaarinstrumenten, zelfs volkomen onbekende en uit de hele wereld.

Mijn oogappel in zijn zaak stond nog steeds op de plek waar ik 'm een paar maanden eerder had ontdekt. Ik had al jaren een zwak plekje in mijn hart voor de Mariachi-muziek. Een zalige emotie van de Mexicanen die vertolkt wordt via hun bruilofsorkesten met smartlapteksten waar Andre Hazes zich best aan had kunnen laven. Ooit was het een combinatie van een aantal violen,een bajosexto-gitaar en een harp. Dat laatste instrument werd na ongeveer 1920 vervangen door trompetten, vooral in de grote steden die steeds rumoeriger werden. En ook daar hebben de bands een stevige basis nodig en daar komt nu mijn nieuwe (zwangere) muziekvriendin vandaan. Zij luistert naar de naam ‘gitaron’.

De gitaron is een grote dikke akoestische basgitaar met een korte hals, zes snaren en een dikke buik die als het ware klaar is voor een ‘puntbevalling’. Mijn nieuwe muziekvriendin was al door andere grijpgrage vingers bespeeld en die hadden hun sporen nagelaten (nee,niet haar zwangerschap), zodat de aanschaf van dit instrument nog net paste bij de magere omvang van mijn portemonnee. Als pensionado moet je nu eenmaal inleveren qua budget.

Alles werd anders met haar want haar grote zus had maar vier snaren en was daardoor ook in een andere stemming te bespelen. Zelden had ik op een gitaar gespeeld dus ook mijn lichaamshouding in het muziekleven was behoorlijk wennen. Ook was er weer het bekende gevoel van blaren (maar nu op andere plekken) van mijn hand die ik opliep in al m’n enthousiasme.

Vlak voor deze nieuwe aanschaf had ik met mijn echte vriendin een reisje geboekt naar Latijns Amerika, met een bekende avontuurlijke reisorganisatie. En ja, die reis en mijn tweede vriendin berustten op louter toeval. Zij bleek sowieso al een behoorlijke ‘dwaalgast’ te zijn in Nederland, want toen ik een snaar bij haar brak was een nieuw setje snaren alleen te krijgen in Duitsland en ook voor een fatsoenlijk jasje of koffer voor Madam die haar moeten beschermen tegen onze soms barre weersomstandigheden, moest ik naar onze Oosterburen. Het setje snaren via internet was toch wel prijzig ten opzichte van gitaarsnaren! Het vakantietoeval maakte dat ik dus een opdracht had voor mijzelf tijdens onze reis: extra setjes snaren en een gitaronzak of -tas.

Het was een reis door vijf landen met een bus en,hier en daar, 1 of 2 dagen op een plek in een leuke stad. Guatemala,Nicaragua,El Salvador,Honduras en Costa Rica, en in al die gebieden kon ik familie van mijn tweede exotische vriendin tegenkomen en dus ook lichaamsdelen of speciale kleding. Maar in de diverse gitaarzaakjes onderweg kende men het muziekinstrument natuurlijk wel maar had men alleen snaren voor de gitaar of de elektrische gitaar. Goede hoop kreeg ik bij het eerste adres: een klein zaakje in Antigua (Guatamala). Bij mijn vraag om gitaronsnaren keek het jochie mij zeer verbaasd aan, dook voor de volgende 15 minuten ergens achter een deurtje in een soort magazijn om vervolgens met een stapeltje zakjes terug te komen. Het zag er verre van verzorgd uit, maar voor het prijsje van omgerekend 8 euro in plaats van de Duitse 40 euro wilde ik deze gok wel wagen! Alles in die landen is spotgoedkoop dus dat kon nog wel van mijn zakcenten worden betaald.

Maar bij de diverse volgende winkeltjes in andere stadjes keek men mij ietwat meewarig aan, want wie wil zich nu inlaten met zo’n ouderwets instrument? En zak of tas was helemaal en overbodige luxe. Pas in de levendige stad Granada (Nicaragua) begreep ik waarom. Op de hele reis van drie weken hebben we zes druppels regen gehad en was de temperatuur zo’n 35 graden.

In Granada kwam ik voor het eerst m’n collega’s, de gitaronspelers, op straat tegen. Het is een levendig mooi gebouwd stadje, opgetrokken in koloniale Spaanse stijl waar veel toeristen(vooral Amerikanen) naartoe trekken en zij zorgen weer voor de trek van muzikanten die aan je eettafel vragen of ze een lied voor je mogen zingen; uiteraard tegen een kleine vergoeding. De combinatie is meestal gitaar, trompet en mijn liefhebbende bas, maar soms ook met trekzakspelers en enkele marimba-spelers naast wat percussionisten, waaronder de guiro- of raspspelers. De techniek die de gitaronspelers gebruiken is een soort plukken aan 1 snaar of aan 2 snaren tegelijk (bij een enkele speler). Ik hou het voorlopig maar bij de westerse manier van basspelen, maar wie weet, later...

Aangezien mijn Spaans erg ‘toeristisch’ was, liet ik mij via door onze tourguide informeren over mijn grote wens. Een trio (gitaar, gitaron en trompet) vroeg wat we wilden horen. Voor mij is dat dan al gauw 'Volver, Volver', dat ik zo fijn vind in de uitvoering van Ry Cooder & Flaco Jiminez en waar deze jongens een brede smile op hun gezicht toverden bij het uitspreken van mijn verzoek. Maar de muzikanten halen hun instrument, als werktuig, alleen maar van hun nek tijdens het eten of een korte nachtrust. Voor een baszak of -tas moest ik in San Jose (Costa Rica) wezen; de laatste plek vanwaar we weer terug naar Europa zouden vliegen. Iedereen van ons reisgezelschap wilde wel eerder in San Jose wezen en ik natuurlijk voor mijn laatste kans. In Nederland had ik al eens een poging gedaan met een cellozak, maar het zwangere meisje liet zich niet in zo’n keurslijfje wurmen dus alleen San Jose kon mij redden betreffende een fatsoenlijke ‘positiejurk’.

Omstreeks 11.30 uur liepen we met een routekaart en info van onze hotelbaas rechtstreeks naar de juiste muziekwinkel. Ik had al m’n overgebleven dollars bij elkaar geschraapt en kende ook al een pinautomaat in de buurt voor, eventueel, een kleine financiële plundering van mijn rekening op verre afstand. Niets mocht meer misgaan. Wanneer kom ik weer in de buurt van de oorsprong? Een dure reis en niet om de hoek en via internet werd zo’n gitaronzak weer te duur in verhouding tot mijn tweedehandse muziekvriendin. Het was nu of nooit meer!

Het was een mooie grote goedverzorgde zaak zoals wij die ook in Nederland hebben. Veel gitaren en andere instrumenten. Dit was de plek waar ik wezen moest... en ik was er!! Door het traliehekwerk kon ik woedend naar al het fraais in de etalage kijken en naar het bordje op de deur met de trieste mededeling dat de zaak 1uur eerder dicht was gegaan, want het was tenslotte zaterdag en dan begint het weekend op tijd en wachten we natuurlijk niet of er toevallig nog klanten van Verweggistan hun zinnen hebben gezet op zoiets lulligs als een gitaronzak,tas of koffer.

Diezelfde zaterdagnacht vertrokken we weer naar ons kille landje waar de weersomstandigheden niet zo geschikt zijn voor bas-exoten.

De teksten van de Mariachi-liedjes gaan niet alleen over liefdes en verloren liefdes maar ook vaak over mislukte momenten,drank en misère. Ik had stof voor een hele cd!!

Het is niet altijd een Happy End, ook al was de vakantie wel een groot succes. Maar met een einde om niet gauw te vergeten!

[terug naar boven]


 

Iets bijzonders - door Herbert Bos
(bron: Amsterdamse Folkagenda maart 2014)

Onlangs bij een cd-winkel iets bijzonders aangetroffen: Charlie Poole with the Highlanders (the complete Paramount & Brunswick Recorderings). “Iets bijzonders?” zult u denken. Ja, omdat ik alleen opnames van Charlie Poole met The North Carolina Ramblers (Posey Rorer – viool; Norman Woodlieff – gitaar) ken.

Charie Poole (1892-1931) was een – in die tijd – beroemde artiest. Hij verkocht – voor die tijd – een respectabele hoeveelheid van zijn platen (78-toeren natuurlijk in die tijd). Als je toen 75.000 platen verkocht, was er sprake van een hit. Charlie Poole and The North Carolina Ramblers verkochten 160.000 platen in 1925 van een opname bij Columbia Records. In het voorjaar van 1929 benaderden zij een verkoop van 500.000 platen. Na dit record wilde Columbia Records platen blijven opnemen met Charlie Poole. Charlie verscheen echter niet met The North Carolina Ramblers, maar wilde platen opnemen met een oldtime-orkest bestaande uit twee violisten, een gitarist; een pianiste en Charlie op de banjo. Columbia Records weigerde met deze samenstelling op te nemen. De eigenaar had een aversie tegen piano’s in de oltime-music. En eiste van Charlie dat ze gewoon met z’n drieën kwamen.

Charlie wilde echter een totaal andere sound en stapte - met z’n Hillbilly Orchestra - naar Paramount Records, terwijl hij onder contract stond bij Columbia Records. Hij moest extreem voorzichtig handelen en noemde zijn orkest The Highlanders en nam zelf het pseudoniem Fred Richards aan.

Het werd inderdaad geen succes, want van hun eerste plaat in 1928 (Under the double eagle) werden slechts 26.000 exemplaren verkocht. Ook de volgende platen werden nauwelijks verkocht.

In 1929 maakten zij onder de naam The Allegheny Highlanders hun debuut bij Brunswick Records. De verkoop ging iets beter, maar de opnames met The North Carolina Ramblers – nog steeds bij Columbia Records – bleven beter verkopen. Charlie vreesde een aanklacht van Columbia Records.

Hij liet zich dan ook nooit fotograferen met The Highlanders. Maar op het hoesje van de cd staat een foto “Charlie Poole with the Highlanders”. Dat waren the Highlanders helemaal niet!

In 1930 was Charlie geboekt voor een tour langs dertig theaters. Onderdeel van deze tour waren Charlie’s zoon Charlie Jr. (geb. 2-12-1912); Hamon Newman, tenor banjo; Odell Smith, viool; Gilmer Nowlin, gitaar en de ukelelespeler (en jodelaar) Earl Shirkey. Lucy Terry (piano) ontbreekt op die foto.

Eigenlijk wel bijzonder.

[terug naar boven]


Welcome to the family- door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda maart 2014)

In de laatste dagen van het oude jaar 2013 liep ik toch nog weer even bij m’n dealer langs. Er valt altijd wel wat te scoren als je openstaat voor een breed assortiment van traditionele volksmuziek en binnen deze ‘Tradfolk’ vond ik ook weer iets nieuws uit m’n oude Balkanhobby-verleden. 'Project Rakija' heet deze nieuwe band, die zowaar uit Nederland komt.

Niet zo verwonderlijk met zo’n internationaal clubje mensen in ons kleine landje. Centrale figuur is Gitarist Igor Sekulovic,ngeboren in Banja Luka, Bosnië, en afgestudeerd aan de Rock Academy van Tilburg. Igor had een idee om wat met zijn Balkan-verleden te doen: een nieuw leven te blazen in de aloude Sevdah- of Sevdalinka-traditie van Bosnië. Met “high-energy groovy beats” en rockgitaargeluid probeert hij de Sevdalinka te moderniseren zonder het idioom van de oorspronkelijke muziek geweld aan te doen.

Sevdah behandelt het verlangen naar de liefde, het hebben van de liefde of het gebrek aan de liefde (een soort Balkan-blues dus). Het zijn oude Ottomaanse en Middeleeuwse Balkan-liederen. Hij zocht en vond een bonte mengeling van Slavische en Nederlandse muzikanten en noemde dit gezelschap ‘Project Rakija’, naar die goddelijke drank van z’n vader/moederland. Inclusief drie Nederlandse blazers, de ‘Rakija Horns’ en twee achtergrondzangeressen.

Tijdens optredens bestaat de groep uit zo’n zes tot twaalf spelers. Hun muziek is stevig en energiek en heeft verwantschap met de muziek van Goran Bregovic of Mostar Sevdah Reunion, maar ook met ‘Zeppelin-rock of het Pinkfloyd-geluid. Maar dit project is ook een onderdeel van een groter geheel met een cartoonist, slager(!?), ontwerper, fotografen,een DJ, een kapper en een webontwikkelaar. Vandaar waarschijnlijk de titel van deze schijf: Welcome to the family.

De cd opent met een soort ‘oerkreet’ in een ska-nummer vermengd met Balkan-brass in het Balkan-lied 'Soferska'. Veel stukken ken ik al van m’n oude grote zwarte Balkan-schijven (met zo’n gat in het midden of bijna-midden) maar dan toch steviger aangezet met drums en elektrische gitaar en een tikkie sneller gespeeld. Met deze moderne sound overleeft de Sevdalinka-traditie het wel in de nieuwe wereld.

Er staan ook rustmomenten op deze cd zoals het mooie 'Ehlimana'. En het nummer daarna, dat mijn voormalig volksdanshart in vuur en vlam zet; de ruim zes en een halve minuten durende volksdans instrumentaal 'Jovano Jovanke', waar ik heel even een flard Pinkfloyd-gitaargeluid in herken. Ja, alles steekt erg goed in elkaar; het zou zo een moderne Bosnische cd kunnen zijn. De juiste dosering van stevige elementen naast de vertrouwde instrumenten als accordeon, mandolines en klarinet. Die traditionele instrumenten hebben in de meeste stukken gelukkig wel de overhand en daardoor blijft het lekkere Sevdah. Het negende en laatste stuk 'Durdevdan' wordt toegeschreven aan de legendarische, toen al stevige Balkan-rockband Bijelo Dugme ('witte knoop') uit de 70-er jaren, maar ik ken het beter als 'Ederlezi', een Roma-lied uit de film Underground van Goran Bregovic, die dus toen ook al terug luisterde naar zijn Balkan-jeugd.

Al met al een fijne plaat voor de oude liefhebbers van het voormalige Joegoslavië maar die toch zijn meegegroeid naar de nieuwe tijd na de oude Partisanenleider en verlicht despoot Tito.

Project Rakija: Welcome to the family – Bol Boluje Records 2013

[terug naar boven]


 

 Meeting point - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda februari 2014)

Het slot van het oudejaar was,voor een muziekjunk als ik, toch verrassend spannend. Op zoek naar Algerijnse Chaabi-muziek, waar ik nu weer even van gecharmeerd ben, stuitte ik toch weer op wat nieuws van wat ‘oude liefdes’ van me en dat kon ik niet laten liggen. Zo houdt m’n dealer mij toch steeds weer gevangen in z’n web met fantastisch materiaal.

Twee fraaie schijfjes, de eerste met prima live-muziek op het raakpunt van Celtic,Scandinavisch en Old-time stijl, en de tweede met de oude Sevdah of Sevdalinka-muziek uit Bosnië, die een ontmoeting heeft met de moderne muziekwereld.

De eerste heet Meeting point, live at the Liverpool Philharmonic en is een concert opgenomen van drie grote namen in hun eigen traditie. Aly Bain is een groot violist en viola-speler van de Shetland eilanden en ik ken hem al toen hij vroeger de Schotse Boys of the Lough had opgericht. Daarna en daarnaast heeft hij met heel veel bekende muzikanten gespeeld, aan zes televisieseries meegewerkt, muziekinstructie-dvd's gemaakt en begon hij in 2007 de, nog steeds lopende, serie dvd's en cd's Transatlantic Sessions. Eerst met de Amerikaanse folkartiest Jay Ungar en daarna, tot nu toe in de belangrijke bijrol, de beste dobrospeler in de wereld: Jerry Douglas.

Zo’n 15 afleveringen lang tot nu toe waar beide muzikanten een “huisband”om zich heen formeren die de beste folkartiesten uit de Keltische en Americana-wereld uit Europa en Amerika begeleiden in gearrangeerde sessies en in huiselijke omgeving. Het speelt en zingt allemaal op topniveau. In een van de laatste sessies speelde ook de belangrijke fiddler Bruce Molsky mee, en ik vermoed zomaar dat dit de aanzet is geweest voor dit concert.

Bruce Molsky is een fiddle- en banjospeler en hij zingt en speelt vanuit de Oldtime-traditie van de Appalachian Mountains, waar de eerste settlers vroeger de Nieuwe Wereld bevolkten. Ik ken hem ook van de formatie Mozaik, samen met twee leden van het legendarische Planxty en de Bulgaarse Kadulka (knievedel)-speler Nikola Parov, die ook weer bij de eerste Riverdance show meespeelde. Bruce heeft ook solo diverse fraaie Oldtime-cd’s uitgebracht voor het bekende Rounder-label.

Op het podium in Liverpool worden beide fiddlers bijgestaan door de Zweedse multi-instrumentalist Ale Moller, die ik weer ken van z’n werk bij groepen Frifot, Entelli en Filarfolket; stuk voor stuk sublieme folkformaties. Soms op het snijvlak met de jazz en de fusion maar altijd vanuit de Scandinavische of wereldmuziektradities vertrekkend. Zijn plaatwerk vanaf 1980, te beginnen bij Filarfolket,omspant zo’n 27 schijven en schijfjes en als gastspeler nog eens zo’n 22 platen en cd's. Ik ben nog niet zo’n junk dat ik die allemaal in m’n kast heb staan, want dan zou een afkickcentrum voor mij echt noodzakelijk zijn (nu ligt de toekomst nog in het eventueel verhuizen).

Op Meeting point worden de drie tradities van de heren op een fantastische manier aan elkaar geregen. De muzikanten leggen op het podium niets uit maar in het cd-boekje worden alle 12 stukken van hun herkomst voorzien.

Het concert is in 2012 opgenomen in een niet al te grote zaal en dat geeft een lekker intiem karakter; een beetje dat folkclub-gevoel waar de spelers duidelijk hoorbaar plezier hebben in hun spel en met elkaar.

Meeting point laat ons genieten van enkele van ‘s werelds beste folkmuzikanten en laat ons ook genieten van een enthousiast publiek waar je vréééselijk jaloers op moet zijn omdat je zelf daar niet in de zaal zat. Wij moeten het stellen met een paar foto’s in het cd-boekje.

Alles klopt, alleen vind ik het persoonlijk jammer dat het publieksapplaus wordt weggedraaid waardoor het concertgevoel wat wordt onderbroken. Maar met zoveel enthousiasme zou het concert waarschijnlijk op twee cd’s moeten worden opgenomen. Wat wel weer prettig is, is dat men niet al te bekende tunes heeft gespeeld die dan niet uitgekauwd-en-platgespeeld je oren in suizen. Dat komt natuurlijk ook door de perfecte overgangen naar de minder bekende deunen uit de Scandinavische traditie.

Soms heeft het Old-time gevoel de overhand, dan weer de Keltische wereld waar je in wandelt en ook is er duidelijk ruimte voor Ale Mollers afkomst. Hij speelt hier mandola, harm onica, houten fluit en zingt hier en daar op de achtergrond mee. Ik ben ook blij dat Bruce Molsky enkele liedjes zingt, zodat fiedelhaters nog net niet de spreekwoordelijke gordijnen in worden gejaagd.

De liedjes ken ik wel, zoals “Lovin’ Hannah” of “The time has passed”, die op een andere melodie eigenlijk beter bekend is als “Black is the colour”. Een mooi lied is het traditionele ”Hills of Mexico”, een sociaal bewogen lied over werkloosheid en slavernij met clawhammerbanjo-swing, fiddling en donker mandolaspel.

Een heel mooi akoestisch concert van drie geweldige spelers.

Meeting Point, live at the Liverpool Philhatmonic door Aly Bain, Ale Moller en Bruce Molsky op Whirlie records 2013

[terug naar boven]

 


Volwassen geluid van Finvarra - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda september 2013)

Het regent onophoudelijk en om naar buiten tegaan is de meest onaantrekkelijke gedachte die mij te binnen schiet. Het werken zit erop. Hoe wreed ook, de gelukzalige rillingen lopen over m'n rug als ik onwillekeurig aan mijn voormalige collega's moet denken op de momenten dat ikeen blik naar buiten werp door de beslagen ramen. Buitenwerkers krijgen het weer zwaar de komende maanden. Ik moet veel bewegen, zegt de dokter. Veel fietsen of lopen, maar op dit soort dagen sla ik de adviezen lekker in de wind.

Maar ik moet er wel uit vandaag. Het is maandag. Vanavond weer een radio-uitzending en vrijwillig is niet vrijblijvend. Vanavond is het weer een bijzondere avond. Zo af en toe doe ik wel eens een interview met muzikale 'live'-momenten met een muzikant en of band. Het vergt wel enige voorbereiding. Ik bereid mijn uitzendingen altijd nauwkeurig voor 'op papier' met een aantrekkelijke of logische volgorde van de te draaien muziek en met relevante info. Wat meer is dan het noemen van groepsnaam, album en gedraaide track. Mijn wereldmuziekjes die ik laat draaien behoeven enige uitleg voor de normale luistervink die gewend is aan Radio 1,2,3 of 4 vanuit Hilversum. En vooreen interview komt daar nog bij het bedenken van relevante vragen, opdat ik niet zit te stamelen bij zo'n groep.

Normaal zenden we ons programma Avondland uit vanuit Abcoude, maar de andere studio in Mijdrecht vanwaar RTV-Ronde Venen de televisieprogramma's verzorgt is geschikter; ook voor 'live'-optredens. En dat wilden de gasten vanavond maar alte graag. Ik kreeg van Herbert, onze huidige Folkprogrammeur, een mailtje over het oktoberprogramma met de groep Finvarra. Nooit van gehoord, maar er zijn meer bands die zomaar komen bovendrijven. Er stond ook een mailadres van de groep bij en waarom zal ik niet een poging wagen om via de radio reclame te maken voor ons Mokum Folk Podium? De groep reageerde positief en deze avond is het zover.En deze avond was 14 oktober j.l.

Wij wilden vroeg aanwezig zijn om de Mijdrechtse technicus te helpen met negen micro's, stekkers en snoeren, maar die avond ging er veel mis en dus was alles al geregeld en was de band al aan het 'losspelen'. Na 10 minuten meegebrachte CD-muziek om de luisteraar aan mijn programma te binden ging ik bij de band in de optreedstudio studio zitten voor het eerste live-moment en mijn vragen. Twee jongens en twee meiden vormen samen een hecht folkgeluid met een eigen sound. Een ongebruikelijke mix van Keltische liedjes hier en daar gebracht met de syncopische ritmen die we van de Balkan kennen. Afgewisseld met echte Balkanstukken als "Jovano Jovanke" of "Dimna Juda".

Soms ook ongebruikelijk ondersteund door een Indiaas orgeltje dat ik ken van het daar voorkomende Qawwali-geloof (eigenlijk meer Pakistaans). Verdere ondersteuning in de studio kwam van bouzouki, twee gitaren, fiddle en twee bodhrans. De meiden zingen de liedjes en allen doen de refreinen.

Finvarra heeft zich gevormd na wat muzieksessies in een fout café te Leiden. Ze bestaan nu drie jaar. Ieder heeft een andere muzikale achtergrond maar men vindt zichzelf gezamenlijk terug in de liefde voor de Keltische muziek. De Balkaninvloed komt van de fiddlespeler, die in alle bescheidenheid wel de conservatoriummuzikant is van de band. De ambities liggen hoog want men wil, naast het folkcircuit, ook de theaters bestormen. De eerste titelloze CD is er al. Zoals wel gebruikelijk is, krijgt de radiomaker er een presentexemplaar van en ik moet zeggen dat het best wel een mooi album is, als eerstgeborene.

De groep heeft, bij toeval, tijdens die sessies ook contact gelegd met een bassist die thuis een soort opnamestudiootje heeft. Hij bespeelt ook de piano en doet ook synth.programmering. Met de juiste galm, de nodige studiotruckjes, extra mandoline- en bouzouki toevoeging en gastbijdrage op fluit plus extra zang van de programmeur is het een mooi album geworden.

Aangezien ik toevallig goed met de Balkanmuziek en de Keltische muziekwereld bekend ben, is het kritiekpuntje natuurlijk dat veel van hun gebruikte materiaal al door ontelbare anderen is opgenomen. De verrassingen voor mij zijn dan ook de werken van Jethro Tull, Led Zeppelin en enkele minder gekopieerde Keltische nummers. De arrangementen zijn helemaal niet verkeerd, zoals bijvoorbeeld de mix van de Slavische "Jovano Jovanke"-melodie met de Roemeense melodie "Ciuleandra". De beide dames hebben mooie zuivere stemmen, waarbij die van de Bodhran-speelster wat donkerder is, met wat schorre momenten tegen de verveling is. Het bijna-kindstemmetje van de harmoniumspeelster wordt op de CD hier en daar wat brutaler en venijniger ingezet. Het geluid van de bodhrans geeft een behoorlijke drive aan de stukken en met de bas krijgt het geheel een mooi volgeluid. Ook de afwisseling van zeer snelle nummers en meer gedragen werk maakt dat de CD niet gauw verveelt.

Dat de arrangementen opvallen, komt het beste tot uiting in Led Zeppelin's "The battle of Evermore". Door Sandy Denny's medewerking destijds en de mandoline-begeleiding deed de bluesrockgroep toen een flinke stap naar de folkmuziek, maar hier bij Finvarra wordt dit fraaie stuk een "Balkanfolksymfonica"-stuk; amper gelijkend op het origineel, wat ik knap vind, want Zepp. & Denny hadden er al zo'n apart stuk van gemaakt dat een andere versie haast niet kon. Dus wel door Finvarra.

Het zijn hele aardige luitjes en ze hebben veel muzikale kwaliteiten aan boord, maar zij mogen een zeer grote pluim geven aan de technicus/bassist/zanger/pianist en synth.programmeur David Groeneveld, die een hele mooie sound aan de CD heeft gegeven. Neemt niet weg dat het bij een concert van Finvarra, ook zonder die sound, heel best genieten is. Dat kon ik in onze studio wel merken.

Finvarra – Finvarra, Fin001 2013 www.finvarramusic.com

[terug naar boven]

 


 

Tijd genoeg - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda november 2013)

Nu, als "pencionado", heb ik zeeën van tijd en moet ik oppassen dat ik mijn tijd niet op laat gaan in de laatste cd-winkels, de laatste der Mohikanen, die er nog zijn in Amsterdam en omstreken. Mijn vaste helper bij mijn vaste dealer in de Utrechtse straat vroeg mij de laatste tijd al vaker of ik echt mijn schoffel aan de wilgen zou hangen. En hij? Ik voelde even bibberende ontwenningsverschijnselen bij het idee dat ik straks niets meer kon vinden in de Utrechtsestraat. En ja, ik was nog maar net een vrij mens (maar vol met verplichtingen in de hobbysfeer) en ik vond bij hun een prachtschijf anno 2012 van de Carolina Chocolate Drops.

We kennen de oldtime-traditie van de 'settlers' die besloten hun geluk te beproeven in het pas ontdekte Amerika. Aan het eind van een dag hard werken in de Appalachian Mountains had men behoefte aan vertier en maakte men muziek en dansmuziek op de grote veranda's achter het huis.

En wij denken natuurlijk gelijk aan onze blanke broeders en zusters, maar er waren ook veel Afro-Amercans die zich met deze muziek bezighielden. Weinig hedendaagse "retrobands" houden zich bezig met deze kant van de traditie, maar wel dit trio chocoladegekleurde muzikanten. Zij spelen repertoire die ze terugvinden in geschriften vanaf het einde van de19e eeuw, het begin van de trek vanuit het oude Europa naar het nieuwe land. The Chocolate Drops spelen eigenlijk een mengsel van blues, jugband, ragtime, vaudeville & variété, maar wel met een sterke oldtimy uitstraling en dito spelopvatting en met instrumenten als fiddle, banjo's, dobro, bones, cello, gitaar, panfluit (?), beatbox, bastrom, mandoline etc.

Dit is hun vijjfde cd met de titel Leaving Eden en is geproduceerd door niemand minder dan Buddy Miller, op een zeer integere manier. Hij geeft het album een warme, intieme, huiselijke sfeer mee.

Voor dit album heeft het trio twee extra muzikanten gevraagd, wat het geluid nog afwisselender maakt. Het repertoire is grotendeels onbekend voor mij. Liedjes en instrumentals, waarvan sommige zelf gecomponeerd maar perfect passend bij het echt oude werk. En men zingt allemaal, al zijn de solopartijen meestal weggelegd voor Rhiannon Giddens (doet soms denken aan Bessie Smith) en Dom Flemons (doet soms denken aan Paul Robeson). Een fantastisch album voor liefhebbers van de oude Amerikaanse muziektradities.

Voor mij was het in de begindagen van mijn bewust werkloze bestaan en als vrij mens sowieso genieten, want op een zonnige zwerfdag in Utrecht vond ik in een cd-winkel al snuffelend een nieuw cd'tje van onze oude hippievaders C.C.C. Inc. (Capital Canel City Incorporation). De groep werd opgericht ergens in 1967 en hief zichzelf weer op ergens in 1970. Officieel en in Paradiso maar men ging, via jaarlijkse reunie-optredens en later gewone optredens, ondergronds gewoon verder en op gezette tijden verschenen er gewoon weer albums.

Ik besefte die bewuste zonnige dag in Utrecht dat ik al heel lang onbewust bezig was geweest met die oude American Folk. Het was op Hemelvaartsdag 1973, nog volop provotijd, en op het Amstelveld in Amsterdam was er de ludieke buurtactie met de kreet: "Amstelveld Autovrij". Ik stond nog aan het prille begin van m'n langdurige "carrière" als professioneel amateurdemo-volksdanser en wij waren gevraagd om, in de pauze van een of andere hippieband, onze choreografie daar te laten zien. We hadden niet meer dan gelijkgekleurde patchworkblouses op een spijkerbroek aan, met waarschijnlijk gympies aan of misschien al echte 'Opancken'-schoeisel. De muziek van de Balkan- en Israëlische dansjes stonden op een cassettebandje. Het was pauze en we stonden opgesteld voor een hoog soort houten podiumstellage. Acht jonge pubers strak van de zenuwen. Halverwege het derde dansje ging het mis en was het bandje vastgelopen of zoiets. Stilte! Daar sta je dan een tijd hulpeloos te wezen voor een grote opkomst van publieke belangstellenden. Minuten duren uren. Als een geschenk uit de hemel klonk er, ergens boven en achter ons, het Amerikaanse Folk-geluid van C.C.C. Inc. en wij probeerden zo goed als mogelijk onze Balkandansjes op hun muziek af te maken. Voorgoed had ik deze muziek en dit langharig ruige gezelschap in m'n hart gesloten.

Deze nieuwe 2012 CD heet Jack Owned A House en past weer volledig bij de CCC-opvatting van de oude traditionele Americana.

Het huidige vijftal 'heren' doet, naast gekende trads, ook (weer) een Dylan-nummer, een Lennon/ McCartney-nummer en Ernst Jansz het Doe Maar-liedje "Tijd Genoeg" in een CCC-sausje van banjo, fiddle, dobro, wasbord, gitaar, etc., etc.

Het is allemaal weer uitstekend en genietbaar en puur maar helaas is na negen nummers en 32 minuten de koek alweer op. Gaan ze ook Vutten of slaat de commercie bij hun ook toe?

Al snuffelend kwam ik daar nog een geweldig schijfje tegen van een concertregistratie van twee geweldige muzikale klasbakken: TimO'Brien & Darrell Scott. De eerste is een werkelijke virtuoos op de mandoline met ook al een lange muzikale carrière, zowel als solist, veelgevraagd gastmuzikant of producer. Darrell Scott is een gitarist/zanger met dezelfde kwaliteiten en net zo'n lange staat van dienst. Samen treden ze regelmatig op en nemen ze soms zo'n concert op. Darrell kwam op het idee om zo'n concertreeks op cd uit te geven met de bijzonder rare titel We're Usually A Lot Better Than This. Hoezo raar? Jazeker, want na het horen van zoveel geweldig vuurwerk van hoog niveau in zang en instrumentatie zal menig goedgevorderde muzikant ook op zoek gaan naar een wilg om daar zijn instrument voorgoed aan op te hangen. Deze concertregistratie uit 2005/2006 en vorig jaar uitgegeven is zo onwerkelijk goed! Ik heb zelden zo'n fantastisch akoestisch concert van traditionele bluegrass-folk gehoord. Tims hoge stem kleurt geweldig bij de lagere van Darrell. De emotie spat er vanaf, het publiek reageert uitzinnig.

Ze zingen soms a-capella, doen instrumentals, doen soms gospels, dan weer countryblues en dan weer bluegrass. Voor mij doen ze nog twee stukken van twee van m'n helden: Gordon Lightfood (helaas een beetje in de vergetelheid geraakt) en Townes van Zandt, die pas na z'n dood de echte erkenning kreeg.

Nu ik ben gestopt na 40 jaar dagelijkse arbeid voor onze snel veranderende maatschappij, heb ik alle tijd om al dit fraais te beluisteren. Het snel omvallen van de overgebleven cd-winkeltjes zorgt ervoor dat ik niet uit m'n huis barst met deze hobby. Het maakt mij wat nostalgisch, maar de elpee komt ook weer redelijk terug van eventjes weggeweest, dus wie weet wat er met die zilveren schijfjes gebeurt. Vooralsnog geen gedownload voor mij. Ik wil wat in m'n handen hebben en iets om naar te kijken en ik wil met m'n vingers door de bakken schuiven naar onbekende muzikale landschappen achter artistieke fotootjes van de hoesboekjes. Jawel, ik ben ouderwets, kom er eerlijk voor uit en vind dat helemaal niet erg. Het wordt nog eens een geuzennaam bij mij.

Carolina Chocolate Drops - Leaving Eden 2012, Nonesuch Records
CCC Inc. XIII - Jack Owned A House, 2012 Eigen beheer?
Tim O'Brien & Darrell Scott – We're Usually A Lot Better Than This, 2012, Full Light Records

 [terug naar boven]


Zeer moderne traditie - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda september 2013)

Soms is een bijzondere cd de reden om de aandacht te vestigen op een bekende maar minder gekende traditie, en wel die van zeemansliederen. Het menselijke zeemansleven heeft namelijk ook een muzikale poot (gehad). Vroeger was het leven op zee een stuk zwaarder dan vandaag de dag, zoals de laatste tijd te zien is in tv-series. Het is nog steeds geen kantoorklerkenwerk, maar met zoveel techniek aan boord zijn de krachtpatsers wat minder noodzakelijk bij het werk.

Vroeger had men "sea-shanties" en "werkmansliedjes nodig zodat, onder het ritmisch zingen, het anker werd geheven, de netten werden binnengehaald en dergelijke zware klussen. Het gezamenlijk bundelen van de krachten van de werklui werd door ritmisch te zingen tot stand gebracht.

Het zeemansleven aan de wal kwam ook behoorlijk tot leven in liedjes over het leven aan boord of over het wachten tot manlief weer thuiskwam en vooral als er iets bijzonders was gebeurd aan boord, zoals de ontdekking dat een bootsman onderweg een bootsvrouw bleek te zijn (daar was laatst een meisje loos). Of scheepsrampen waar het vaak arme thuisfront net zo'n grote ramp moest verwerken als zij die op zee het leven lieten. Er is een theorie dat hieruit de Portugese Fado is ontstaan.

Als manlief op zee was gebleven fabriceerden sommige vrouwen een lied met het verhaal hoe hun ramp was gebeurd en zij brachten dat dan voor bedelgeld ten gehore in de diverse tavernes in hun woonomgeving. Iedereen begreep dit natuurlijk; het had hen ook kunnen overkomen.

Het is maar één verklaring rond het ontstaan van de fado maar ook in het Angelsaksische Engeland had men van die "rampliederen". Denk bijvoorbeeld aan 'The Gresford disaster' van de Albion Band, op de melodie van liedboek gezang 172 –'O Jezus naam' (dat ook is opgenomen als 'De Razende Bol'door Astrid Nijgh).

Ook de piraterij (in de ouderwetse vorm) was het onderwerp van zo'n zeemanslied en dan was het de versie van de arme vissers of dat van het zeeboeventuig.

Die eerdere zeemansliedjes zijn feitelijk uitgestorven en leven vandaag de dag allen nog voort bij Shanthy-koren en -koortjes of bij folkbands die het zee-repertoire niet schuwen. Beide vormen heb ik mogen beleven als muzikant/zanger. Als koorlid bij Shanty-koor De Scrick der See en als muzikant bij The FooFooband van Bert Aalbers (een foofooband is een muzikaal stelletje werkers aan boord die in hun schaarse vrije tijd zingen, zich daarbij instrumentaal begeleidend met de potten en pannen en lepels van het kombuis). Het was een leuke tijd in die waterige muziekwereld.

Ook die tweede (ouderwetse) piratenwereld is uitgestorven en leeft tegenwoordig voort in romantische films of kinderfilms op tv of in de bioscoop. Doordat dit natte leven niet meer bestaat zijn al deze shanty's en zeemansliedjes allemaal traditionals geworden. In Nederland zijn de seasongs en shanty's nog wel redelijk populair.

Op dit moment is in Engeland de formatie Bellowhead een zeer gewilde folkband met hun aparte benadering van enkele zeer bekende shanty's uit hun Angelsaksische wereld. Of de populaire zeeroverfilmserie uit de Disney-stal ook zeeroversliedjes bevat, weet ik niet, maar hoofdrolspeler Johnny Depp en filmdirecteur Gore Verbinskey kwamen op het spoor van deze traditionele muziek en wilden daar iets mee. Dat was in 2006. Alleen goten ze deze traditionele waterwerken niet in de oude folkvorm. Ze vroegen popmuzikanten uit de donkere, ruigere kant van de popmuziek om deze oude traditionals in een moderne jas te steken.

Dat leverde zeer spannende muziek op. Van Nick Cave, Brian Ferry, Gavin Friday, Ed Hardcourt en Lou Reed tot de lichtere sector als Sting, Teddy Thompson, Rufus Wainwright en Lucinda Williams en nog veel meer.Het leverde een dubbel-cd op met zeer rafelige, donkere maar spannende muziek van hoge kwaliteit. De titel was Rogues Gallery. Daar hebben de makers destijds zoveel plezier aan beleefd dat het duo Depp & Verbinskey dit jaar nog zo'n dubbele verzameling seasongs en shanty's uitbracht: Son of Rogues Gallery, met dezelfde vertolkers en meer, onder wie Ivan Nevill, Iggy Pop, Marc Almond, Dr.John, Todd Rungren, Chuck E. Weiss, Patty Smith en Macy Gray. Alleen de nog levende whiskeyfles Shane MacGowan en Richard Thompson komen nog uit de traditionele hoek. En wat te denken van een uitvoering van het aloude"Shenandoah", in de uitvoering van Tom Waits en Keith Richard, of "Bamboo" door Berth Orton? Wat te denken van "'Flandyke shore" door Marianne Faithfull met Kate en Ann McGarrigle, of "Rio Grande" door Michael Stipe en Courtney Love met Jack Shit.

Het is ondoenlijk om alle 36 tracks door te nemen, maar er staan werkelijk geweldige uitvoeringen op van bekende en vooral minder bekende zeeschuimers. Maar dat ze alle traditionals zijn, dat hoor je aan de eeuwenoude melodieën die in als hun ruigheid toch wel herkenbaar blijven. Naast de elektrische gitaren en de drums hoor je toch ook hier en daar trekzakken, accordeons, een enkele concertina, een zingende zaag en fiddles. Een spannende reis van 140 minuten voor mijn folk-oren en nergens klinken deze moderne traditionals gemaakt of onecht.

Niet alle artiesten passen bij mijn smaak, dat moge duidelijk zijn. Maar om zo'n project te maken is wel een riskante uitdaging en daarvoor heb ik diep respect. Ik zal, net als de eerste dubbelaar, deze schijven niet dagelijks draaien, want daarvoor moet je toch wel even in de juiste stemming zijn, maar ik zal ze zeker niet als bieronderzettertjes gebruiken want daarvoor staan er te veel mooie pareltjes (voor de piraten?) op. En ja, zoiets moois vind ik dus in de Amsterdamse Bibliotheek. Dus wederom dank, dank, dank!

Een prima cd voor de jonge folkies, de progrockers en depaganfans. Deze keer zet ik 'm niet nog eens op, maar geef ik mijn oren even een welverdiende rust. Maar wat een geweldige reis was dit weer...

Rogues Gallery – 2006, Epitaph records Anti 6817-2
Son of Rogues Gallery - 2013 Anti 6904-2

 [terug naar boven]


Memorabel concert - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda augustus 2013)

Donderdag 20 juni stond roodomlijnd in mijn agenda. Dan waren ze weer in Nederland en nu op uitnodiging van het Holand Festival. Die jongens weten wat ze in huis halen. Wie zijn ze? Alsje interesse in Ierse folk nooit verder ontwikkeld is dan The Dublinners en misschien The Chieftains dan heb je niets gemist en was deze donderdag een dag als alle andere donderdagen van het jaar. Maar de echte liefhebbers wisten dat ze erbij moesten zijn. Bij een optreden van Dennis Cahill en Martin Hayes. Deze keer hadden ze zichzelf opgesloten in een groter collectief dat zich The Gloaming noemde. Voor mij was er ook die andere bekende:de "Sean-nos" zanger Iarla 'o Lionaird en wat voor zanger, is dan de vraag?

Heel lang geleden bezat Ierland nog een eigen Celtische taal; het Gaelic. En er zijn veel meer vormen van het Gaelic zoals in Schotland, Wales (welsh), Bretons, Cornisch (Cornwall) en het Manx van het eiland Man. Iarla zingt in het Gaelic, dat alleen nog in de armea fgelegen gebieden van Ierland wordt gesproken. En normaal wordt deze taal meteen nasaal stemgeluid vol buigingen en versieringen a-capella gezongen. Maar niet in deze setting.

De jongste van 't spul is de Amerikaanse 32- jarige pianist Thomas Barlett. Hij heeft een zeer emotionele en expressieve speelstijl. Ook om naar te kijken hoe hij opging in het spel met deanderen was de moeite waard. Zanger Iarla 'o Lionaird begeleidde zichzelf en de anderen op harmonium of traporgel, maar deze was eigenlijk maar in één eigen lied goed te horen. Als hij zong, ontstond er een haast mystieke sfeer waar je de nevels over de zee in avondrood (Gloaming) ziet als je je ogen dicht deed.

Naast Martin Hayes was er nog een fiddler die op deze avond de hardanger-viool bespeelde. De Noorse variant heeft een extra setje 'meetrillende' snaren aan boord en kleurde binnen het totaalgeluid tamelijk laag en is ook zachter van toon. Caoimhin 'o Raghallaigh paste uitstekend naast Martin.

De bezetting bestaat nog niet zolang maar men was prima op elkaar ingespeeld. Echte klassespelers!

De sound houdt een beetje het midden tussen een klassiek- en een folkgeluid met een fiks aantal jazznoten en glijers. Over het algemeen speelde men zacht maar met onverwacht stevige momenten. Prachtig is de terloopse overgang van de ene tune en ritme naar de volgende, en met dezelfde 'terloopsheid' werd de muzikale leiding van elkaar overgenomen. Niet een race tegen de klok, maar ook niet met een slakkengangetje was het tempo. Bijzonder inspirerend en gepassioneerd. Ook Dennis Cahill heeft een eigen zachte aanvullende manier van gitaarbegeleiding.

Het is altijd moeilijk om je eigen beleving in woorden te vangen om toch duidelijk te maken wat voor avondje hebt meegemaakt. Ondanks de herkenbare melodieën, de jigs en de reels, de tunes was er toch een grote mate van vrijheid en improvisatie, zo leek het. Dennis was toch duidelijkde algehele muzikale leider die met een kleine blik richting vleugelspeler Thomas aangaf dat er een nieuwe fase aankwam binnen een nummer. Maar of de jongeman wel of niet keek, hij voelde de verandering perfect aan.

Er hoefde niet zoveel uitgelegd te worden, maar in die spaarzame momenten was het Martin Hayes die zich op humoristische wijze verstond met het publiek. Iarla legde op zijn moment uit dat zijn Gaelic terugging tot aan de 12e eeuw, wat zelfs voor andere 'native speakers' ook niet te volgen was. Caoimhin had ook nog een introductie maar was duidelijk geen openbare redenaar.

Maar we kwamen natuurlijk voor z'n spel en in een van zijn eigen composities herkende ik duidelijk een polska-ritme, wat mooi paste op z'n Noorse viool.

Men had besloten om geen pauze in te lassen, dus was het voor sommigen een hele zit denk ik zo, maar ik bespeurde geen 'inkakmoment' onder ons publiek; de muziek was te boeiend om bij weg te lopen.

Dan de onvermijdelijke toegift die ze ook in hun vaste set hadden kunnen spelen. Een prima afsluiter van een prima concert.

Maar was het nu kokketeren of uitdagen zoals Thomas bij het in ontvangst nemen van het applaus duidelijk een flink lege wijnfles bij zich meedroeg. Het was in ieder geval apart.

Aan het eind van dit jaar komt er een debuutalbum en ik zal daar zeker achteraan gaan jagen. Voor die tijd zal ik met plezier weer eens Under the moonuit '95 van Martin en 'longlife buddy' Dennis op zetten, vol spannende, fragiele tot uitbundige tunes van z'n geboortestreek County Clare.

Hij weet op formidabele wijze zachte momenten, trillers, uithalen en harde noten op z'n fiddle te produceren binnen een tuneset en Dennis weet net dat beetje gitaartoets mee te geven, zodat je steeds aangenaam haast klassieke klanken in je oren krijgt geschoven. Grote kunst.

Er staan mooie filmpjes op YouTube van de mannen.

 [terug naar boven]


De mooiste treurnis - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda juni 2013)

Er is heel veel mooie treurnis te beluisteren, heel veel mooie blues en ieder land heeft z’n eigen blues in cultuur verpakt. Naast de bekendste blues kennen we het ‘saudade’-gevoel bij de fado en de Kaapverdische morna. Ook de ‘duende’ in de flamenco bij de Spaanse Roma (Gitana)is zo’n getergd gevoel. En de ‘rebetika’ in Griekenland vertegenwoordigt de zelfkant van het leven in dat land. Ook onze eigen ‘Jordanezen’ in Amsterdam konden er wat van met afgekeurde woningen, stijfselkissies, dievenwagens en een begrafenis van Manke Nelis etc. etc. Droefenis alom.

Een mengeling tussen deze ellende en, naar mijn beleving, liefdesellende (in de vorm van schlagers) vinden we ook in de ‘sevdah’ of de ‘sevdalina’ op de Balkan.

Deze treurnis komt uit Bosnie-Herzegovina en ervaar ik toch wel als heerlijke treurnis, zoals ook sommige bluesfanaten hun muziek kunnen doorvoelen. De sevdah-liedjes zijn meer dan 300 jaar oud en de oorsprong ligt in de tijd van de Osmaanse overheersing. Ze zijn veelal uitgevoerd in de zigeunertoonladder, die een oriëntaalse sfeer schept. De uitvoering is vaak met viool en accordeon, ondersteund door meerdere gitaren en slagwerk.

De stad Mostar is het centrum waar veel Sevdah-dichters vandaan komen. En, logisch,  start voor een spannend collectief opgericht tijdens de laatste Balkan-oorlog. Mostar is de vijfde stad van het land met die legendarische brug, al een toeristische trekpleister in Tito’s tijd. Maar het is ook de brug tussen twee culturen. In het Oosten de Moslims en in het Westen de Kroatische Christenen. Het centrum van haat en nijd in die oorlog, wat alleen maar werd verergerd toen de Serviërs de brug wegbombardeerden. En juist daar ontstaat, precies op het hoogtepunt van die haat, de groep Mostar Sevdah Reunion, die hun naam bewust hebben gekozen.

Een stad verenigen door middel van muziek die iedereen kent, de eeuwenoude sevdalinka en uitgevoerd door rasmuzikanten van beide kanten van die brug.

De groep was opgericht door producer Dragi Sestic en in 1993 verscheen er een muziekcassette met hun sevdah om troost te bieden in die barre tijden. De cassette werd onder vrienden verspreid en sloeg in als een bom maar dan in positieve zin. Muziek als medicijn tegen de oorlog die maar voortraasde in het voormalige Joegoslavië.

Na de oorlog in 1998 verscheen de eerste CD en dit jaar de achtste met de fraaie titel Tales From A Forgotten City. In de afgelopen jaren heeft men samengewerkt met grootheden als Ljiliana Butler, Roma-diva Esma Redsepova en Roma-crooner Saban Bajramovic en heeft men internationale roem vergaard. Het is een collectief geworden,op deze CD, van vier oudleden, drie nieuwe leden uit de stad en de vier gaststemmen van Vladimir Mickovic, Kristina Sulaver, Anja Rikalo en Dino Sose.

Maar nu beschrijven wat ik hoor op deze CD. Eigenlijk is dit album met geen pen te beschrijven. Ik heb hun meeste albums en daar hebben hun meeste stukken een “kop en staart”, maar bij deze liedjes is de beleving zo intens dat elke benadering van het beschrijven de plank mis slaat. De meeste lange stukken vloeien in elkaar over met bijgeluiden van water, cicadengeschraap of vogelgetjilp.

Alles is zo ingetogen en ingehouden dat langere stiltes in de nummers maken dat de composities haast fragmentarisch tot ons komen. Maar die stiltes en elk losstaand geluid, een enkele vioolstreek, enkele onregelmatige tikken op hout, een enkele pianonoot; het maakt samen zoveel spanning dat het lijkt alsof je al uren luistert. En er gaat zoveel berusting uit van deze CD. Men heeft zeeën van tijd, flarden tekst zonder dat je de aandacht verliest.

Wie bekend is met sevdah of sevdalina zal met deze CD een geheel nieuwe ervaring opdoen. Voor ieder ander zal het vooral rust en nostalgische ontspanning opleveren in deze jachtige wereld, waar woorden en zinnen vanwege de haast niet meer volledig worden uitgesproken, waar ’het moment’ al achterhaald lijkt voor ze is aangebroken. De melodieën zijn eeuwenoud maar worden toch met jazzy noten gebracht, wat weer heel modern klinkt. En ook een prima verdeling van langzame en snelle stukken, mannen- en vrouwenstemmen maakt dit tot een afwisselend album. Voor Balkan-liefhebbers is deze Tales From A Forgotten City van Mostar Sevdah Reunion een top CD.

Mostar Sevdah Reunion - Tales From A Forgotten City, World Connection / snail records 2013 – SR66021.

 [terug naar boven]


Balkanfusion (niet voor puristen) - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda mei 2013)

"Fusion" is in muzikale termen een interessante muziekvorm. Bij puristen wekt deze vorm wellicht wrevel, maar om traditionele muziek voor een grotere groep muziekliefhebbers toegankelijk te maken is het wel nuttig en goede fusion is best spannend. Fusion is vaak een mengvorm van jazz en .... Maar het kan ook anders en soms is een festival een katalysator,.een intermediair.

Op zo'n muziekfestival was er een ontmoeting tussen de Albanese Fanfare Tirana en de Britse band Transglobal Underground. De laatste band maakt al jaren een soort 'worlddance en trance. Mengvormen met drum'n bass, rap en volksmelodieën metv olksinstrumenten als sitar, tabla, viool, dhol, fluiten (zoals de nay) en ook geprogrammeerde instrumenten. En frontvrouw Natascha Atlas bracht ook nog eens haar Egyptische achtergrond mee qua zangstijl. Het was ook 'underground' want de muziek werd / wordt voornamelijk gedraaid in het alternatieve circuit.

Fanfare Tirana heeft het pure polyfone geluid van Zuid-Albanië, een rijkere melodische kleuring in de muziek dan van Noord-Albanië, met mooie emotionele zang en harmoniezang. Het 'geluid' van Albanië is ook volstrekt anders en zeer herkenbaar vergeleken met elders op de Balkan (waarschijnlijk omdat dictator Enver Hoxha de grenzen potdicht hield en hoge bergen net zo 'cultuurvast' zijn als, vroeger, de eilanden). Op het festival werden bladmuziek en ideeën uitgewisseld en kon men elkaar zo waarderen dat er besloten werd om iets gezamenlijks te doen. Het geluid dat daaruit ontstond was wel erg apart. Veel balkankoper met polyfone zang, maar door deze te mengen met een stevige beat, een sitar en tabla-geluid uit India, zwarte rap en nog meer ingrediënten, ontstaat er een unieke sound vastgelegd op een heuse cd. De 'kaba'(= treurzang) vermengd met modernica is eigenlijk de vrije vertaling van de cd-titel Kabatronics, die dit jaar uitkwam.

De muziek moet je gewoon ondergaan en uiteindelijk doen opstaan uit je stoel. Tikkie harder draaien en dan swingend genieten. Terwijl ik helemaal niets heb met rap stoort het mij hier helemaal niet. Een unieke klankkleur voor en door een steeds kleiner wordende muziekwereld.

Een ander soort fusion is de Turkse schijf van Minor Empire. Negen muzikanten waarvan de helft typisch Turkse instrumenten bespeelt als saz.,ud, kanoun, klarinet, davul, darabuka etc. en de andere helft elektrische gitaar en slaggitaar, elektrische bas, soundprogrammering. etc. Maar ook belangrijk is dat deze groep niet uit Turkije komt maar uit Canada en daar met deze cd door de daar grote wereldmuziekorganisaties werd uitgeroepen tot wereldgroep van 2011 en ook van 2012. Enkele leden hebben hun sporen verdiend bij Loreena McKennit; ook Canadese, en klarinettist Selim Sesler is een internationaal bekende grootheid uit Turks Thracië .

Nergens gierende of scheurende gitaren op hun cd Second Nature maar meer de sound van symfonische, haast Pink Floyd-achtige geluiden, maar dan in zigeunertoonschaal vol halve en glijdende noten. 'Zuluf dokulmusyuze' en ook 'Second Nature', de titeltrack, zouden zo een passende Turkse persiflage kunnen zijn van een 'Floyd-nummer uit 1972 of '73. Maar in alle nummers blijft het Tukse folkloregeluid de boventoon voeren op deze prima geproduceerde cd van Minor Empire.

Waar de eerst besproken cd een positief effect genereert voor een "open mind", zijn vooral de composities op deze tweede schijf interessanter. En zeker belangrijk hierin is de mooie stem van zangeres Ozgu Ozman. De cd zou op haar naam kunnen staan. Dit is echt een cd die je vaker moet draaien, waardoor je steeds meer ontdekt wat er zich afspeelt bij de levendige achtergrondgeluiden.

Waar Fanfare Tirana zich duidelijk laat inpakken door de Transglobalisten blijft Minor Empire dichter bij de Turkse traditie met een ambient-achtige benadering. Zes van de 14 stukken zijn traditioneel maar modern gearrangeerd door de soundprogrammeur en elektrische gitarist Ozan Boz, die ook het hele album heeft geproduceerd. De overige leden hebben wel meegeschreven aan de nummers.

Beide albums geven aan dat Traditie niet stilstaat maar immer in beweging en zich in alle richtingen beweegt. Een frisse wind door Fusionland. Voor puristen is er nog een lange weg te gaan eer dat men deze muziek kan waarderen, maar voor avontuurlijker oren zijn dit spannende cd's.

Fanfara Tirana meets Transglobal Underground – Kabatronics world village label2013
Minor Empire – Second Nature – world trip recordsWTR001-2011

[terug naar boven]


Filmische folklore - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda april 2013)

Ik houd van reizen door vreemde buitenlanden, ver en naast de deur en vaak neem ik dan muziek mee van zo'n vreemd gebied op de wereld voor een "radiomoment"; die andere hobby van mij. Soms hoef ik nieteens zo ver te reizen. Gewoon zonder paspoort en maar 20 minuten met de metro, enstukje lopen, dan door de draaideur naar de eerste etage waar 'de bieb haar cd's verhuurt. Een schat aan fantastische muziek uit de hele wereld voor een prikkie te huur.

Een van m'n laatste reizen was naar Turkije. Ik was vaker naar Turkije geweest en ook vaker in het Koerdistaanse gedeelte, maar deze reis van een paar jaar geleden bracht me naar het Zuid-Oosten, dat ook wel bekend staat als het Zwarte Zee-gebied. Een bijzonder gebied met, zoals ik het dan noem, een dramatisch landschap. Ruig, kaal en toch erg groen. Prachtige vergezichten, weinig verkeer, leeg landschap met een toch wel armoedige uitstraling. Echt een wat achtergebleven gebied waar de toerist nog een bezienswaardigheid is (of inmiddels was). Maar ook het imposante Pontos-gebergte.

Muzikaal heeft het gebied ook een boeiend karakter. Naast de echte Turkse muziek hoor je ook veel muziek van het achterland Georgië en Armenië. Vanwege de handel met dat achterland zijn veel volkeren er blijven 'plakken' in dat deel van Turkije en ook de Grieken hebben er hun stempel op gedrukt. Zodanig dat in steden als Trabson en Rize in het Noord-Oosten en het Pontos-gebergte de taal Romeyka wordt gesproken en dat is eigenlijk een oud-Griekse taal. Het heeft geen officieel schrift maar wordt hier en daar nog wel gesproken.

Een expert op dit cultureel zeer interessante cultuurgebied is de zangeres Aysenur Kolivar. Zij stamt af van de Lazen, een oud-Georgische stam dat islamitisch is in tegenstelling tot de Christelijke Georgiërs. Ze zingt haar volksmuziek, naast het Turks, ook in het Romeyka en in het Lazeri. Ze is geboren in 1976 in Rize maar heeft haar jeugd doorgebracht in Izmet. Ze heeft gradueel onderwijs gedaan in taal en literatuur en een universitaire studie in muziek en folklore. Vanaf '97 is ze betrokken bij zo'n 20 muzikale projecten en maakte daarnaast drie cd's onder haar eigen naam, waaronder deze dubbel-cd uit 2012: Bahceye Hanimeli ( kamperfoelituin').

Ze heeft veel filmmuziek gemaakt bij films die gaan over haar geliefde "Kara Deniz", de Zwarte Zee-cultuur. Ook heeft ze een studie gedaan naar de invloed van de vrouw op de Oost Zwarte Zee-gebieden. Een veelzijdige muzikante dus. De muziek op haar laatste dubbelaar is een weerslag van de muziek van de vele volkeren die daar leven (Turken, Lazen, Circassiers,Chepi,Romeyka, Humchenis en Georgiërs). Naast de gewone folkloreliedjes en dansennhoor je ook 'bijgeluiden' van enthousiast dansende of schreeuwende mensen en ook natuurgeluiden als wind, regen, omweer, koeien,v ogels etc. Af en toe doet iemand een verhaal voor het lied uit en dan hoor je ook duidelijk Griekse woorden.

De cd klinkt als filmmuziek, maar dat heeft ze wel vaker gemaakt. Aysenur zingt tamelijk etnisch soms, met zo'n 'hik' in haar stem zoals bij de Bulgaarse zang. Soms solo en soms met een klein koortje. Naast moderne instrumenten als cello, gitaar, elektrische bas, keyboard, hoor je natuurlijk veel folklore instrumenten als de kaval-herdersfluit, de mey, een schalmij met een heel breed riet, de ud, de tulum oftewel de Turkse doedelzak. Natuurlijk ook het nationale instrument uit de streek, de kemence, ook waarschijnlijk overgehouden aan hun contact met de Griekse eilandbewoners die dit instrument de lyra noemen. Naast de turkse davul-trom hoor je ook de Georgische dehol, de bayan-accordeon, het Georgische panduri snaarinstrument en ook een Georgisch hoog fluitje. Naast haar vrij hoge ijle stem hoor je soms ook mannen een lied zingen en alles is met de juiste galm en warmte opgenomen.

Na enkele draaibeurten geloof ik wel dat een notoire toerist die per ongeluk van het platgetreden toeristenpad is afgedwaald wel even met de oren staat te klapperen bij deze muziek. Maar, doe eens gek en laat je verrassen en je ervaart geheel nieuwe spannende emoties! Zoals ik door het dramatische landschap was gegrepen destijds, zo ervaar ik deze muziek ook. Niets van te verstaan en soms grillige melodieën met vaak een Georgische kleuring of de zeer ritmische kemence-geluiden maakt bij elkaar spannende muziek die constant omaandacht vraagt. Het doet je beseffen dat het reizen naar andere culturen dan"de Coca-Cola cultuur" je een prettige nieuwsgierigheid geeft. Met gepaste eerbied vraag ik mij dan af of eeuwenoude culturen ook niet thuishoren op een erfgoedlijst, maar tegelijkertijd besef ik dat tradities nooit stil zullen staan en altijd veranderen en ik nu luister naar een tijdsbeeld dat ook langs de Zwarte Zee langzaam vervaagt. Jammer? Nee, zo hoort het. Maar nu is deze Kamperfoelituin een plek waar ik uren met mijn oren in wil ruiken. Een mooi product voor de herinnerde vakantieplaatjes in mijn hoofd. En zomaar gevonden, 20 minuten van m'n huis in de Amsterdamse bibliotheek op de eerste etage. Bedankt Bieb!

Bahceye Hanimeli van Aysenur Kolivar op het Kalan-label.

[terug naar boven]


Bluegrassvreugde en cowboyblues - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda maart 2013)

Diegeen die mij een beetje kent, weet dat ik al een waslijst van muzikale activiteiten heb doorleefd. Van demodanser bij diverse dansgroepen naar koorzanger bij diverse koren en koortjes naar muzikant bij diverse bands en bandjes en radiomaker plus diverse andere kleinschalige activiteiten-met-muzikale-achtergrond (stukkiesschrijver?). Een waslijst niet om mee te pronken maar meer een zoektocht naar wat er in me zit. Dit bezige baasje die, na ongeveer zeven jaar, verder moet naar een nieuwe uitdaging, wat steeds toevallig op mijn pad komt en waarmee ik het aardse bestaan wat aangenaam invul. En altijd 'kleurt' mijn smaak naar de laatste liefde van het moment.

Dit moment is, naast radio maken, spelen in The Bikeshop Band en dus luister ik nu meer naar "traditional Americana", een mix van American folk, oldtimey, bluegrass en traditional singer-songwriters muziek. Ik leer nu weer veel nieuwe namen in dit muziekgenre en dat is weer terug te vinden in mijn radioprogramma. Voor een ieder die op een makkelijke manier een nieuwe wereldmuziekwereld wil kennen: luister bijvoorbeeld naar de serie The Rough Guide to.... Voor mij is nu de 2012 cd The Rough Guide to Bluegrass een hot item met 18 tracks en namen waarvan ik er al een aantal heb leren kennen.

Bill Monroe begon in 1938 een groep om zich heen te verzamelen en gaf deze groep een naam van het belangrijkste product dat z'n staat Kentucky voortbracht: tabak (bluegrass) en de groep kreeg de naam The Bluegrass Boys. Hij vond uit dat als je Oldtime (Hillbillymusic) mooi arrangeerde met behulp van een fiddle, rhythm guitar, mandoline (hijzelf), banjo en contrabas en daar ook nog "close harmony" bij zong, dat dat best wel eens mooi zou kunnen klinken. De bluegrass-stijl was geboren en werd een gigantische hit; vooral (maar niet alleen) bij de blanken.

Sommige stukken op deze Rough Guide staan dichter bij de oorspronkelijker traditionele Oldtimey stijl, de muziek die de 'settlers'in de Appalachian mountains meenamen of ter plekke maakten over het harde boerenleven op de arme berggrond bij die "hillbillies". Ook het harde leven in de kolenmijnen waar velen later terecht kwamen(door honger gedreven) waren voer voor fraaie ballads met diepe treurnis. Andere tracks zijn weer moderner en soms wat 'jazzier' zoals bij The grasscals en Ricky Skaggs of 'rockiger' bij The Steeldrivers, en er is ook wat 'goud van oud' via Ralph Stanley, The Country Gentleman en Tom T Hall. En Ginny Hawker en Peter Rowan brengen het gospel-element in de bluegrass naar voren, want armoede, simpelheid en geloof gaan nu eenmaal heel goed samen.

Veel namen en groepen ken ik al wel, maar ook voor mijv alt hier nog veel te ontdekken. Een mooi afwisselend album dat laat horen hoeveel verschillende facetten er binnen de bluegrass-stijl bestaan. Ook tekstueel leer je een hoop van de geschiedenis, zoals bij "Coal Mining woman" van Hazel Dickens. En, zoals bij veel Rough Guide-cd's , zit hier ook een bonus cd bij. In dit geval de cd Cold Coal Town van Scott Holstein, die hij al in 2011 had uitgegeven. Zijn eerste cd, waar hij lang aan heeft gewerkt.

Scott wie??? Hij is geboren op 5 mei'74 uit een bluegrass-spelende familie. Hij leert fiddle spelen op vijfjarige leeftijd en als jongeling gaat hij eigen songs schrijven. In 2009 verhuist hij van de kolenmijnenstreek in West Virginia naar Nashville en vanaf 2010 werkt hij aan dit album met prima Nashville-bluegrass-muzikanten. Met z'n baritonstem en de tweede stem van vaste'partner for life, dobro-speler Randy Cohrs, maakt hij dit "dark, moody, bluesy bluegrass country" album met een echt eigen geluid. In Nederland is het een tamelijk onbekend album, maar dat is onterecht, want ik volg de Americana toch al weer een aantal jaar en deze cd zet toch echt wel een eigen toon. Het is geen rauwe cd; eerder een soort onheilspellende sound binnen het bluegrass-idioom. De manier van zingen, dat losse glijdende naar de noten toezingen en de donkere melodieën maken het album bluesy.

De muzikanten zetten werkelijk fantastische solo's tussende zangpartijen. Hoogtepunten zijn de gedreven trainsong "Boonie County Blues" en het fraaie a-capella stuk "Black Water", maar ook een slide in "Roll CoalRoll" maakt dat nummer ook weer prachtig.

Eigenlijk hoor je na een paar keer draaien geen echte hoogtepunten meer, maar is dit album een groot hoogtepunt binnen de bluegrass-wereld maar dan aan de andere kant van dat opgewekte van Alison Krauss en haar Union Station (ook niet te versmaden overigens). Als de reclamewereld rond dit album goed z'n werk doet, kan Scott Holstein een hele grote meneer worden en anders duurt het wat langer, maar zoveel kwaliteit blijft niet eeuwig verborgen.

Ik zet de cd nog eens op en geniet nog eens van mijn nieuwe liefde die bluegrass heet.

The Rough guide to Bluegrass- 2012- RGNET 1267, incl. Cold Coal Town van Scott Holstein als Bonus cd

[terug naar boven]
 


Een tijdloos dansproduct - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda januari 2013)

 

Mijn lieve, lieve vriendin heeft ook een verslaving: Krimi's; maar dan ook allemaal! Morse, Lewis, Midsummer murders en 'de Zweden'. En dat mag. De vrijdagavonden en de zaterdagavonden zijn dus bezet als er buiten de deur niet iets sociaal belangrijkers te gebeuren staat. Ik heb zo m'n eigen verslaving, zoals u wellicht weet. Als ik vrijdagavond , moe van mijn baan en het reizen naar haar toe, hangend over de bank tot niets anders in staat ben dan een beetje meekijken, dan overkomt mij soms iets wat 'iets anders' in werk zet. Juist, mijn eigen verslaving: muziek!

Bij het super Engelse speurneuzenprogramma Midsummer Murders werd een stukje country dancing getoond en ja, daar herkende ik direct een van m'n lang geleden geleerde dansen, toen Engelse volksdansen nog populair waren in onze 'scene'. Ergens begin jaren'70 en ik herinnerde mij nog de naam van die dans: "La Russe". Niet de originele muziek van toen, maar dat van de cd Kickin 'up the sawdust van de "Godfather of English Folk" Ashley Hutchings. Een album dat nooit verveelt, dat altijd vrolijk maakt en dat toen en nu nog steeds een verpletterende indruk achterlaat na het beluisteren ervan. Toen de grote schijf en nu, het kleine schijfje.

Ashley Hutchings heeft altijd gezocht naar een symbiose van folk, volksmuziek en pop, rock etc. Muzikaal was hij bassist maar meer nog een organisator, inspirator, bedenker en vooral bevlogen liefhebber van de oude Angelsaksische volksmuziek. Zijn eerste zichtbare betekenis voor de volksmuziek was z'n oprichting van een bandje dat boven een apotheek samenspeelde. Het was de voormalige verblijfplaats van Simon Nicol en de apotheek heette "Fairport". Fairport Convention was in Engeland een geheel nieuw muzikaal idioom; de Engelse folkrock werd hier geboren, eind jaren '60.

En Ashley, hij werd onrustig want met de ideeën in zijn hoofd ging het verder, dus verliet hij Fairport om een nieuwe band te starten. Bij Fairport Convention speelde de Amerikaanse folk (o.a. Dylan) nog een rol en Sandy Denny had ook ideeën in een andere richting. Eigen composities en misschien wel solo gaan. Ashley wilde "Britser" en dus richtte hij met twee duo's - Tim Hart en Maddy Prior; Gay en Terry Woods - de folkrockband Steeleye Span op. Folkrock van toen kun je rustig folkpop van nu noemen, want zo heftig was het toen allemaal nog niet, in de jaren '70.

Na de succesvolle lancering van Fairport liet Hutchings zijn ogen vallen op het archief van het Cecil Sharp house. Cecil Sharp was verzamelaar en oprichter van het E.F.D.S.S., The English Folk Dance and Song Society,en in Londen lagen honderden folksongs en dansen te wachten op een herbeleving. Ashley Hutchings was er klaar voor. Nadat Steeleye Span ook redelijk bekend werd stapte Ashley op voor een nieuwe liefde: de Morrisdans-traditie. Daarvoor richtte hij, met twee oude vrienden uit z'n Fairport tijd, de Albion Country Band op, met als belangrijke spil de grote kenner van Morristrad's en 'master' op melodeons en concertina's, John Kirkpatrick. Het album Morris On was hun album Battle of the field voorgegaan en liet een verpletterende indruk na de komende jaren. Na de helaas te vroeg overleden Countryband richtte Hutchings de Albion Band op voor vele jaren, veel wissels en veel albums. In '77 had hij ook z'n oog laten vallen op de country and barndances, dansen van het volk, vaak gedanst op dansfeestjes in schuren op het platteland, en naast z'n werk bij de Albion Band wilde hij ook deze traditie vastleggen met een 'moderne touch'. Het werd een album op z'n eigen naam met 10 muzikale vrienden waaronder zes leden van de toenmalige Albion Band. De lokatie waar het album zou worden gemaakt was zeer belangrijk voor de atmosfeervan het album: een oude zaagmolen en houtzagerij in lichtvervallen toestand, haast onzichtbaar in een bocht van het riviertje Fowey te Goland, Cornwall. En daar ontstond een van de mooiste Engelse volksdansalbums die ik ken! Daar op die plek, alleen per boot of over een vergaand spoorlijntje lopend te bereiken, is ontzettend veel plezier beleefd tijdens de sessies waar deze prachtplaat uit is ontstaan. Het 'pure' van de volksmuziekinstrumenten als hammer dulcimer, melodeon, concertina, mondharmonica en tamboerijn vermengd met het 'moderne' van klarinet, baritonsax, piano, elektrische en akoestische gitaar, elektrische bas en drums. Zonder dat de traditie werd weggespeeld. Met het behoud van het pure van de traditie.

En er werd gedanst, denk ik, daar in die houtzaagmolen; dat kan niet anders want dit album kreeg de titel Kickin' up the sawdust. Het moest ook de luisteraars van dit vinyl tot dansen krijgen, want de 12 dansen die men kan bezigen werden nauwkeurig uitgelegd op de achterkant van de hoes. In '94 verscheen dit kostelijke werk gedigitaliseerd op cd ook bij EMI maar dan via BGO Records.

Het volksdansen, daar ben ik zo'n beetje mee gestopt, maar het luisteren naar dansmuziek is met zo'n cd een bron van vreugde. Een zeer afwisselende schijf waar het spelplezier vanaf spat. Nee, deze keer geen nieuw product in de spotlights, maar wel een tijdloos mooie cd die nog jaren met enige regelmaat uit mijn boxen knalt.

Ashley Hutchings zou hier nu een vervolg op moeten maken, maar ik vrees dat de ouderdom ook bij hem is toegeslagen. Maar dank voor dit Tijdloze Dans Product, Ashley Hutchings!

Ashley Hutchings – Kickin'up the sawdust , BGO Records BGOCD244

[terug naar boven]


Cymbaliband door velen gemist - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda januari 2013)

Afgelopen zondag 24 november was onze Stichting Mokum Folk, via een omweg,weer actief. Eens in de zoveel tijd haalt "muziekmakelaar" De Speelman alias Crispijn Oomes een goede band naar Nederland voor een serie concerten door het land. En als Amsterdam in de planning zit dan vraagt hij onze Stichting voor medewerking rond het Amsterdamse concert. Wij maken het mede-kenbaar en presenteren het voor een, meestal, uitverkocht huis. Onze abonnees/lezers krijgen dan ook weer korting op zo'n concert. Meestal zijn het fantastische Hongaarse bands die De Speelman heeft 'gespot'; de top van de Hongaarse volksmuziek van "nu". En het was weer een groot feest met een band die de Hongaarse folk weer een stuk verder de hedendaagse tijd in weet te brengen. Een zeer jonge groep die de oude volksmelodieën en songs weet te bewerken tot medleys vol invloeden van pop, jazz, ragtime ofJango Reinhardt-swing.

Zes mannen en een zangeres die alweer een hele serie cd's hebben geproduceerd en ook al weer jaren rond toeren in en buiten hun land. Alle leden zijn grootmeesters op hun instrumenten, waarbij de leider / cymbalist wel erg opvallend snel over z'n muziektafel-vol-snaren heen ragt en geen noot verkeerd slaat met z'n vilten stokjes. Schoonheid op viool, gitaar, accordeon, contrabas en percussie. En niet te vergeten de prachtige zang! Het is ook een band met leuke kleine theaterfoefjes zoals het moment dat de zangeres tijdens een stuk een doek over de ogen van de cymbalist knoopt en de speler met het grootste gemak'blind' nog een tandje sneller gaat spelen. Soms zingen gitarist, percussionist en cymbalist een stukje mee met zangeres Eszter Szita. Haar stem heeft een sterke gelijkenis met die van de Grote Hongaarse zangeres Martha Sebestyen, maar dan een jongere uitgave.

De band is een grote vriendenclub; dat merkte ik tijdens het eten in de buurt van het Theater De Cameleon. Helaas is de Engelse taal minder aanwezig bij de groep, waardoor ik geen uitgebreide gesprekken met hun heb kunnen voeren. Hun uitgekiende arrangementen gaan van pure Hongaarse 'scardas' naar sneller met Roma-mondgeluidjes, naar opzwepende jazz of een 'Jango' gitaarsolo overgaand in een percussiesolo op cajon, bekkens of darbuka en dan weer terug naar de cymbaal om uiteindelijk uit te komen bij een a-capella walsmelodie zonder woorden. Gezongen door de groep en 10 minuten verder. Het kan bij deze Cymbaliband. De langzame ballads waren wat in de minderheid maar als het gas wat terug werd genomen dan zong zangeres Eszter Szita "Szetelem, Szerelem" met een heel andere mysterieuze melodie dan die ik van Martha ken.

De Cymbaliband herbergt veel culturen binnen de groep (eenTurk, een Serviërs, Roemenen en Hongaren) en dat vind je ook terug in hun muziek, maar de Hongaarse Trad. is toch wel het meest gehoorde idioom. Er zit ook nog steeds progressie in het groepsgeluid.

Ik heb de 2011 cd Ablakimba en de 2012 cd Szivtanc voor mijn radio-activiteiten en daar zit toch wel een behoorlijk verschil in. De laatste is popachtiger met elektrische slaggitaar en drums, maar het concert was meer het 2011-geluid met meer akoestisch versterkte instrumenten. Maar wat een vaart, wat een swing en wat een eenheid en enthousiasme naar elkaar en naar ons, het publiek! Het encore, de toegift was een reggae-achtig Engelstalig stukje "toeristenbegeleiding door Budapest"; hilarisch neergezet door deze beregoeie band. Maar ja, u weet het omdat ik u dit laat lezen en woorden doen natuurlijk ontzettend hun best, maar ze zijn echt niet in staat om te beschrijven wat oren en ogen allemaal meemaken. Een concert voor 20 mensen in een sfeervolle zaal die ongeveer 80 mensen kan herbergen, betekent een gemis voor heel veel muziekliefhebbers, denk ik zomaar.

De laatste twee cd's zoals hierboven gememoreerd zijn zeer de moeite waard en niet alleen voor Hongaarse folkliefhebbers. In Hongarije heeft de "Trad.Music" nog toekomst, is mijn conclusie.

[terug naar boven]


Aftrap Lowland Sessions - door Maria Douwes
(bron: Amsterdamse Folkagenda december 2012)

Op zondag 18 november speelde de Keltische Fantasy band Shady Grove in 'Onder de Linden' in Middenbeemster. Deze formatie bestaat uit vier muzikanten die allemaal verschillende instrumenten bespelen. Met het eerste nummer "Shadygrove" zien we al een draailier, de bouzouki, de slide didgeridoo en de viool. Het instrumentarium van de groep bestaat verder uit synthesizer, gitaar, basgitaar, lowwistle, tinwistle, bodhran en kleine harpen.

Shady Grove speelt dus Keltische muziek maar ziet dat zeer breed. Zo is er ook een Bretonse dans te horen, het nummer 'Over my mountain' van Dougie MacLean en het zelfgeschreven nummer'Children of Lir'. De muzikanten, Renée Ernsting, Sylvette en Rick, haar dochter en zoon, en Ron Gelderblom gingen zelf gekleed in middeleeuwse fantasy-dracht, maar het publiek verscheen gewoon in eigentijdse kleding.

Na afloop van het eerste optreden werden er tekstboeken uitgedeeld met een aantal bekende nummers waar de akkoorden bij geschreven staan. Zo kon iedere deelnemer meteen meespelen. Dat gebeurde dus ook ten volle. De jeugd beet despits af met het nummer "I, I Follow"van Triggerfinger.

Renée Ernsting, die al van jongs af aan met muziek bezig is en een zeer veelzijdig muzikant is - ze speelt o.a. gitaar, viool en harp - is de drijvende motor achter dit initiatief. "Wij vinden zelf sessies vaak het leukst omdat je met andere muzikanten in aanraking komt. Je zit gezellig met elkaar om de tafel en probeert zoveel mogelijk met elkaar mee te spelen. We willen vooral jongeren aansporen om mee te doen."

Het idee voor The Lowland Sessions werd na een optreden in de Theaterboerderij "De Nieuwe Erven" in Amersfoort geboren."Daar hadden we na een optreden een spontane sessie en we merkten dat er bij het publiek een enorme behoefte was om samen te zingen en te spelen," vertelt Renée. "Ik weet dat de sessies op de Zeedijk in Amsterdam gestopt zijn en dat andere muzikanten ook zin hebben om te spelen. Wie er zin heeft, en/of een locatie weet waar we 'n keer The Lowland Sessions kunnen houden, laat het me weten. Het zou iedere maand op een andere locatie kunnen zijn. Dan hou je toch de contacten warm."

De volgende Lowland Sessions in 'Onder de Linden' in Middenbeemster wordt gehouden op 30 maart 2013, (zaterdagavond 20.30uur). Vanuit Amsterdam te bereiken met bus 100 – overstappen op bus 129, die op het marktplein van Middenbeemster voor Onder de Linden stopt. Mensen die met de trein komen, kunnen opgehaald worden vanaf station Purmerend.

Voor meer informatie bel met Renée Ernsting: tel. 0299-423480, of mail: rh.ernstingnijdam@hetnet.nl.

[terug naar boven]


Pas op!! De heidenen komen weer! - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda december 2012)

De geruchten hebben mij al bereikt en de fluistering is nu bevestiging. De Heidenen zijn weer terug!

Muzikaal gesproken natuurlijk, want in het algemeen rukken de Heidenen al jaren op of beter gezegd: de huidige 'gods- en godenbeleving' in dit tijdsgewricht van het aardse bestaan der mensheid verliest in macht en aandacht. Ik geloof al jaren niet meer in de sprookjesverhalen en en dat er ufo's en buitenaardsen zijn lijkt me vrij logisch, gezien de immense grootte van het heelal; daar doe ik niet zo opgewonden over zoals sommige 'ufo-believers'.

Terug naar de muziek, want in Zweden is er al jaren een prima band die de traditionele Scandinavische muziekcultuur weet te combineren met stevige rockgeluiden door oude volksmuzieksinstrumenten als draailier, doedelzak, fiddle, nyckelharpa, mondharp etc. aan elektrische draadjes te verbinden en te versterken. En deze Heidenen heten in het Zweeds Hedningarna. Ooit begonnen als trio in 1987, op zoek naar de Noorse oude cultuurmuziek met de daarbij behorende oude, haast niet meer bespeelde volksinstrumenten. Anders Norudde, een van hun, begon zelf nieuwe instrumenten uit te vinden en te bouwen, wat paste bij hun klankenpallet.

In 1989 kwam hun titelloze album uit met tamelijke barokke folk. In '92 legden de heren contact met twee schone Finse zangeressen en brachten ze Kaksi uit, wat al veelpittiger was. Hun derde album Tra hadde juiste kracht in figuurlijke en letterlijke zin om in '94 internationaal door te breken. Het grote touren kon beginnen. Er volgde nog vijf albums, diverse personeelswisselingen en gasten rond het orginele trio en toen werd het stil. Hun voorlaatste overzichtsalbum stamt alweer uit 2003 van deze Zweedse band. En dan is er dit jaar een gloednieuw album van het basistrio Hedningarna met de titel &, wat je uitspreekt als"Och". Zelfs het oorspronkelijke trio is al uitgedund tot twee, en de nieuwe man Samuel Andersson is een violist. Maar het oorspronkelijke 'gronderige'geluid is gebleven. Het nieuwe is er natuurlijk wel vanaf, maar hun'unieke' geluid is nog niet door andere bands nagevolgd, heb ik het idee. Hetl ijkt wel of de volksmelodieën wat talrijker zijn. Ook de polska, hambo en brudmarsch-ritmesgeven aan dat de basis wel "folk 'n trad." is.

Maar het gromt, piept en knort met daaroverheen de harde stemmen in het Zweeds. Menig dance-feest kan hier een kleurrijke bijdrage in vinden als men de volumeknoppen lekker opendraait. Er staan zelfs meezingbare stukken op deze cd & van Hedningarna, zoals nummer 7 "Hojdaren", maar de zang staat merendeel in dienst van de stevig uitgevoerde melodieën die regelmatig abrupt eindigen.

Soms hoor je de sackpipa (doedelzak) beter en soms ligt de nadruk bij de mungiga (mondharp) of voert de salgflojter(wilgebladfluitje) de boventoon.

Alle drie de leden zijn multi-inzetbaar en dat ,technisch gestapeld via 'multitracking' levert soms een orkaan van geluiden op maar meestal levert het geheel een spannende ontdekkingsreis op en is zeker niet slaapverwekkend. Met "Hejsan Svejsan" belanden we in een gronderige broeiende blues met een harmonica als wegwijzer. Het uitgangspunt , de Noorse volksmuziek, heeft men al eerder een beetje verlaten. Op hun Hippjokk-cd uit 1997 staan veel Zweedse melodieën en maakt men gebruik van de bekende (gast)zanger joik-zanger Wimme, van het Sami-volk die wij beter kennen als lLaplanders.

Nee, voor mij hoeven ze hun unieke geluid niet te veranderen. Ik heb wel van die frisse buien in mijn hoofd waar ruimte is voor hardfolk of metalfolk of welk label je op hun muziek wilt plakken. Voor puristen is deze "folk 'n trad." niet geschikt. Daarvoor is dit veulste veul heftig. Maar ik ben blij dat ook deze Heidenen weer onder ons zijn. Nu maar wachten op een tour door Nederland van dit stevige trio.

Hedningarna - & - Border Music BLCD 42

[terug naar boven]


En alweer Bellowhead - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda november 2012)

Ik moet toegeven dat ik stevig verslaafd ben binnen mijn toch al algemene schijversverslaving. Mijn wandeling naar mijn dealer in de Utrechtsestraat leverde onlangs weer een stapeltje van tien cd's op. Weliswaar tweedehands maar toch vrij recent materiaal van vorig jaar dat na een vluchtige 'snuif' aan de luisterbalie toch allemaal de moeite waard is. Ik zou zowat een eigen recensieblad kunnen oprichten maar de tijd ontbreekt en mijn mening is ook maar een mening. Professionele luisterervaring wegens radiowaardige uitzendverplichtingen, maar toch, het blijft maar een mening.

Dit keer vond ik naast de tweedehandsen ook deze nieuwste schijf van mijn extra verslaving: Bellowhead. Hun concert in Paradiso was zo'n verpletterende ervaring dat het luistervirus richting deze band alleen maar versterkt is, wat betekent dat ik deze nieuwe schijf zo uit de cd-bak heb gegrist en met bevende handjes naar de betaalmeneer ben geracet. Hoe verslaafd kun je zijn.

Bellowhead met hun nieuwste Broadside dus. De bekende ingrediënten van traditionele Engelse songs in een haast symfonische jazz-setting met een bombastisch gevoel en een pathetische zanger die met zeer herkenbare stem overal bovenuit schalmt. Naast de Engelse folksongs ook weer een greep gedaan in het sea-shanty repertoire en instrumentale stukken van eigen hand die steevast "all time favourites" kunnen worden. En alles uitgevoerd met trompet, gitaar, bouzouki, mandoline, banjo, sax, bas, klarinet, tuba, melodeon, concertina, fiddles, hobo, percussie, cello, doedelzak en nog veul meer. En alle muzikanten zingen ook nog eens.

Gelukkig zijn alle spelers multi-instrumentalisten zodat niet alle instrumenten gelijktijdig inzetbaar zijn, maar de studiotechniek maakt natuurlijk alles mogelijk zodat 'het grote geluid' wel degelijk terug te horenis. Maar diezelfde techniek maakt ook dat alle instrumenten bijna allemaal terug te vinden zijn in deze "wall of sound"

'Byker Hill' is de opener en mijn all time favourite in de uitvoering van The Barely Works, een leuke band op het snijvlak van Engels/Amerikaanse dansmuziek en avant-garde geluid. Deze Bellowhead- uitvoering is totaal anders maar een prima opener die gelijk de toon zet voor het hele album: stevig, haast rockerig maar wel heel Engels. 'The woodpile down' ken ik van heel veel shanty-groepen en allemaal min of meer hetzelfde gezongen, maar in deze symfonische uitvoering is het totaal andere koek. Puristen haken echt af bij deze uitvoering, maar ik hou wel van deze vernieuwing waar bij elke luisterbeurt iets nieuws valt te ontdekken.

Jon Boden is de leading man bij dit elfkoppig gezelschap en hij heeft weer een prachtig instrumentaal koppel gecomponeerd, "The dockside rant", waar je de hele dag vrolijk van kunt worden. Ook ritmisch zit alles er weer prima bij, met strakke, soms syncopisch uitgevoerde stukken. Het is eigenlijk ook niet verbazend dat de klassieke HenryPurcell ook om de hoek komt kijken bij dit symfonisch folkorkest. Het bekende 'Lillibulero' krijgt zo'n geweldige beurt met melodeon, pipes, fiddles en blazers en een"grootkooreffect" dat dit werk gelijk ook een van m'n lievelingen is op deze geweldige schijf. Zelfs het slotnummer 'Go my way' heeft aan het eind nog een geintje door bijna als een kamerorkestje het voorgaande bombastische geluid weg te spelen, maar het allerlaatste slot klinkt toch wel weer groots en meeslepend.

Een heel klein minpuntje om toch wat te zeuren te hebben is misschien het feit dat er geen rustig momentje in de vorm van een rustig nummer te bespeuren valt. Maar misschien moet ik 'm voor de zoveelste keer nog maar eens opzetten om die te vinden en dat doe ik dan ook met het grootste plezier!

Bellowhead – Broadside, Navigator Records, Navigator 073

[terug naar boven]

 



Twee levendige dames uit Engeland - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda oktober 2012)

De laatste tijd word ik weer sterk geïnspireerd door de oude Angelsaksische folk. Eerst waren het de folkrockers van het verre verleden der 70'er jaren die kortgeleden een 'live' herinterpretatie gaven van hun gouden jaren, en nu is het de pure volksmuziek van de ridders van de ronde tafel, Robin Hood, en de muziek van voor het Christengeloof ten tijde van de Druïden die mij raakt. En niet zozeer het vernieuwen van oude "trad."  in een modern popachtig, fusion-achtig jasje (ook leuk), maar het puur opnieuw neerzetten van de oude folk die ik nog leerde van Martin Carthy, John Renbourn, The Watersons, Shirley Collins of Peter Bellamy.

De liefhebbers van de Celtic folk vinden de Engelse folk vaak 'truttig', wat 'duf ', maar om dat specifieke karakter te kunnen brengen moet je wel van dat eiland afkomstig zijn. Zoom je in op beide culturen aan de andere kant van de Noordzee dan zijn ze zo verschillend van elkaar, maar om een of andere reden slaan de snelle jigs & reels of de Ierse melodieën sneller aan bij het grote publiek. Maar het Angelsaksische is minstens zo interessant. Hier zijn twee voorbeelden die behoorlijke vaandeldragers kunnen worden voor die oude Engelse "folk tales & tunes": Fay Hield en Jackie Oates.

Fay Hield maakte op haar vorige albums mooie maar sobere folk; nog wat vlak ingezongen maar toch ver boven de middelmaat uitstijgend .Haar dit jaar uitgekomen album Orfeo moet echt haar doorbraak worden, te meer omdat ze werkelijk een prachtige sterrengroep als begeleiding om zich heen heeft verzameld waardoor elk nummer sowieso iets extra's krijgt,  wat dit album zo geweldig maakt.

Naast haar echtgenoot Jon Boden (Bellowhead-aanvoerder) is er Martin Simpson, Andy Cuttings, Rob Harbron en Sam Sweeney; allemaal instituten op hun instrumenten en allemaal multiplayers. Speelt dat allemaal samen, dan krijg je een levendigheid die je haast afleidt van de dame die het album op haar naam heeft staan. Allemaal multiplayers en ook nog een aantal samenzingers die de naam The Hurricane Party hebben gekregen. Maar had dit album hun naam gekregen dan had ik het net zo sterk gevonden, want hun inbreng is net zo sterk als dat van Fay (sorry Fay). Het spat uit de speakers en niet alleen bij de snelle stukken.

Fay Hield heeft een beetje het timbre van June Tabor maar dan iets minder zwaar en melancholisch en haar begeleiding is veel levendiger en daardoor spannender. Fay Hield slaagt met deze Orfeo-cd met vlag en wimpel en ook met de afwisseling van langzamere en snellere nummers. Een speciale vermelding moet ik toch maken voor het al oude stuk "The Cuckoo", dat haast een oldtime-bewerking krijgt dankzij de clawhammer-banjo-begeleiding van Martin Simpson en de fiddle van Sam Sweeney.

Iets eerder verscheen het album Saturnine van Jackie Oates, die ik ook al ken van eerder werk. Ook zij is enorm gegroeid in haar muziek. Zij put uit hetzelfde repertoire als Fay Hield: de Engelse traditie van Queen Victoria, de "Music hall"-stijl en de Morris-tunes. Maar haar stem is toch totaal anders; meer een fluisterachtige en hogere; meer zoals dat van Kate Rusby,om haar maar even te plaatsen. Oates heeft een grote begeleiding, voornamelijk afkomstig van de scene van Devon en Cornwall. Van hen komen alleen Karen Tweed, Jim Moray en Steve Tyler mij bekend voor. Door bij elk nummer de bezetting te veranderen ontstaat een zeer afwisselend geluid.

Zij put ook uit de Morris-traditie, een voor-Christelijke traditie van geesten verjagen tijdens de oogst en andere rituelen (hobby horse, the fool etc.). Ook zij heeft een levendig album afgeleverd, maar naast songs staan daar ook enkele fantastische instrumentals op. Ze werkt ook met andere instrumenten als draailier, border pipes, mandoline, bouzouki, piano en percussie. Ook hier is het snel, langzaam, intiem of uitbundig. Naast het zingen hanteert Jackie Oates ook de viool in al haar vele varianten.

Beide albums zijn een lust voor het oor en het oog. Hoe zou het zijn als beide dames samen een album maakten, vraag ik mij soms af. Of met Maddy Prior, de nieuwe "Silly Sisters"? Engeland heeft nog veel te bieden.

Fay Hield & The Hurricane Party: Orfeo, Topic records 2012
Jackie Oates: Saturnine, ecc records 2011

[terug naar boven]


Oud en fris - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda september 2012)

Nostalgie druipt steeds verder door in onze huidige maatschappij. Is het de crisis (?) die ons terug laat denken aan betere tijden? Of is het de grijze golf van ouderen die, in de meerderheid, nadrukkelijker een stempel drukt met hun alsmaar herinneringen herkauwende aandacht? Omroep MAX doet het goed zolang de grijze golf in de meerderheid is. En als je goed naar het "tour de medicine"-verslag luistert, dan heeft men het ook steeds over vroegere renners en betere tijden.

Nee, ik ben niet van MAX, niet zo van de nostalgie. Geen reünies voor mij; niet gauw herkauwen van oude fotoalbums. Alleen terugkijken als er wat van te leren valt, want, dat dan weer wel: uit het verleden leer je het heden beter kennen.

Ook in de muziek treedt de nostalgie op tegenwoordig. Twee rote folkgroepen uit het verleden hebben in vele gedaanten de Tand Des Tijds best goed overleefd zonder hun "oorspronkelijke sound" echt te verliezen. Eind jaren '60 jaren ontstond er ook al zo'n terugkijkmoment bij de jeugd van toen. Men werd wildenthousiast bij Fairport Convention, de band van bassist Ashley Hutchings, die de oude angelsakische traditie van de middeleeuwse volksmuziek in een 'popjasje' stak met topmuzikanten als Sandy Denny, Richard Thompson, Dave Swarbrick, Sinon Nicol en Dave Mattacks. De band trad veelvuldig op in binnen-en buitenland en maakte regelmatig mooie albums waaronder het schitterende Liege and Lief en het al even schitterende Unhalfbricking. Maar zoals vaak bij artistieke en avontuurlijke geesten, gaat men na verloop van tijd andere wegen verkennen. Bij Fairport is er altijd al sprake geweest van een muzikale duiventil.

Na Liege and Lief uit '69 begon het uitstappen van de belangrijkste leden Asley Hutchings, Richard Thompson en Sandy Denny. De volgende elpee Full House was ook nog van grote klasse, maar bij het daarop volgende album Angel Delight werden vooral de gitaar, stem en schrijvershand van Richard Thompson duidelijk gemist. Bij de daaropvolgende, zevende elpee van Fairport was fiddler Dave Swarbrick de definitieve zanger en componist en werd er een mijlpaaltje geslagen: het zogeheten conceptalbum was geboren. Met hun Babbacombe Lee waren ze daarmee de eerste band, nog voor Tommy van The Who of The Wall van Pink Floyd.

Swarb had in een antiekwinkeltje oude krantjes gekocht uit1907, met daarin het verhaal van "the man they could not hang". Vermeende moordenaar John Lee had z'n bazin vermoord en was veroordeeld tot de strop. Maar tot drie pogingen aan toe weigerde het valluik van het mechanisme en men zette het vonnis van Lee om in levenslang (nog echt levenslang), waarvan hij er "slechts" 22 jaar daadwerkelijk uitzat wegens goed gedrag.

Dave Swarbrick kon zoveel songs halen uit dat levensverhaal dat deze story de rode draad werd voor Babbacombe Lee. Maar doordat er in die tijd nogal veel gebeurde binnen de groep heeft men de elpee niet voldoende kunnen ondersteunen en werd het album te weinig gedraaid om door te breken. Nadien verschenen er nog vele albums en personeelswisselingen en de band was tot tweemaal toe bijna dood verklaard en daarna praktisch gestorven, maar de emotionele krachten binnen de groep hebben er telkens voor gezorgd dat er met enige regelmaat nieuwe cd's uitkwamen van de band.

De mannen van nu zijn net zo grijs en ouder dan ik zelf ben, maar deden vorig najaar een nostalgische live-tour met een daaropvolgend live-album Babbacombe Lee Live Again.

Zoals gezegd, de tijd van nu is goed voor nostalgische gevoelens. Vandaar deze live-uitvoering van een toch wel miskend album uit het verleden, zonder dezelfde mensen en zonder Dave Swarbrick, maar deze grijze duiven spelen als jonge honden. En ja, de sound is nog steeds dezelfde als toen in '71. Maar de stemmen van nu horen bij het geluid van hun regelmatig terugkerend Cropready Festival, waar men een afscheidsconcert wilde geven maar met zoveel publiekswarmte werd onthaald dat ze toch maar besloten om door te gaan als band. Vergeleken met veel folk van nu, speelt de band ontspannen, ongekunsteld en fris.

Geen nieuws onder de zon maar wel opwindend genoeg en dat hoor je ook bij de tweede band van toen, die de folkies van toen op de stoelen deed staan. Toen bassist en bandoprichter Ashley Hutchings wegging bij Fairport, was dat niet met ruzie of muzikale meningsverschillen, maar wat hij in z'n hoofd had kon hij niet in deze groep uitvoeren, vond hij. Maar hij had genoeg contacten om een nieuwe groep te beginnen en dat werd Steeleye Span. Ook hier lag de angelsaksiche traditie aan de basis, maar daar waar Fairport nog vleugjes American folk (steevast een Dylan-cover op ieder album) had geintregeerd, moest Steeleye Span nog Britser dan Brits zijn.

Zijn eerste contacten legde Hutchings met het Ierse duo Gay en Terry Woods. Terry had z'n  idioom algevonden bij Sweeney's Men, met Johnny Moynihan en Andy Irvine; later de twee leden van de Ierse invloedrijke band Planxty. Om de band te complementeren nam Ashley contact op met een ander roemrucht folkduo, te weten Maddy Prior en Tim Hart. Met deze twee duo's was de groep compleet en in de jaren '70 tot '72 produceerden ze heel andere, maar ook vernieuwende folk voor de steeds groter wordende schare folkfans.

Maar ook deze groep had last van het duiventileffect. Tim Hart en Maddy Prior waren echter wel de meest constante factor binnen de groep; ook na het vertrek van oprichter Hutchings. Hij ging weer verder en had z'n aandacht verlegd naar de Morris-traditie van z'n geliefde Engeland.

In 1974 vond DE verandering plaats voor de 'Span'. De groep was al wel elektrisch bezig maar met vijf bandleden had het akoestische geluid toch nog de overhand. Dat veranderde met de komst van het zesde bandlid, de drummer Nigel Pegrum, en tot op de dag van vandaag is die stevige sound niet meer gewijzigd.

Ook al wisselen de leden als melktandjes, Steeleye Span leeft ook nog steeds en brengt ieder jaar nog interessante muziek uit. Het album Now We Are Six uit 1974 was hun eerste succes bij een bredere laag dan alleen bij de folkies en nu, net als Fairport Convention en zelfs eerder, ging de Span vorig jaar op voorjaarstournee met nostalgische muziek en daaraan gekoppeld hun live-cd Now We Are Six Again.

Ook nu is de band niet meer dezelfde van toen maar nog wel met de belangrijke spelers Tim Hart en Maddy Prior. En Maddy heeft nog steeds die messcherpe en loepzuivere hoge stem die de band zo herkenbaar maakt. Samen met de andere stemmen-in-harmony werd hun sound ook wel de "Gregorian Jefferson Airoplane" genoemd. Maar de band is na al die jaren met die vele elpees en cd's altijd zichzelf gebleven.

Twee live-albums waarvan ik de kwaliteit van Fairport net ietsje beter vind qua opnametechniek, maar kwantitatief wint wat mij betreft Steeleye Span, want de bonus-cd is een soort "Best of life" inclusief hun grootste hit "All around my hat".

Fairport Convention en Steeleye Span zijn muzikaal nog steeds twee superbands; goed voor de muzieknostalgie maar ook goed voor de folkies van nu die leren waar het allemaal mee begon in Engeland. Niet alles blijft een stoffig verleden, blijkt hier wel.

Fairport Convntion, Babbacombe Lee live again - Matty Grooves MGCD052- 2011
Steeleye Span, Now we are six again - Park Records PRKCD113-2011

[terug naar boven]

 


Tweede cd van The Possum Ridge String Band - door Herbert Bos
(bron: Amsterdamse Folkagenda augustus 2012)

Ja, de tweede cd van deze Amerikaanse groep is uit. Nu had ik nog nooit van deze groep gehoord, laat staan dat ik hun eerste cd ken. Sterker nog: geen van die cd's zijn te koop hier in Nederland. Daarvoor moet je ergens lid van worden en je creditcard-nummer opgeven. Daar voel ikniks voor, dus een andere weg gevolgd om deze muziek te pakken te krijgen. En voor de liefhebber een ontdekking!

Op de cd The Road Back Home staan 22 nummers. Een mengeling van pure oldtime tot pure Ierse muziek. Enkele voorbeelden: 'New Potatoes' (beter bekend als 'Angelinethe Baker'); 'Miss McLeod's Reel' (oftewel 'Hop High Ladies') en' Staten Island'(een hornpipe); 'Father Kelly' (een reel). Het bijzondere van deze cd is dat de grens tussen Amerikaanse oldtime en de Ierse muziek volledig verdwijnt. Dat komt vooral door de instrumenten die te horen zijn.

Zo is er een hoofdrol voor Rannie Winn op thin whistle. Daartegenover staat Peter Bramley op (clawhammer) 5-string-banjo. Verder zijn te horen Whit Whitfield (hammered dulcimer maar ook bodhran), E.J. Burke (fiddle, mandoline); Neal Brooks (bas en zowaar didjeridoo) en Sam Driver (gitaar); Rannie Winn (klarinet); John Pluta (accordeon).

Het mooiste bewijs van het samengaan van oldtime met Iers op deze cd is wel de medley van 'Over the Waterfal'l en 'Liberty'.

Nu nog de muziek van hun eerste cd te pakken zien te krijgen!

[terug naar boven]


Thierry 'Titi' Robin: buitencategorie muzikant - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda augustus 2012)

Al eerder heb ik mijn bewondering geuit voor Thierry Robin. Zijn muziekbenadering is gewoon fenomenaal en tegelijkertijd integer. De Franse muzikant komt uit Perpignan, speelt al jaren gitaar, ud en vooral bouzouq, de variant van de welbekende Griekse bouzouki.

Hij beweegt zich muzikaal binnen de Sinti-flamenco-traditie maar heeft zich inmiddels veel breder ontwikkeld en maakt nu traditionele muziek met 'zigeunerwortels'. Hij is geen Sinti van oorsprong maar wordt door deze zigeunerfamilie wel als 'broeder' beschouwd. Zijn bijnaam 'Titi' kreeg hij van de zigeuners uit Rajastan (Noord-India), de bakermat van alle zigeuners in de wereld.

Al 30 jaar maakt hij fantastische muziek meteen oprechte benadering van tradities. Al eerder maakte hij albums met o.a. een Indiaas zang- en dansgezelschap en trad daar ook overal mee op. Hij maakte muziek met Ezme Redzepova maar altijd hoorde je de Sinti-flamenco-traditie 'achter' zijn composities.

Ja, hij componeert en schrijft z'n eigen teksten, maar ik heb hem nog nooit horen zingen; daar vraagt hij anderen voor.

Zijn nieuwste cd is een trilogie geworden met de titel Riverbanks. Thierry 'Titi' Robin geeft er een mooie draai aan: "Rivierbanken hebben een herinnering, elke druppel laat een spoor na. Toen ik jong was, laafde ik mij veelvuldig aan de rivier als een dier dat dorstte naar kennis, soms tegen de stroom, soms in een klein fragiel bootje; soms met gelijkgestemden, vrienden, kinderen. Rivieroevers zijn de school van het leven; de route van de culturele oorsprong en verandering. Een zoektocht gevoed door emotie, bloed, zweet en tranen."  En nu, op z'n nieuwe Riverbanks, geeft hij terug aan waarvan hij geleerd heeft: de vele culturen. In een album van drie cd's en elk album heeft z'n eigen sfeer vanuiteen eigen cultuur met een eigen titel. Het knappe is dat Titi eigen composities weet te schrijven vanuit een andere cultuur zoals bij de eerste cd Laal Asmaan, die hij opnam met diverse Indiase muzikanten.

Tekst en muziek en uitvoering door Titi Robin met heel goede muzikanten met muziekinstrumenten als sarangi, tampura, bansur, barmonium, santoor, shehnai, tabla en andere percussie. En natuurlijk diverse Hindi-zangers en -zangeressen.

De Sinti-flamenco-gevoelens zijn geheel verdwenen, waardoor het eigene van een cultuur nog duidelijker naar voren komt. Maar toch: een compositie van Thiery met op elke track wel een stuk van z'n bouzouq of de ud en soms een gitaarrif. Af en toe 'samplet' hij er nog wat water- of vogelgeluiden bij, maar alles op een natuurlijk klinkende manier.

Het is geen muziek voor op de achtergrond bijeen prettig gesprek; daarvoor dwingt de muziek te veel tot luisteren en het is zeker niet muziek waar westerse oren aan gewend zijn, maar voor een getrainde wereldmuziekluisteraar is er ontzettend veel in te ontdekken.

De tweede cd, Likaat, staat in de Marokkaanse/Berber-traditie met een flink aantal muzikanten en zangers en zangeressen uit die streek, en met muziekinstrumenten uit die streek, zoals: ribab, sintir, qaraqeb, ud, fluiten, percussie.

Als wereldreiziger die ik zo af en toe ben ,zie ik beelden van de vakantieplekken bij al deze muziek; proef ik weer de noten, de honing, het schapenvlees, de mintthee.

Cd nummer 3, Gul Yapraklari, is gevuld met Balkan-geluiden, meer Turks bepaald met alweer prima muzikanten uit die culturele hoek met hun instrumenten als balaban, kaval, kemence, baglama, accordeon, klarinet en percussie. En niet te vergeten zang natuurlijk. Alle tekst en muziek staan op naam van Thierry 'Titi'Robin;i k vind het razendknap.

Hij geeft hiermee ook een milde kritische boodschap af naar de westerse wereld dat het culturele erfgoed wordt vermangeld door 'westerse oren' in westerse studio's. Hij heeft natuurlijk gelijk maar ik vind dat door de vermenging van diverse culturen ook hele mooie muziek is ontstaan, zoals bijvoorbeeld de muziek van de Algerijnse Belg Abdelli. Voor mij kan het naast elkaar een plekje hebben, maar de benadering van Titi is zeker belangrijk voor de cultuurhistorie.

Los van die discussie zou ik zeggen: onderga deze geweldige muzikant van 'de buitencatagorie' en ga via het internet op zoek naar al het moois dat hij al eerder heeft gemaakt. Ik ben al reeds verslaafd.

Thierry'Titi'Robin – Riverbanks, 2011 op Naive NY826211

[terug naar boven]


Doc Watson overleden - door Herbert Bos
(bron: Amsterdamse Folkagenda juli 2012)

Op 29 mei j.l. is Arhel Watson, beter bekend als Doc Watson, overleden. Hij werd geboren op 23 maart 1923 in Stoney Fork, North Carolina. Arhel is voor zijn eerste levensjaar blind geworden door een ooginfectie. Hij groeide op in een muzikale familie. Zijn moeder (Annie Watson) zong het religieuze repertoire, zijn vader (General Watson) speelde banjo. Hij leerde Arhel banjo spelen toen hij 11 jaar oud was. De banjo was zelfgemaakt. Het banjo-vel was van een groundhog (landbever), maar was te dik om een goed geluid te geven. Zij hebben toen het vel van de dode kat van zijn oma gebruikt om de banjo goed te laten klinken. Arhel had het beest gevild en zijn vader heeft het vel gespannen.

Toen hij 13 jaar oud was leende hij een gitaar en binnen één dag kende hij alle gitaarakkoorden. Zijn vader begreep dat deze zoon virtuoos was en kocht voor hem – nog dezelfde week - een eigen gitaar. Met Kerstmis kreeg hij een mondharmonica. Op zijn 23ste bespeelde hij ook de autoharp en de mandoline. Onder de naam 'Doc' werd hij op zijn 30ste een professionele muzikant, aanvankelijk als gitarist in diverse muziekgroepen, meer in de rock 'n roll-hoek.

Doc Watson trouwde met Rosa Lee Carlton (dochter van een bekende violist) en zij kregen twee kinderen: Nancy E. Watson en Merle Watson. Merle kwam op 36-jarige leeftijd om het leven op zijn boerderij door een ongeluk met een tractor.

Doc heeft heel veel platen en later cd's opgenomen. Onder andere met Merle, die ook gitaar (en slide-gitaar) speelde. Veel te veel platen om op te noemen. Al was het maar een selectie. Want welke noem je dan niet?

Voor de eerste opnamen richtten Ralph Rinzler en Eugene Earle in 1961 een recording studio op in het (houten) huis waar de familie Watson woonde. Er werden opnamen gemaakt met Doc Watson; zijn echtgenote Rosa Lee Carlton Watson; zijn opa Gaither Carlton; zijn oma Mrs. G.D. Watson; zijn oom Arnold Watson en zijn schoonzus Sophronie Miller Greer.

In 1963 verscheen de elpee The Doc Watson Family op het Folkways label. In 1994 werden de banden opnieuw gebruikt voor de elpee Songs from the Southern Mountains van The Doc Watson Family.

Doc heeft vijf Grammy's gewonnen en twee hoge muziekonderscheidingen ontvangen.

Doc Watson is op 89-jarige leeftijd overleden na een val in zijn huis 'The Ash Grave' in Deep Gap, North Carolina. Hij was pas geopereerd aan zijn darmen en deze val werd hem fataal.

[terug naar boven]


Na jaren ... - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda juli 2012)

Zo'n groep waar ik in het verleden razend enthousiast van werd, liet het de laatste paar jaar behoorlijk afweten. En omdat er zoveel moois uitkomt voor een Radiomaker als ik ben, is het een beetje "uit het oog, uit het hart". Maar het was weer de Amsterdamse Bibliotheek die mijn hart eventjes een sprongetje liet maken bij het zien van de drie blonde dames op de voorplaat en het biebplakkertje met 'Finland' over de hoes van de cd.  Bij het zien van deze, voor mij onbekende Värttinä-cd hoorde ik gelijk het geluid van de groep in m'n hoofd.

Ze bestonden dus nog!, constateerde ik tot m'n vreugd. Ik heb ze een aantal keren live meegemaakt en dat was een zeer enerverende ervaring. Het is een goede show en de liedjes zijn zo pakkend dat het publiek op sommige momenten massaal mee gaat zingen.

Een lange geschiedenis heeft de groep. Ooit was het een kinderkoortje met zo'n 25 kinderen, opgericht door Sari & Mari Kaasinen, 15 en 11 jaar oud. Met volksliedjes en gedichten werd de jeugdgroep al bekend in de wijde omgeving. Daar kwamen later nog wat jeugdige muzikantjes bij met veel streekgebonden instrumenten als strijkpsalter en kleine kanteles (schootharp). De muziek komt uit het gebied Karelië, zuidoost Finland, tegen de Russische grens. De groep viel uiteen omdat de studentjes hun studie moesten afronden.

Drie meiden, Janne Lappalainen, Kirsi Kahkonen en Minna Rautiainen, gaan door en schrijven zich in aan de Sibelius-academie te Helsinki. Ze zoeken contact met de plaatselijke rock-scene en Värttinä is weer een band en klaar voor een cd. In '91 verschijnt hun (derde) album Oi Daimet die typische Värttinä-sound van pop, jazz ingebed in de traditionele volksmuziek voornamelijk afkomstig van het Karelische Mari-volk, afkomstig uit midden Rusland. Oi Dai is hun doorbraak en de volgende cd Seleniko bevestigt hun kwaliteit nog meer. Daar zijn het de vier zangeressen (inclusiefde ex-accordeoniste) die de sound bepalen en een spannende show maken. Men gaat toeren door Europa, Amerika en Japan.

De volgende cd's worden steeds experimenteler met veel eigen composities, minder nadruk op het volksmuzikale karakter. Het zesde album Kokko uit '96 is dan het meest popachtige album en is ook het moment dat Sari Kaasinen, na een Japanse tour, afhaakt wegens familieperikelen. Men gaat door met drie zangeressen.

Vihma uit '98 is haast synthipop met een vleugje trad en Ilmatar uit 2000 is nog meer pop en minder folk. Bij het 2003 album Iki vind de tradpop een betere balans met de oude Värttinä song-structuren. Het album Miero uit 2006 is het laatste studioproduct; een wat donker tradpop-product.

In 2007 viert de band haar 25-jarige jubelfeest met de verzamelaar 25. Men toert nog sporadisch om deze CD te promoten. Maar er verschijnen verhalen dat de band nog bestaat, oude leden door nieuwe leden vervangt en er is sprake van voorbereidingen voor een nieuw album met ook al een naam: Utu. Dus het klinkt als een doorstart.

Ik heb zo'n negen cd's van Värttinä, met de dubbele puntjes op de twee a's, en hebeen mooi beeld van de band. Met deze cd Utu krijg ik een geweldig mooi album in handen met het typische Värttinä-geluid. Veel traditionele klanken uit traditioneel Finland maar wel met de folk van 'nu'.

Erwordt door diverse gerenomeerde internationale journalisten en trendwatchersgefluisterd dat er in de laatste 30-40 jaar in de mode, kunst en muziek niet wezenlijkveel is veranderd.

Een beetje meer software-vernieuwing, daardoor wat meer solisme en meer afstand van elkaar; meer niet. Bij Värttinä zou dit album Utu zomaar een van hun eerste cd's kunnen zijn; zo ijzersterk. Pure folk van deze tijd met de nadruk op de echte akoestische volksmuzikale klankkleur van toen. Pittige nummers met de syncopische ritmen waarmee ze doorbraken; gevoelige songs, nummers met een hoog meezinggehalte, een mooia-capella liedje en zelfs een "elfensuite" in vier delen, inclusief een prima instrumentaal elfendansje. Het is weer allemaal geweldig en ik ben weer helemaal fan.

Toch wel weer frappant dat de Amsterdamse Bieb helemaal op de hoogte is van de laatste stand in het Finse Värttinä-land. Dus wederom dank.

Värttinä, Utu, Rockdillo record ZENCD 2141 20012

[terug naar boven]


Christel van Noort overleden
(bron: Amsterdamse Folkagenda juni 2012)

Vlak vóór het ter perse gaan van de Folkagenda van mei kreeg de stichting het treurige nieuws te horen dat oud-bestuurslid Christel van Noort was overleden, op zaterdagochtend 28 april. Ze is slechts 53 jaar oud geworden. Omdat Christel al enige tijd ernstig ziek was, en haar gezondheidstoestand de laatste dagen snel achteruit ging, kwam haar overlijden niet als een verrassing. Maar de schok was niet minder groot. Christel heeft onnoemelijk veel voor Stichting Mokum Folk betekend. Jarenlang is zij immers redactielid en bestuurslid geweest en heeft zij in die hoedanigheid de stichting gevoed met ideeën en inspiratie. Meer nog dan dat, heeft zij altijd een warme, hartelijke band onderhouden met de mensen achter de stichting. Met haar ongekunstelde hartelijkheid, haar kritische denkvermogen, zelfrelativering en positivisme, en vooral haar ironie en humor wist zij de mensen om haar heen, hoe hardleers dezen soms konden zijn, tot beter inzicht te brengen. Wie Christel hoorde schaterlachen kon niet chagrijnig blijven.

Christel was ook een hele goede muzikante, waarbij ze ook de bovengenoemde eigenschappen op een aanstekelijke manier wist in te zetten. Een uitstekend violiste, klassiek geschoold maar met een groot hart voor volksmuziek, en gezegend met een loepzuivere, heldere stem. Tegenover haar slechtziendheid, een handicap waardoor zij zich niet uit het veld liet slaan, stond een perfect, misschien wel absoluut gehoor. De valse geluiden van menig muzikant in haar nabijheid moeten een kwelling voor haar zijn geweest, maar haar commentaar bleef constructief en opbeurend. Dat tekende haar. Diverse bands heeft zij met haar kennis en kunde verrijkt, zoals Quadrant, de Foo Foo Band, de Bikeshop Band, Cajun Comfort en meest recentelijk Let's Start Another Band. Haar muzieksmaak was zeer breed, van Nederlands, Keltisch, Zuid-Europees, cajun en Americana tot Scandinavisch, klezmer en balkan en van alles wat zich daartussen bevindt. Diegenen die haar nog kennen van de samenspeelmiddagen op de Zeedijk, zullen zich herinneren met hoeveel passie en vuur Christel haar viool of haar geliefde nyckelharpa liet klinken, ook al wilde ze daar nooit de boventoon mee voeren.

Bovenal was Christel een sprankelende persoonlijkheid. Die sprankeling en levendigheid zullen we nog het meest missen. Christel was een uniek persoon, met niemand vergelijkbaar. Mokum Folk is dankbaar voor alle mooie momenten die de stichting met haar heeft mogen delen. Wij wensen haar man Harold en dochter Astrid en andere naasten alle sterkte toe bij het verwerken van hun verdriet. Christel laat een niet op te vullen leegte achter.

[terug naar boven]

 


John Jacob Niles, pionier van de Amerikaanse folk - door Jan Waas
(bron: Amsterdamse Folkagenda juni 2012)

 

John Jacob Niles zult u niet meer op de aardse folkpodia zien spelen, want hij overleed in 1980 op de hoge leeftijd van 88 jaar. Deze zanger/ bard/ troubadour en tevens instrumentbouwer gold in zijn dagen als een beroemdheid. Vandaar dan ook dat u hem ook terug kunt vinden op de Newport Folk Festival CD's die ik de vorige keer bij u introduceerde.

Het bijzondere aan Niles was, dat hij zijn liederen zelf bij "het volk" had verzameld. Daarvan doet hij uitgebreid verslag in zijn Ballad Book, dat in 1960 bij Dover Publications , New York, verscheen. In dat boek geeft hij de Amerikaanse varianten van de "Child Ballads", de liederen uit de serie The English and Scottish popular Ballads, die eind negentiende eeuw door Professor Francis James Child verzameld werden. Hij lardeert daarin de door hem opgetekende liederen met zijn herinneringen aan zijn zegslieden.

Toen Niles op zijn vijftiende ging optreden (1907!), wilde hij een nieuwe dulcimer hebben. Toen hij zijn vader daarom vroeg, gaf die hem te verstaan dat hij die dan maar zelf moest bouwen. Dat heeft hij gedaan en hij heeft zich op acht verschillende instrumenten begeleid. Hij ging daarbij zelf experimenteren met de vorm van die dulcimers, zoals u ook op de voorkant van het CD-hoesje kunt zien.

Naast het bewerken van de traditionele liederen, heeft Niles ook liederen gecomponeerd en die hadden ook veel succes. Zo werden"Go away from my window" en "Black is the color of my true love's hair" uitermate bekend in de Joan Baez-uitvoering.

He tmeest opvallende aan John Jacob Niles is wel zijn zangstijl. Daarin copiëert hij als het ware de negroïde zang. Dat komt het duidelijkst naar voren in een nummer als "The Lass from the Low Country", waarin hij telkens wisselt tussen borst- en kopstem en bijna fluitende hoogten haalt. (De onlangs overleden discozangeres Donna Summer deed dat ook!)

In1952 maakte Niles in zijn huiskamer een hele serie opnames, die later zouden uitkomen op een eigen platenlabel: Boone-Tolliver Recordings. Van die opnames zijn er nu 13 overgezet op CD en daarbij is duidelijk te horen dat de oude opnames niet aan de tand des tijds ontsnapt zijn. "Barbary Allen" kraakt en knappert er lustig op los, maar daar moet je gewoon niet op letten. Het gaat om de hem typerende zangstijl. Hij vertelt zijn ballades op bijzondere wijze en maakt ze tot spannende verhalen, zoals "Little Mattie Groves", waar je meteen hoort waar Joan Baez haar bron had!

Deze uitgave is dus weer een eerbewijs aan één van de starters van de folkrevival in de Verenigde Staten. Wie voor de aanschaf van deze CD al iets wil zien en horen van de zanger John Jacob Niles, kan ik verwijzen naar YouTube. Daar zijn verschillende liedjes van hem te vinden.

John Jacob Niles : The Boone-Tolliver Recordings, LM duply-cation, 2011, Distr. KONKURRENT, Amsterdam

[terug naar boven]


Universele muziek - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda juni 2012)

De telefoon gaat. "ja?...ja...waarom...ja maar...geen optr....maar..okee....ik dank u." Hij vertrok.

Weg uit z'n land. Z'n land was zijn land niet meer. Niet nu, misschien later, maar nu niet. In het station van Brussel zijn genoeg plekken om te spelen en in z'n koffer komt genoeg geld om een broodje te kopen en zelfs meer, veel meer. Het valt hem op dat die jongen van gisteren en eergisteren weer komt luisteren. Hier wel. Thuis mocht hij niet in de kleine theaters z'n verhaal spelen. Maar een Berber vraagt niet, zo heeft hij geleerd thuis; veel te gevaarlijk.

Abdelli is zo'n gast die ik al jaren latent volg. Vanaf z'n CD's, die hij voor het Realworld-label van Peter Gabriel heeft gemaakt vanaf 1995. Abdelli is een Berber-zanger die al 25 jaar in Brussel woont. Hij vertrok uit z'n land omdat Berbers in z'n vaderland Algerije niet echt mochten deelnemen aan het sociale en politieke leven. Concerten geven kon alleen met toestemming van de autoriteiten. En dus vertrok hij rond z'n 27ste in vrijwillige ballingschap.

Abdelli's ster steeg gestaag, met wat geluk in het begin op het station, en optredens werden tournees en hijzelf werd een graag geziene gast op grote festivals. De reden voor deze CD na 6 jaar is een telefoontje na een geweldige concertreeks op een festival in Lahore, Pakistan. Hij ontmoette daar fantastische spelers en maakte met hen sessies in een studio om de hoek. Thuisgekomen kreeg hij een telefoontje dat z'n moeder was gestorven. Direct ging hij naar Algerije terug, na jaren, en daar ontdekte hij dat het land totaal veranderd was qua mentaliteit. Harder en corrupter geworden. Terug in Brussel schreef en maakte hij nieuwe stukken bij de "Lahore tracks", en met nog wat opnamen die hij had gemaakt met vrienden in Montreal kwam jaren na Pakistan deze CD Destiny tot stand.

Bij elkaar een begeleidingsgroep van zo'n 20 muzikanten uit veel uithoeken van de wereld maakt dat de muziek niet onder een culturele noemer te plaatsen is, behalve dan de voor sommigen afschuwelijke term "Wereldmuziek". Maar dan Echte Culturele Wereldmuziek. Er zijn veel facetten die de muziek boeiend maken. De ooie melodieën die haast 'bezwerend' worden. De gelaagdheid met de velei nstrumenten waaruit plotseling bijvoorbeeld een doudouk-solo boven komt drijven, terwijl de overige instrumenten langzaam wegsterven; snaarinstrumenten, blaasinstrumenten, percussie. En telkens hoor je weer andere instrumenten, die er al waren waarschijnlijk, maar die door de producer heel even, ongemerkt, in de schijnwerpers worden gezet.

Bij het intro van "Dounith" denk je aan een Italiaans mandoline-orkest, maar al gauw komt er veel percussie en lijkt het ergens Arabisch of Soedanees. "Atamurtiw", het volgende stuk, lijkt door de coladera van Kaap Verdië te zijn aangeraakt, maar dan gebeurt er toch "iets"waardoor de Méditerranee in het nummer veel wijdser geïnterpreteerd moet worden. "Agoudjil"moet toch echt bij een Toeareg-stam uit de woestijn zijn opgepikt, maar ook daar hoor je weer andere instrumenten en vreemde muziekflarden doorheen.

Werkelijk elk nummer ademt een totaal eigen sfeer, al krijg ik, na veel draaibeurten, toch uiteindelijk voornamelijk zand tussen mijn tanden, waardoor de CD een homogeen geheel is. Alle stukken hebben die softe heupwiegende swing en natuurlijk Abdelli heeft die Berber-taal en dus Berber-klank waarmee hij zingt. Hijzelf bespeelt naast de gitaar ook de mandoline en de mandola. Dat laatste instrument hoor je even duidelijk in "Ayahviv", maar al vrij snel wordt z'n openingsspel overvallen door een aantal glijdende violen en percussie waardoor we, lijkt het, worden meegesleept door een Taraab-orkest op Zanzibar. Maar dan komen er plotseling Bansuri-fluiten uit India bij en weg is Zanzibar uit je kop.

Ook tekstueel is de CD Destiny interessant. Over het feit dat ballingschap veel zwaarder wordt naar mate je ouder wordt in het stuk"Awal" of de banneling die het zwaarder krijgt als z'n vaderland verkeerd verandert naar zijn gevoel. "Tarawla"of "Braindrain", over het verlies van de hoogopgeleide jeugd, die vertrekt naar de rijke landen. "Dounith"over de klimaatsverandering door corruptie, fundamentalisme en xenofobie. En zo heeft elk nummer, elk verhaal wel een zwaar thema dat ik met m'n westerse oren helaas niet letterlijk kan verstaan. Of misschien moet dat ook niet, zodat je je helemaal kunt laten meeslepen door die heerlijke universele wereldmuziek.

Abdelli: Destiny, Words & Music MWCD3043 2011

[terug naar boven]


Wederom een schitterende samenwerking - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda mei 2012)

Ondanksdie grote cultuurrijke wereld met prachtige muziek uit alle windstreken, blijf ik toch een zwak houden voor wat er aan de andere kant van de Noordzee gebeurd. Een van de, naar mijn mening, zwaar onderschatte bands is toch The Oysterband. Een stevige en toch melodische sound en eigenlijk nog nooit een slecht album gemaakt, maar hier blijven zure pennenlikkers maar roepen dat de band niet kan kiezen tussen hard of gevoelig. Vlees noch vis.

The Oysterband hoeft niet te kiezen, want als zij een 'eigen' sound hebben dan is dat al heel bijzonder. En die hebben ze heel mooi ontwikkeld met hun eigen stemmen en instrumentarium. Bijvoorbeeld met het geluid van de cello en op deze nieuwste cd Ragged Kingdom is deze weer duidelijk aanwezig. Het is ook weer een bijzondere cd in hun omvangrijke oeuvre van hun meer dan 30-jarig bestaan.

In 1990 maakten ze Freedom and Rain, samen met June Tabor. Een van de grote folkzangeressen die Engeland heeft voortgebracht. Zelf maakt June al jaren sfeervolle cd's met een kleine bezetting en prachtige Angelsaksische liedjes en liederen. Soms a-capella maar dat kan haar mooie, ietwat melancholische stem makkelijk aan. Is soms zelfs mooier, getuige haar versie van 'The Band Played Waltzing Mathilda' van Eric Bogle.

En toen kwam in 1990 de cd Freedom and Rain en de samenwerking met The Oysterband. Een geweldig album met schitterende covers als waren ze zelf geschreven, maar ik weet nog dat de Nederlandse pennenjongens er ook weer niet veel aanvonden. Ik vond de samenwerking toen al prima en ook nu bevalt hij weer goed. Het geluid is in de loop der tijd alleen maar beter geworden en deze Ragged Kingdom is misschien dankzij hun overstap naar het Westpark-label behoorlijk 'warm' en levendig. Een prima folkpop-geluid, waarin cello, melodion, fiddle en ook de Scandinavische kantele (een schootharp) een mooie,  duidelijke rol krijgen naast drums, bas en elektrische gitaar. Naast de stem van June Tabor krijgt de lead-zingende Oester John Jones ook duidelijk een plek en zo is de band geen begeleidingsband van June. Een goede samenwerking dus die perfect uitpakt.

'BonnyBunch of Roses', een nummer dat ik nog ken van Fairport, is een prima opener en eigenlijk zijn alle stukken prima. Een mooie mix van snellere en langzamere stukken, van hardere en subtielere ballads. 'Sweet Sixteen' is zelfs een a-capella koortje geworden. Het meest stevige nummer van de twaalf is 'Judas', waar de wat melancholische stem van June heel mooi inkleurt. 'Fountains Flowing' is mijn favoriet; mooie melodie, prettige swing. Verrassend is ook Dylan's 'Seven Curses', hier ook pittig gebracht met een driving cello.

Naarmate ik de cd vaker draai, hoor ik ook steeds meer mooie momenten in de nummers . De productie is zo mooi, omdat je een heel stevig geluid hoort en tegelijk daarbinnen ook de subtiele geluiden van kantele, mandola of mandoline terugvindt. En June Tabor, met haar geweldig mooie, maar vooral eigen geluid, is een geweldige aanvulling binnen deze Oystersound.

Zo langzamerhand zijn onze folkrecensenten ook overtuigd van de Oysterband-kwaliteit, die nog steeds stoelt op de aloude Angelsaksische traditie en thuishoort bij de herkenbare grootheden als Steeleye Span of Fairport Convention. Maar deze Oesters zijn verser. The Oysterband blijft avontuurlijk en zich constant vernieuwen en schaven aan hun eigen mooie sound. Ze moeten maar eens naar deze kant van de plas komen en niet gelijk doorracen naar Duitsland, zoals het komend seizoen.

Hun dvd The 25th Anniversary Concert uit2005 laat goed zien hoe ze het podium tot zich nemen. Ook June Tabor komt daar nog even langs in 'Mississippi Summer' en Jefferson Airplane's 'White Rabbit', naast een bijdrage van Chumbawamba en mooie solo's van 'Piper' James O'Grady. Daar had ik graag bij willen zijn en ik raad Celtic-liefhebbers dan ook aan deze dvd op te snorren. Het geeft een mooie kijk op hun gigantische oeuvre vanaf de tijd toen ze nog The Oyster Ceilidh Band heetten (1975). Maar de tachtiger-jarenband staat met beide benen stevig in 2011 en als 'socialistische' band, zoals ze ook bekend staan qua teksten, valt er vandaag nog een hoop politieke thema's op te pakken; nu meer dan ooit.

Ik hoop alleen niet dat ik weer twintig jaar moet wachten op het volgend schitterende samenwerkingsproject met June Tabor. Misschien ben ik er dan al niet meer of is de groep uitgestorven, wie zal het zeggen? Dus nu dan nog maar even flink genieten van deze Ragged Kingdom.

June Tabor & The Oysterband, Ragged Kingdom, Westpark Music 87215
Dvd The 25th anniversary Concert
www.oysterband.co.uk

[terug naar boven]


Earl Scruggs overleden - door Herbert Bos
(bron: Amsterdamse Folkagenda mei 2012)

De laatste CD die ik kocht van Earl Scruggs was de in 2001 uitgebrachte CD Earl Scruggs & Friends. Geen geweldige CD. Met artiesten als Elton John, Sting en Johnny Cash, waarbij op alle nummers de banjo van Earl op de achtergrond te horen is.

Vorige maand hoorde ik dat Earl op 88-jarige leeftijd in Nashville is overleden. Hij was wereldberoemd omdat door zijn manier van banjospelen de bluegrass-muziek werd geboren. Bluegrass werd in die jaren ook wel de ‘Flatt and Scruggs style’ genoemd. Lester Flatt zong en speelde gitaar in The Blue Grass Boys met als leider Bill Monroe. Bluegrass als muziekstijl bestond toen nog niet. In 1945 verving Earl Scruggs de banjospeler van The Blue Grass Boys. Maar Earls banjostijl veranderde de muziek van de groep volledig. Earl bespeelde de banjo door middel van ‘three-finger-picking’, waarbij de individuele noten met de zogenoemde ‘runs’ met een hoog volume en een hoog tempo worden gespeeld. Bill Monroe wist dat hij met Lester en vooral de vernieuwende banjostijl van Earl, iets bijzonder in huis had. Langzamerhand ontwikkelde zich een nieuwe stijl, die later bluegrass werd genoemd.

Vaak werd gezegd dat er met Bill Monroe wel goed samen te spelen was, maar niet samen te werken. Begin 1948 verlieten Earl en Lester de groep, zeer tegen de zin van Bill Monroe. Zij gingen verder als duo maar ook als leiders van de groep The Foggy Mountain Boys. Met o.a. Paul Larren (fiddle), John Ray “Curly” Sechel (mandoline), John Graves (dobro) en P. “Cousin Juke” Tullock (bass). Van 1948 tot aan 1950 ontwikkelden Lester en Earl de stijl verder. Toen werd de Bluegrass-muziek pas echt geboren. Ze begonnen steeds meer andere groepen te beïnvloeden, waaronder de Stanley Brothers (Carter en Ralph Stanley). In 1950 tekenden Flatt & Scruggs een platencontract met Columbia Records. Flatt & Scruggs werden wereldberoemd en hebben een ontelbare hoeveelheid platen gemaakt. Zij waren elke zaterdag te horen op de Grand Ole Op’ry in Nashville en hadden een dagelijks radioprogramma op WSM. En niet te vergeten de vele televisieshows die ze in die jaren gaven.

Even een greep uit hun muzikale hoogtepunten: 'Jimmy Brown the Newsboys' (eerste plaat op Columbia Records; origineel Carter Family); 'Foggy Mountain Breakdown' (waar ze in 1969 een Grammy Award voor ontvingen); 'Roll in my sweet baby’s arms' (origineel Bill Monroe); 'Lost all my money'. Maar ook andere zaken zoals de muziek van de film Bonny and Clyde (waar ze twee Grammy's voor hebben ontvangen) en 'The Ballad of Jed Clampett', titelsong van de televisieserie The Beverly Hillbillies (ook jaren op de Nederlandse televisie te zien geweest).

Earl begon op 4-jarige leeftijd banjo te spelen. Zijn vader overleed toen en liet hem een banjo na. Hij kreeg les van zijn oom, Smith Ammett. Earl kocht een nieuwe banjo voor $10.95 toen hij 11 jaar oud was. Hij kon niet vermoeden dat the Gibson Instrument Company later Earl Scruggs model banjo’s zou maken die duizenden dollars zouden gaan kosten.

The groep Flatt & Scruggs and the Foggy Mountain Boys zijn tot in 1969 samen blijven spelen.

Lester Flatt is in 1979 overleden. Nu vorige maand op 28 maart ook Earl Scruggs.

[terug naar boven]


Medeoprichter The Dubliners overleden - door Herbert Bos
(bron: Amsterdamse Folkagenda mei 2012)

Op 6 april j.l. is in Dublin overleden Barney McKenna. Barney was de banjospeler van de legendarische groep The Dubliners. Wie heeft er geen plaat of CD vandeze groep? Wie is er niet naar een live-optreden van deze groep geweest?

De band ontstond in 1962 in de singing club "O'Donoghue's" in Merrion Row (Dublin). De band heette toen The Ronnie Drew Group. De groep bestond uit Ronnie Drew, Luke Kelly, Ciaran Bourke, John Sheahan en Barney McKenna. Brede bekendheid kregen ze na een optreden tijdens het Edinburgh Festival in 1963. Niet veel later zouden ze - als The Dubliners - de Ierse muziek over de wereld verspreiden. Ronnie gaf The Dubliners - door zijn rauwe, gruizige stem - dat specifieke geluid waarmee ik The Dubliners voor de eerste keer hoorde.

Hun eerste wereldhit was in 1967: 'Seven drunken nights'. Daarmee werden ze pas echt beroemd. Ze verzorgden optredens van Amerika tot aan Nieuw Zeeland en overal daartussen. Ik heb ze ooit live zien optreden in de Doelen in Rotterdam. Dat concert is me altijd bijgebleven. De hele zaal stond te dansen,het werd één groot feest.

Ronnie is in 2008 aan keelkanker overleden. Luke Kelly (hersentumor) en Ciaran Bourke (beroerte) gingen hem voor. En dan vorige maand de eenna laatste van de originele Dubliners: Barney McKenna, op 72-jarigeleeftijd.

[terug naar boven]


The Newport Folk Festival 1959-1960 - door Jan Waas
(bron: Amsterdamse Folkagenda mei 2012)

Het gebeurt me geregeld dat ik met jongere folkenthousiasten in gesprek kom en dan moet ontdekken, dat er een groot gat zit in hun kennis van de beginjaren van de folk, de tijd dat folkmuziek nog door iedereen gespeeld kon worden, omdat eenvoudige begeleidingen belangrijk waren. Nu heeft de jonge folkliefhebber de kans om een deel van zijn gemiste ervaringen goed te maken. Het label Not Now Music brengt voortdurend opnames van zo'n vijftig jaar geleden op de markt. Dat was de tijd waarin ik naar folkplaten begon te kijken, maar als ik ze vond, dan waren ze niet te betalen van mijn karige zakgeld. Ik ben van 1946 en toen ik vijftien was, had ik maar een rijksdaalder zakgeld in de week. Een LP kostte toen al gauw 16 gulden. Later heb ik dat gemis goed moeten maken met tweedehands platen, die vaak kraakten dat het een lust was, als ze niet tikten of oversprongen.

Not Now heeft me nu gelukkig gemaakt met de heruitgaven van de Fontana (Vanguard) platen en de Elektra uitgaven, die op de waarschijnlijk eerste folkfestivals live werden opgenomen in de weilanden van Rhode Island (ten Noorden van New York). Daar werden al Jazz Festivals gehouden en in 1959 begonnen Pete Seeger, Oscar Brand en Theodore Bikel, samen met de latere Bob Dylan manager Albert Grossman, met de organisatie van het folkfestival, dat daarna in 1960 nog eens werd gehouden. Daarna werd het even stil, maar er kwamen vervolgen in 1963 tot 1970, om daarna herhaald te worden in een nieuwe opzet in 1985.

Opdat eerste folkfestival speelde Pete Seeger natuurlijk zelf en hij was er ook presentator, maar de rest van de zangers is nu bijna vergeten geraakt: Martha Schlamme, Cynthia Gooding, Oscar Brand, John Jacob Niles, de Canadees Ed McCurdy. Tommy Makem was er met Pat Clancy: de groep The Clancy Brothers & Tommy Makem moest nog geboren worden. Ze brachten samen met Pete Seeger 'The Cobbler's Song' en 'Mountain Dew'. De oudere folkies (mijn generatie) zijn nog steeds gek op Odetta en Jean Ritchie. En dan was er ene Bob Gibson, die een jong vriendinnetje uit zijn rugzak toverde met prachtig lang haar en een gouden stemmetje: Joan Baez. Earl Scruggs, onlangs overleden, toonde er zijn speciale banjostijl o.a. in 'Earl's Breakdown' en 'Cumberland Gap'. Er ontbreekt nog een groep: in 1959 trad ook het Kingston Trio op op Newport!

Onlangs verscheen dan het volgende jaar, 1960, met mijn grote helden Theodore Bikel en Geula Gill. Beiden hebben nu een geweldige toekomst achter de rug. Bikel (geb.1928) treedt nog steeds op, soms samen met onze Shura Lipovsky! Op dat volgende festival kwam Earl Scruggs terug, vergezeld door Lester Flatt. Pete Seeger had kennelijk zijn familie opgetrommeld, want er waren sets met de New Lost City Ramblers, de old-time groep van zijn broertje Mike , en ook hun zusje Peggy was uit Engeland overgekomen met haar partner Ewan MacColl. Ook Tommy Makem was weer van de partij en hij speelde zelfs een stukkie bagpipe. Nooit geweten dat hij dat kon! De blueszanger John Lee Hooker werd als een van de echte jongens naar voren gehaald en zou nadien zeer bekend worden. Verder komen we ook Will Holt tegen. Holt was onder andere de vertaler van de folkhit 'LemonTree', van Peter, Paul en Mary en later Trini Lopez. Het origineel heb ik op een Braziliaanse plaat van ene Olga Coelho. Maar ook die was weer niet de eerste die het zong. Later werd die Will Holt belangrijk in de wereld van de musicals.

Om een kort verhaal lang te maken: bent u in mijn ogen een jonkie, ga dan bij Concerto in de Utrechtsestraat uw slag slaan. Twee voor € 15,- (2 x 3 CD's!). Bent u wel van mijn generatie, dan is het prachtig jeugdsentiment!

The Newport Folk Festival 1959 - Not Now music NOT3CD058
The Newport Folk Festival 1960 - Not Now music NOT3CD076

[terug naar boven]


Een volwassen debuut van 't Gevolg - door Rob van Niele
(bron: Amsterdamse Folkagenda mei 2012)

Van Liefde en Andere Pijn is het debuut van de in 2005 opgerichte Noord-Hollandse formatie 't Gevolg. Eigenlijk had ik de cd al eerder verwacht, want toen ik ze met een volwaardig programma meemaakte op ons eigen Mokum Folk Podium, alweer meer dan een jaar geleden, vond ik de band al behoorlijk "cd-rijp". Maar misschien was ik gewoon te ongeduldig. Dat moment is nu dus gekomen, ook al vindt de officiële presentatie pas op 17 juni plaats.

Wat mij het eerste opvalt aan Van Liefde is de frisse en doordachte vormgeving. Vakkundig fotowerk, en een mooi boekje metuitleg en teksten in een leesbaar formaat. Belangrijker is de professionele opnamekwaliteit. Het is duidelijk geen klus die op een regenachtige zondagmiddag is geklaard; je kunt horen dat er hard aan de cd is gewerkt. Hetis een volwassen product geworden. Aan de andere kant is dat gelukkig niet ten koste gegaan van, laten we zeggen, de dynamiek van de muziek en de ontspanning en het plezier waarmee Hans van Deelen, Piet Karregat, Doortje Schroevers en Marcel van der Vloet op het podium staan.

't Gevolg profileert zich als een band met een brede smaak binnen de traditionele muziek en daarom is Van Liefde een verzameling van muziek uit alle windstreken, met een prettige afwisseling van vlotte, uitbundige nummers en meer gedragen stukken, en van gezongen en instrumentale nummers, veelal traditionals. Instrumentaal – viool, gitaar, trekharmonica, fluiten, mandoline, banjo – en vocaal hebben deze vier mensen de zaken op een rij. Vooral vocaal valt op dat de tweede stem, of deze nu voor rekening komt van Hans of Doortje, heel goed tot zijn recht komt. "Zwavel ensalpeter" is daar een sterk voorbeeld van. Of de geheel a-capella gezongen shanty "Sally Brown". Een ander prachtig stuk is"Straatzangerskoningin", van Paul Rans en Wannes van de Velde. De meerstemmige zang, met een leadzang van Piet, geeft dit nummer zijn ultieme glans. Het daarop volgende instrumentale "Valse-clog", een klompendans uit Canada, weet ook te overtuigen. Melig klinkt "De jager", een traditioneel lied met een tekst waarvan de uitkomst zich laat raden, vooral als er ook een boerendochter bij komt kijken. De kazoo zorgt daarbij voor de vrolijke noot. Mijn favoriet is echter de Zweeds traditional "Om etthundrade ar", gezongen door Hans. Zijn brouwende "r" mag dan meer Brabants dan Scandinavisch klinken, hij brengt het volgens mij aanstekelijker dan menig Zweed het zou kunnen.

Het aardige van dit gezelschap is dat ze alle nummers een 'persoonlijke touch'geven, zoals ze het zelf noemen, en dus geen authenticiteit nastreven. Het wordt echter niet zo persoonlijk dat de muziek gekunsteld dreigt te klinken. Het blijft ongecompliceerd in het gehoor liggende volksmuziek, in tekst en uitvoering. Volksmuziek die als volksmuziek klinkt. Daar trek je tegenwoordig geen volle zalen mee, en het repertoire van 't Gevolg is te breed om met de balfolk-hausse mee te liften, maar daar zal het hen beslist niet om te doen zijn geweest. In een klein zaaltje of grote huiskamer klinken ze trouwens het best. Voor wie daar niet bij kan zijn is Van Liefde en Andere Pijn een uitstekend alternatief.

't Gevolg – Van Liefde en Andere Pijn (2011), uitgegeven in eigen beheer, www.t?gevolg.nl.

[terug naar boven]


Cd-box The Wind Knows - de muzikalenalatenschap van Ruud de Jonker - door Rob van Niele
(bron: Amsterdamse Folkagenda april 2012)

Op zondag 18 maart was het zover. Na maanden zoeken, luisteren, selecteren en monteren kon Ton Schuringa het eerste exemplaar van de verzamelde Ruud de Jonker–muziek presenteren aan de buitenwereld. Zeven schijfjes in een fraaie verzamelband, compleet met een boekje vol tekst en uitleg. Het was een moment waar velen die Ruud hebben gekend halsreikend naar moesten hebben uitgekeken. Niet in de laatste plaats Ruuds weduwe Louise Prins, en zijn beide dochters. En niet te vergeten zijn muziekmaat Chiel Hessel, samen met wie hij decennia lang als duo VAAG door het leven ging. Zij waren allen zichtbaar aangedaan door het prachtige postume eerbetoon aan de muzikant en vooral muzikantenvriend die tijdens zijn leven weinig ophad met huldigingen en complimenten, althans wanneer deze hemzelf betroffen.

Toch zou Ruud blij zijn geweest met dit gezellige Ruud-moment, dat plaatsvond op salonschip Tricky-Theater aan de Amsterdamse Oosterdokskade, dat voor de gelegenheid afgeladen vol was. Vooral omdat dit een grote groep mensen bijeenbracht die allemaal warme gevoelens voor hem koesterden, en met wie hijzelf ook altijd graag heeft opgetrokken. Ze zullen hem nooit vergeten. Meezingers, samenspelers, vrienden en familie, ze waren er zo'n beetje allemaal om nog één keer uit volle borst te kunnen meezingen en –spelen met de Ruud-klassiekers waarmee ze zoveel jaren vertrouwd waren geweest. Soms leek het alsof hij er zelf bij was en je zijn sonore stem hoorde meegalmen boven het geluid van de anderen.

The Wind Knows is een verdiend en integer momument voor de kleine grote man die we zo missen. Ruud was een bindende factor binnen de Zeedijkse meezingers én tussen die meezingers en de Mokum Folk-familie. Het is overigens via Mokum Folk dat Ruud ooit in contact is gekomen met het meezinggebeuren, in de periode dat deze activiteit nog in café De Meester werd georganiseerd. Dat valt te lezen in een andere bron waaruit we nu dankbare herinneringen kunnen putten: het boek Klootzakken zingen niet, uit 2007, van Louise Prins en Yvonne Kiburg. En zo is de cirkel weer aardig rond.

[terug naar boven]


Thea Gilmore sings Sandy Denny - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda april 2012)

De stem uit mijn folkverleden is toch die van zangeres Sandy Denny. Na m'n heftige periode van de concerten met Yes, Pink Floyd, Steppenwolf, Earring, Cuby, etc., kreeg ik van een vriendmuziek voorgeschoteld van The Dubliners en van nog een andere vriend nog mooiere folk van Planxty. Daarna begon mijn zoektocht en verslaving. En onderweg kwam daar ook Fairport Convention in beeld, inclusief Sandy Denny, die op weg was om England's First lLady of Folk aller tijden te worden.

Begonnen in coffeebars als meisje met gitaar en met liedjes uit de Amerikaanse folktrad zoals Dylan en Tom Paxton. Ze werd gevraagd als zangeres bij The Strawbs en componeerde haar magistrale hit "Who knows where the time goes?". Ze trad daarna toe tot de meest populaire folkrockgroep van die tijd, Fairport Convention, waar ze datzelfde nummer op hun album Unhalfbricking zette, in een veel spannender versie. Ze werd de belangrijkste artiest in de Angelsaksische folkwereld.

Ze verliet Fairport om haar eigen band Fotheringay te beginnen. De gitarist van die band wordt later haar man. Na één officieel album (en in 2007 een tweede, van later gevonden tapes uit 1970) hief ze de band op om echt solo te gaan. Na enkele soloalbums die goed ontvangen werden steeg haar ster ook buiten de folkwereld. Zelfs Robbert Plant van led Zeppelin vroeg haar voor hun vierde album om samen met hem "The Battle of Evermore" te zingen. Maar haar succes kreeg een abrupt einde toen ze met veel drank op van haar trap viel tijdens een van de vele feestjes. De roem was te sterk. Ze stierf op 21 april 1978 op 31-jarige leeftijd. Manlief hertrouwde e nheeft ongetwijfeld aan zijn dochter laten horen wat voor een geweldige zangeres zijn eerste vrouw was. Hij stierf zelf op 4 februari 1989.

In Oxford uit Ierse ouders wordt Thea Gilmore geboren. Ze raakt in muziek geïnteresseerd via de platencollectie van haar vader. Als haar ouders gaan scheiden, gaat ze teksten, gedichten en liedjes schrijven om die scheiding te verwerken. Op haar vijftiende, in 1989, komt haar eerste cd Burning Dorothy uit.  Haar daarna regelmatig verschijnende albums worden steevast positief ontvangen. In 2020 tourt ze met haar band door Amerika en in 2011 doet ze in de Glasgow Royall Concert Hall een "celebration" concert ter ere van de 70e verjaardag van Bob Dylan. Ze brengt daar o.a. een cover van "John Wesley Harding", wat het begin is van een heel coveralbum van Dylans "John Wesley Harding"; inclusief de titel in 2011. Een prima album met zeer goede moderne, soms stevige Daniel Lanois-achtige arangementen. Ook zeer geschikt voor Dylan-liefhebbers en voor fans die niet zo fan zijn van zijn specifieke stem. Tijdloze muziek met moderne technieken opgenomen.

Thea Gilmore woont nu in Oxfordshire en kreeg vorig jaar contact met Elizabeth Hurtt-Lucas. Juist: de dochter van Trevor Lucas. Of Thea muziek wilde maken van enkele teruggevonden nooit of nog niet gebruikte gedichten van de eerste vrouw van haar vader: Sandy Denny. Thea heeft deze vraag ongetwijfeld als een eer ervaren. Ze is volwassen geworden metde muziek van Denny en die was een groot voorbeeld voor haar schrijven in de jaren '80. Ook dit album, Don't stop singing, is weer geweldig.

Veel Engelser natuurlijk dan haar Dylan-cd en haar stem is prima, maar niet dat van Denny. De cd is opgenomen met zo'n 16 bekende en iets minder bekende muzikanten. Je weet natuurlijk nooit wat Sandy met haar teksten zou maken en dat blijft voor Thea natuurlijk ook altijd geheim, maar deze bewerkingen zijn mooi, zo niet prachtig. Mooi georkestreerd met rijke melodieën.

Zou dit de 'sound' van de volgende Denny-cd zijn geweest na Rendezvous uit 1977? Het zou zo maar kunnen (zo klinkt het wel), maar ieder mens is anders en zo moet je niet luisteren naar deze Thea Gilmore met Sandy's teksten. Het meest folky nummer van Don't stop singing is "London", vanwege de duidelijk hoorbare balgen van John Kirkpatrick. Het is allemaal mooi als je van veel strijkwerk houdt. "Sailor" is ook een wat ingetogener stuk en mooi van eenvoud. Naarmate de cd met 10 stukken vordert, zijn de stukken toch wat ingetogener. De cd een aantal keer draaien en je bent verkocht.

Thea Gilmore, de opvolger van...? Nee zeker niet, maar dat hoeft ook niet. Ze is wel iemand om te volgen en het is allemaal tijdloos mooi wat ze doet op deze cd's.

Thea Gilmore - John Wesley Harding op FullFill Records, 2011
Thea Gilmore - Don't stop singing op (natuurlijk) Island Record, 2011

[terug naar boven]


The Wind Knows - de definitieve muzikale nalatenschap van Ruud de Jonker - door Ton Schuringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda maart 2012)

Op 1 oktober 2010  overleed Ruud de Jonker. Hij liet naast een grote schare dierbaren een omvangrijke muzikale erfenis na. Ruud was behalve een buitengewoon aimabele man vooral ook een uniek autoharpvirtuoos en getalenteerd bespeler van uiteenlopende gitaren, accordeons en incidenteel vele andere instrumenten, met indrukwekkende capaciteiten als zanger, tekstschrijver, componist en arrangeur. De breedte van zijn muzikale interesse was ongelooflijk, maar met altijd een voorliefde voor Amerikaanse volksmuziek en oud-Hollands repertoire. Hij had een enorme muzikale feitenkennis, en zijn humoristische aankondigingen bij live-optredens zijn onvergetelijk. Vanaf 1979 maakte hij deel uit van VAAG (Vaders Actieve Akoestische Genoegen), eerst een trio (met Chiel Hessel en Cor van Sliedrecht), later als duo met alleen Chiel.

Gelukkig is er een grote muzikale nalatenschap bewaard gebleven die dertig jaar (1978-2008) beslaat, in de vorm van een semi-officiële VAAG-cd en vele tientallen cassettebandjes, minidiscs en uiteenlopende geluids- en beelddragers. Deze collectie is inmiddels verzameld, uitgezocht en beschreven. Vervolgens is er een selectie gemaakt uit het materiaal; dit is zo veel mogelijk opgeknapt en ingedeeld voor opname in een representatieve cd-box, die zal bestaan uit 6 thematisch ingedeelde cd's en een dvd. Acht uur muziek, bestaand uit ruim 160 (verschillende!) nummers. De(kost)prijs van de box bedraagt € 30,-. Voor bestellen: zie onderaan dit artikel.

1. HÈ HÈ
In 2005verscheen na 25 jaar eindelijk een netjes opgenomen selectie van het omvangrijkeVAAG-repertoire op een (eigen-beheer)-CD. Deze kan niet in de cdbox ontbreken.

2. WALKINGBACK TO YOU
Een verzameling Ruud- en VAAG-nummers die velen wel zullen herkennen (en een paar gewoon mooie) uit allerlei bronnen; een soort greatest-hitscollectie.

3. SCHERP
Opnamen van trio en duo VAAG; live, in de studio, voor de radio en tijdens vaak hilarische repetities. Opgenomen tussen 1981 en 2008, koorddansend tussen kwaliteit en lol.

4. UNBROKEN CIRCLE
Opnamen van muzikale groepsessies, VAAG met een gast in hun oefen-atelier of kleinere of grotere groepen muzikanten, ergens thuis of bij een gelegenheid. Opname-apparaatje ergens op een bijzettafeltje en jammen maar. Muzikale kwaliteit vaak omgekeerd evenredig aan de geluidskwaliteit. Met Ruud als gangmaker, spelverdeler en teamspeler.

5. DE KALE JONKER
Ruud solo. Geregeld trok Ruud zich terug om een favoriet nummer op te nemen (vaak gedubden gemixt), of om van een lied even snel melodie, akkoordenschema en arrangement vast te leggen; op de cassette schreef hij dan: oefenbandje. Dit is Ruud van heel dichtbij.

6. THE LAST THING ON MY MIND
Hoe breed deopzet van de vorige cd's ook is, er bleef nog veel over dat nergens bijpaste. Een bont boeketje van de onverwachte Ruud, die je altijd weer kon verrassen, bijvoorbeeld met eigen werk.

7. (dvd) RUUD IN BEELD
In 2006 werdeen VAAG-optreden voor Mokum Folk in z'n geheel op video opgenomen. Een selectie staat op deze dvd, aangevuld met een collage van fragmenten uit privé-opnamen van een groot aantal gelegenheden. Om ook een beetje een beeld te geven.

Deze selectie zou een goed beeld moeten geven van Ruuds muzikale talenten en veelzijdigheid; een indrukwekkende nalatenschap. Na anderhalf jaar wordt het wel eens tijd om de erfenis te verdelen. Wie wil meedelen kan een cd-box reserveren door een mailtje te sturen naar shoot@concepts.nl. Wacht erniet mee, want er worden niet meer exemplaren gemaakt dan er besteld zijn.

De boxbestaat uit 6 cd's en een dvd in een kartonnen wikkel, met een bijgevoegdboekje met achtergrondinformatie. De oplage is te laag voor geperste cd's, dus het zijn gebrande CD-R's, net als de DVD. Het bronmateriaal bestaat voornamelijk uit oude cassettebandjes van uiteenlopende kwaliteit; geluid en beeld zijn zo goed mogelijk opgelapt, maar het blijven 'historische' opnamen.

[terug naar boven]


Concert van het jaar - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda maart 2012)

Al eerder heb ik in onzefolkwijzer melding gemaakt van de grote verrassing van muzikaal Folk-Engeland en ja, ik neem er niets van terug; sterker nog, er is weer een reden om het eroverte hebben.

Het grote folkorkest Bellowhead trad in onze culturele hoofdstad op en op de mooiste podiumplek van Amsterdam: Paradiso. Niet alleen de mooiste, maar ook het perfecte podium datbij de sfeer past van Bellowhead: Victorian Music Hall Tradition, maar dan welde moderne variant ervan. Traditionele liedjes en dansdeunen van 100 tot 200 jaar oud. De muziek van het personeel dat 'beneden' inwoonde bij de 'gegoede' stand met teksten over het leven zelf uitdie tijd. De liefdes, de armoede, de preutsheid waar 'beneden' behoorlijk de hand mee werd gelicht, het geroddel over "mevrouw en meneer". Met die typisch Engelse melodietjes. Ja typisch want erg herkenbaar. Ik hoor direct of een melodietje de oorsprong heeft uit Engeland, Skandinavië of Hongarije of Griekenland, India, Indonesië,China etc. Dat zal iedereen wel hebben, denk ik zo. Dat geldt dus ook bij de Engelse melodietjes van Bellowhead, uitgevoerd door 11 uitmuntende folkmuzikanten.

Het duo Spiers & Bodenzijn het middelpunt en het middelste middelpunt is wel Jon Boden. Als een soort muzikale John Cleese inclusief z'n gortdroge Britse humor is hij een echte entertainer met een echte theatrale stem en prima fiddlespel.

De muziekstukken zijn fantastisch gekozen en zeer origineel gearrangeerd. Naast liefdesliedjes zijner veel sea shanties, ritmische werkmansliedjes van de "grote vaart" om het zware werk te verlichten toen alles nog met de hand moest en het er op aan kwam dat ieder in gelijk tempo touwen en ankers op moest trekken. Maar bij Bellowhead moet je zelf shanty-zanger zijn (of geweest zijn, zoals ik) om dit genre erin te herkennen. Gelukkig werden we er door Boden op gewezen tijdens hun concert.

De dance tunes zijn deelszelf gecomponeerd maar zijn niet te onderscheiden van de echt oude Morris- en countrydansen.

Hoe beschrijf je een concert dat voor mij nu al het concert van het jaar is? Ondanks het barre weer dat het openbaar vervoer weer volledig in de war schopte, was ik toch mooi op tijd om uitgebreid een mooi zitplekje te zoeken; het was een stoelenconcert met ruimte om te dansen. Vanuit de zaal gezien had men rechts een puike blazersgroep en links de afdeling fiddles en cello, door een, waarschijnlijk zeer onbenaderbare langharige blonde schoonheid bespeeld. Middenachter het grote drumstel plus meer"toeters en bellen" en daarvoor trekzak- en concertina player John Spiers, snarenman Benji Kirkpatrick (gitaar, bouzouki, banjo, mandoline, etc.etc.) en Jon Boden. Volgens mij waren het allemaal multi-instrumentalisten, want bij elk nummer kwam er wel weer een instrument bij. En het hele gezelschap fungeerde ook nog eens als koor.

Paradisol was praktisch helemaal vol; alleen boven ontwaarde ik nog wel wat plaatsen. Bellowhead doet deze tour met een voorprogramma van het duo Laura & Lydia Rogers, oftewel The Secret Sisters. Twee fraai zingende halfdikke Amerikaanse zusjes van rond de 30-35 in retrostyle, wat ik ervoer als zeer oubollig 50'er jaren geneuzel waarbij de voorspelbaarheid in songs en presentatie mij bijna in een rozige winterslaap liet zakken als het overige publiek niet zo enthousiast klapte. Zelden zoveel truttigheid-op-al-jonge-leeftijd op een podium gezien. Retro is aan mij niet besteed; ik ben niet van de nostalgie en het eeuwige terugblikken over wat was en toen en toen. Bellowhead heeft zo'n voorprogramma niet nodig om te bewijzen dat hun authentieke muziek wel verfrissend kan worden gebracht. Maar eerlijk is eerlijk: het Nederlandse publiek kon deze (wel mooi zingende) stoffige jonge blondines wel waarderen. Smaken verschillen en dat mag. Nee, dan Bellowhead. Die speelden hun laatste CD Hedonism aangevuld met wat ouder werk, wat ik als inmiddels grote fan direct herkende.

Het publiek ging helemaal uit het dak. Vlak achter mij werd uitbundig gejumpt en losgegaan.

Maar ook op het podium hield men zich niet echt aan de toegewezen plek. De muzikanten zochten elkaar ook fysiek op om samen te jammen binnen het grote geheel. Op gezette tijden en daar waar de compositie het toeliet, sloegen vooral de blazerssectie met z'n vijven aan het dansen, waarin ik wel degelijk "Morrispassen" herkende (Morrisdanse nzijn voor-Christelijke dansen rond de oogsttijd om boze geesten te verdrijven en gaan gepaard met meerdere tradities en rituelen).

De cello-spelende schoonheid speelde ook fiddle en de nodige percussie en liet zich ook regelmatig uitdagend 'on-Brits' gaan naar medespelers en op schijf heb ik haar ook zien dansen. Maar daar kom ik later nog op terug.

Trompet, saxofonen, basklarinet, trombone, tuba, drums, melodion, concertina, pennywistlers, veel snaren van gitaarachtigen, banjo, fiddles, hobo, cello en allerlei niet herkenbare geluidsmakers vormden iets dat ik het beste kan omschrijven als een "JazzySymfoFolkorchestra" met muziek vol syncopen, onverwachte breaks en soms uitgelaten, dan weer ingetogen koorzang of samenzang van Jon Boden en blonde fee Rachel McShane.

Ja, hoe beschrijf je een concert van het jaar? Ik weet het niet zeker maar ik denk zoals dit. Voor de wat oudere muziekliefhebber was het concert misschien wat stevig voor de oortjes,  maar bij de dansen voor de dansers kwam de muziek heerlijk binnen. Bi jeen tweede toegift kwam er nog een muziekinstrument bij: de Vlaamse doedelzaken. Er werd weer gehupst en gesprongen. Ondanks mijn pas opgelopen hernia die weer terug is na twee jaar kon ik het niet laten en ben ik ook van de stoel gegaan.

Na afloop liep ik toch nog even bij de verkoopstand langs. Niet om de CD Hedonism te kopen, want dat had m'n Openbare Bibliotheek al voor me gedaan (wederom bravo!). Ik wist dat er een tweede DVD met een concert uit was gekomenen dan brandt mijn geldbuidel weer behoorlijk in mijn jaszak; vooral na zo'n werkelijk voortreffelijk concert. Dat wordt twee uur lang nagenieten thuis voor de buis met Hedonism Live. Elk live-concert is natuurlijk anders, maar de DVD benadert precies de sfeer van die avond in Paradiso en is ook opgenomen in zo'n sfeervol theater, maar dan in Engeland en met Engels publiek, dat toch nog uitbundiger reageert op de "jokes on stage".

Er is van nu af Engelse folk van voor en van na Bellowhead voor mij.

Bellowhead, CD Hedonismen en DVD Hedonism live (recorded liveat O2 Academy Bournemouth May 2nd 2011)

[terug naar boven]


Cristina Branco - Live in Amsterdam, Netherlands - door Jan Waas
(bron: Amsterdamse Folkagenda februari 2012)

De Portugese fado die in de vijftiger jaren algemeen populair werd met als grootste ster Amalia Rodrigues, kreeg veertig jaar nadien een nieuw leven. Een jonge generatie fadistas trad naar voren en vreemd genoeg speelde Nederland daar een belangrijke rol in. Er werden zelfs fado's in het Fries gezongen! De eerste opnames van de thans zo bekende Cristina Branco kwamen uit ons land. Zij zong o.a. de gedichten van Portugalminnaar Jan Slauerhoff (1898-1936) in het Portugees.

Cristina Branco raakte pas in 1990 in de ban van de fado, nadat haar grootvader haar voor haar 18de verjaardag een LP van Amalia Rodrigues cadeau deed. Hoewel ze op dat moment in opleiding was voor journaliste, besloot ze daarnaast de zangtechniek voor het professioneel zingen van die fado's onder de knie te krijgen en ontwikkelde daarin haar eigen stijl.

In 1997 werden er van Branco debuutopnames gemaakt in Amsterdam, maar die zijn nu pas op deze cd uitgegeven. Ze was toentertijd 25 en al een geweldige zangeres met een heerlijke stem vol knikken en snikken. Bij die opnames werd zij begeleid op de guitarra Portuguesa door Custódio Castelo. Op de achtergrond speelt nog een verder onbekend gebleven gitarist mee en het trio brengt op de ARC cd Cristina Branco, Live in Amsterdam, Netherlands een prachtige set "novo fado", veelal gecomponeerd door begeleider Castelo. Deze Portugese bluesachtige liederen klinken toch heel wat liever dan de rauwe Amerikanen.

Om u een idee te geven van de fadoteksten heeft men er vier in het tekstboekje bijgevoegd, echter vergeten ze te vertalen. Maar daar kan tegenwoordig internet zeer behulpzaam bij zijn.

Cristina Branco - Live in Amsterdam, Netherlands, ARC Music EUCD 2351

[terug naar boven]


The Folk Survival Club - I Believe in Rock & Roll - door Rob van Niele
(bron: Amsterdamse Folkagenda februari 2012)

"Transatlantische folk door Ad van Meurs, Ankie Keultjes en Marjan Cornille ( de nachtegaal uit Antwerpen)", zo betitelen de muzikanten van The Folk Survival Club hun tweede album, I Believe in Rock & Roll. Hoe nuchter dit mag klinken, het album zelf is van een schoonheid waar veel Americana-artiesten, ook uit het land van herkomst, alleen maar jaloers op kunnen worden. Nu zijn we inmiddels wel wat gewend van zanger-gitarist Ad van Meurs (The Watchman, NO blues, Hootenanny Jim), en ook het debuutalbum van The Folk Survival Club, Break of Dawn, werd met veel enthousiasme door publiek en pers ontvangen. Maar het lijkt erop dat het nieuwe album, opgenomen in Nashville, alle records gaat breken. En terecht, want het is een waar genot om naar te luisteren.

De 12 nummers zijn alle van zeer goede kwaliteit en klinken zeer authentiek Amerikaans, en dat terwijl de meeste door Ad zelf geschreven zijn. Maar ja, die is inmiddels zo thuis in dit genre, dat de kwalificatie "transatlantisch" de lading bij nader inzien volledig dekt. De stemmen van Ankie Keultjes en Marjan Cornille passen heel mooi bij elkaar en doen qua timbre herinneringen oproepen aan de vele close-harmony vocalisten die naam hebben gemaakt in de Amerikaanse folk. De instrumentale begeleiding van Theo Wijdeven op bas, Gene Williams en Ad van Meurs op gitaar, Glen Duncan op mandoline en viool, Johan Jansen op pedalsteel en Carrie Rodiguez op viool maakt het feest compleet. De begeleiding is vol en doordacht, maar vooral ook sober, ingetogen. De nadruk komt daardoor geheel op het zangwerk van Ankie en Marjan te liggen, zoals het hoort. Daar zit ook een risico aan. Na een paar nummers hoop je op wat afwisseling. Even niet die twee ineengevlochten stemmen, maar bijvoorbeeld en mannenstem, of een gastzangeres. Of desnoods een instrumentaal nummer. Daar is niet voor gekozen op I Believe in Rock & Roll. Toch is en blijft het een droomalbum waar verder alleen maar lovend over kan worden gedaan. Als The Folk Survival Club in een live-setting net zo goed klinkt als op de cd, dan kan de liefhebber zijn hart ophalen in Paradiso, waar ze op zondag 12 februari zullen optreden.

The Folk Survival Club, I Believe in Rock & Roll, Continental CECD 41

[terug naar boven]


Gemist in 2010 - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda februari 2012)

Dat was weer een jaar. Het leven zelf is niets en verglijdt vanzelf naar het einde. Het leven zelf is zalig leeg en geeft je de ruimte om deze heel prettig in te vullen. Bij mij is dat de emotie die muziek bij mij oproept. Daar heb ik al veel plezier aan beleefd. "Toen" met volksdans, theaterdans en koorzang en nog veel meer. "Nu" met muziekmaken en uitvoeren en met muziek doorgeven via de radio. En telkens maken anderen weer zoveel mooie geluidsdragers voor die radio waar ik weer aandacht voor wil vragen op deze plek.

Vond ik bij mijn dealer toch weer lekkere muziekjes voor een 'junk' als ik ben. Niet direct herkend en ook nooit iets van gelezen was de folk van Ray Cooper. De titel intrigeerde me: Tales of love war & dead by hanging. Ook het fraaie hoesje en boekwerkje reageerden positief op mijn gevoel. Dan maar een luistersessie bij de verkoopbalie van deze zanger en multi-instrumentalist, wiens stem mij ergens aan deed denken. Het kwartje viel thuis, want deze prima zanger is lid van The Oysterband, onder de nickname "Chopper". Deze band, die ik al jaren volg, krijgt in Nederland stelselmatig te weinig aandacht, dus dat geldt natuurlijk ook voor de individuele leden als die soms even een soloproduct afleveren.

Deze Ray Cooper cd is al uitgebracht in 2010. Een geweldige cd van Cooper, die een prima stem heeft en naast gitaar en andere snaren ook nog eens harmonica en het harmonium bespeelt. Bij de oesters is zijn belangrijke geluid de chello, maar daar bespeelt hij tegenwoordig ook kantele, op hun vorig jaar uitgebrachte cd Ragged kingdom (samen met zangeres June Tabor). Het geluid is over het algemeen"stevig-akoestisch", met fraaie rustpunten. Vier prima muzikanten, onder wie de Oyster-drummer, zorgen mede voor de volle klank van de pracht-cd. Naast Engelse en Schotse folk zijn er duidelijk ook Zweedse invloeden. Natuurlijk door gebruik van de kantele (Zweedse schootharp), maar ook door de hardanger-viool met de extra meetrillende snaren. Het harmoniumgeluid versterkt ook het 'Scandi-gevoel' en twee stukken zijn ook melodisch en/ of tekstueel uit Zweden afkomstig. Vooral de song "I kiss the night" is door Ray geschreven op de melodie van een van de vele Zweedse Brudmarchen (bruidsmarsen). Een heel mooi folklied.

De cd straalt een enorme muzikale kracht uit. Ray Cooper heeft vermeden dat we de zoveelste versie van een bekende folksong voorgeschoteld krijgen;op één song na, maar deze versie van de Yacobietensong "Ye yacobites by name") is zo anders en magistraal, met alleen de chello als begeleiding, dat dit slotstuk op de cd ook echt een geweldig slotstuk mag zijn. Naast onbekende folkmelodieën, waar hij de tekst voor schrijft of componeert, gebruikt Ray ook zelfgeschreven folkmelodieën.

De uitgekozen echte 'traditionals' zijn dan van 'onbekende juweeltjeskwaliteit' zodat de cd nergens verveelt en uitgroeit tot een van m'n mooiste aankopen van de laatste jaren (denk ik bij iedere draaibeurt)

Ray Cooper - Tales of love war & dead by hanging, Westpark Music 87188 -2010

[terug naar boven]


Justin Townes Earle - door Maria Douwes
(bron: Amsterdamse Folkagenda januari 2012)

Allemaal fans van Justin Townes Earle in huis op zaterdag 26 november in de bovenzaal van Paradiso. Zijn songs worden stuk voor stuk herkend en het applaus is voor het doorgaans verwende Amsterdamse publiek daverend te noemen. Als wij binnen komen moeten we ons door de staande mensenmassa heen wringen om zicht te hebben op het podium waar Justin in zijn eentje staat. "We missen wel zijn muzikanten dieje op de CD's hoort. Ik vind het een beetje kaal," zegt de vrouw die naast me staat. "We hebben al zijn muziek thuis en we verwachtten eigenlijk dat zijn band erbij zou zijn." Zijn eerste plaat kwam in 2007 uit, de EP Yuma. Daarna volgden The Good Life, Midnight at the Movies en Harlem River Blues (2010). Allemaal prachtig gemixed in de studio, maar dan kan een live-optreden wel eens tegenvallen. Ik hoor af en toe een tweede gitaar en twee stemmen. Speelt 'ie met een orkestband mee of vergis ik me?

In de Verenigde Staten is zijn ster al een tijdje rijzende sinds hij in 2009 de Americana Music Award voor nieuwe artiesten won en de titelsong van zijn laatste CD, "Harlem River Blues", werd in oktober 2011 bekroond met de Song of the Year Award. Geboren en getogen in Nashville, werd muziek hem met de paplepel ingegoten, ten eerste door zijn beroemde vader Steve. Als beginnend artiest veroverde hij de grote podia van The Grand Ole Opry, Carnegie Hall, het jaarlijkse Americana festival, het Bristol Rhythm & Roots Reunion en South by Southwest. In Europa bezocht hij afgelopen november Zweden, Noorwegen, Nederland en België waarna er meteen weer een tournee door Amerika volgde.

Zijn teksten zijn uit zijn eigen leven gegrepen. Hij volgde vader Steve al op 12-jarigeleeftijd in zijn voetsporen: drank en drugs. Nog maar net dertig jaar oud heeft hij al een zwaar bewogen leven achter de rug; hij leefde als een junk op straat en kan de bittere realiteit dus uit eigen ervaring navertellen. Dat is op zijnCD's goed te voelen. Zo op het podium, is het een beetje te gelikt. Hij zingt met overgave, dat wel, maar maakt in Paradiso geen contact met het publiek. Na zijn laatste nummer houdt het applaus aan maar hij verdwijnt en komt niet terug voor een toegift. Wellicht is het allemaal teveel van hetzelfde als je continu op tournee bent en geen tijd meer overhoudt om nieuwe nummers te schrijven. Een dertiger die al alles gezien heeft en meegemaakt, wat is er nog nieuw voor hem? En voor ons? Misschien moet 'ie maar weer anoniem gaan rondtrekken, zoals hij in het nummer "Wanderin" beschrijft en daarna weer een paar juweeltjes opnemen. Graag opnieuw met dezelfde muzikanten die mondharmonica, viool en mandoline spelen zoals die op zijn laatste album te horen zijn.

[terug naar boven]


Sarah Lee Guthrie & Johnny Irion, Paradiso 24 september 2011 - door Maria Douwes
(bron: Amsterdamse Folkagenda november 2011)

De zaal swingde toen we binnen kwamen. Dat was veelbelovend. De songs die ik op YouTube had gezien waren allemaal nogal slow om niet te zeggen sloom. Op hun website beschrijven zij hun stijl zelf als: ‘more atmospheric or psychedelic, sort of dreamy but colorful’. De aankondiging van het duo in Mokum Folk als de nieuwe Emmylou Harris en Gram Parsons hadden mijn verwachtingen hoog opgevoerd.

‘Tonight’ werd ingezet, een heel zacht nummer en Johnny vroeg om stilte zodat het achter in de zaal nog te horen zou zijn. Iedereen bleef er doorheen kletsen. Het publiek was een mix van oud en jong. Ik schat zo’n vijftig-zestig mensen.

Johnny schrijft de meeste teksten en is een goede gitarist, Sarah Lee is de geboren muzikante. Dat bleek ook toen de zaal in tweeën werd gedeeld en Sarah moeiteloos een eerste en tweede stem voor zong en de zaal werd opgedeeld in mannen en vrouwen. Johnny liet nog één keer de mannenstem horen, wat de vrouwenstem bleek te zijn. Sarah Lee moest hem corrigeren. Hij zingt de meeste nummers met een hoge kopstem. 

Sarah Lee vertelt over haar vader Arlo, die ter nagedachtenis van zijn beroemde vader in de voormalige Trinity Church in Great Barrington Massachusetts, het Woodie Guthrie Center heeft opgericht als spirituele ontmoetingsplek voor muzikanten, eigenlijk een soort Paradiso. Een predikant kwam binnen en vroeg Arlo wat hij aan ’t doen was. Hij zei: “Dit wordt een ‘Bring your own God Church.’ Het volgende nummer ‘Kindness’ heeft Johnny hieraan opgedragen. Het refereren aan haar beroemde familie gebeurt net een beetje te vaak en zonder duidelijk verband.

De band bestaat uit een drummer, een basgitarist, een toetsenist en de twee virtuozen. Zo nu en dan wordt het volume op het maximum gezet waarmee Johnny’s rockverleden duidelijk wordt. Het hele concert door wordt de zaal niet echt enthousiast en op de vraag van Johnny ‘Are ye all having a good time?’ komt een plichtmatig antwoord: ‘Yeah….’ Er worden nog enkele nummers van hun nieuwe album Bright Examples ten gehore gebracht maar niet één keer loop ik echt warm. De naam Guthrie had voor mij een magische klank. Heb ik te veel verwacht? What’s in a name?

Later hoor ik van mijn zwager dat Johnny en Sarah een gevonden tekst van haar opa Woodie ‘There’ll be no Church Tonight’ op muziek hebben gezet. Een schitterend duet dat wij zelf ook graag zingen. Een juweeltje! Dat speelden ze nou weer net niet. Jammer!

[terug naar boven]

 


Otis Gibbs, Paradiso 25 september 2011 - door Maria Douwes
(bron: Amsterdamse Folkagenda november 2011)

Voor de deur staan al enkele fans te wachten waaronder Specs Hildebrand uit Volendam. Hij vertelt dat Otis Gibbs hier in mei ook was. “Hij zag eruit als ’n roadie van een popgroep. Hij heeft gevoel voor humor, is cleaner dan clean, rookt niet, blowt niet, drinkt niet. Hij is een socialist in hart en nieren, een linkse Amerikaan met een groot relativeringsvermogen.” Ik zit naast een moeder met dochter uit Enkhuizen. ‘Mijn moeder heeft me hiermee naar toe gesleept. Ze heeft me ervan overtuigd hoe goed Otis is.’ Mart  Smeets heeft hem ook genoemd in zijn programma op de radio. Eerst neemt Otis de tijd om met wat fans op de foto te gaan en dan loopt hij het podium op. “Ladies and gentleman, put your hands together for a great artist, the one and only Otis Gibbs, “ kondigt hij zichzelf aan.

Hij trapt af met het nummer ‘There ain’t nothing to do around here’ en meteen word je gegrepen door zijn warme doordringende stemgeluid. Hij begeleidt zichzelf op de gitaar en meer heeft zijn stem niet nodig. Geen toeters en bellen. Dan volgt ‘Where only the graves are real’ van zijn laatste album ‘Joe Hill’s Ashes’ en ‘Caroline’ de geschiedenis van een meisje van wie de vader in een kolenmijn werkte.

Geboren en getogen in Wannamaker, Indiana, waar het grootste jaarlijkse evenement de plaatselijke tractorrace was en de creativiteit van de mensen door Otis als volgt beschreven wordt:  “ Mijn grootvader hield van blue grass, mijn vader zong als hij dronken was en er was een vrouw die naakt op straat liep. But in fact, we were just a bunch of hillbillies,” zo vat hij zijn jeugd in één zin samen. Met pet, lange baard en bril is hij niet bepaald het prototype van een flitsende artiest, maar dat deert hem helemaal niet. Hij is puur zich zelf en zingt over sociale kwesties en onrecht en de schijnheiligheid van veel mensen. 

“Mijn oom Brisco was net uit de gevangenis ontslagen en werd mijn babysitter toen ik vier was. Hij verveelde zich en nam mij mee naar de kroeg waar hij me boven op de piano neer zette en ik uit volle borst allerlei liedjes zong die hij me geleerd had. Zo begon mijn zangcarrière,“ vertelt Otis. Dan zingt hij een prachtig nummer voor een vriend die pas geleden op zijn 30e overleed, ‘I remember two weeks in Nova Scotia’ en vervolgens het nummer ‘The Town that Killed Kennedy’. In januari komt er een nieuwe cd uit, zegt hij nog even tussen neus en lippen door. Dan kondigt hij het laatste nummer aan:  ‘Kansas City’ en zegt ons dat we gerust een kopie van zijn cd's mogen maken om aan vrienden te geven, want zo kwam hij zelf ook met goede muziek in aanraking. Maar voor die enkele uitzonderingen, die zeldzame figuren, die vinden dat je een rondtrekkende artiest moet steunen, zijn er achter in de zaal cd's te koop. “Na het concert kom ik deze wel signeren en met jullie nog wat nakletsen,” besluit Otis. Voor de toegift trekt hij de stekkers eruit  en loopt met gitaar de zaal in, tussen het publiek door. Het was een avondje onder vrienden.  Kortom, voor wie hem nog niet kent, gauw een cd kopen!

[[terug naar boven]


Fantastische herrie - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda oktober 2011)

Met deze Engelse folkverrassing die mij al een paar jaar in een ijzeren greep houdt, heb ik eindelijk het antwoord gevonden op de vraag waarom ik musicals nooit zo kan waarderen. Het kwartje is gevallen bij de laatste cd van Bellowhead, een groot gezelschap rond een zeer inventief duo John Spiers & Jon Boden. Ik meen dat ik dit duo op cd voor het eerst ooit gekregen heb van onze klarinettist Anton binnen m’n toenmalige Habbekrac-band. Vanaf de eerste tonen was deze vroege cd Bellow een hele frisse benadering van de Angelsaksische folk. De latere cd's die ik zelf opspoorde bleven boeien. Soms heetten ze Faustus met een derde vaste muzikant erbij, maar vaker bouwen ze een groep om zich heen en dan heten ze Bellowhead.

Bellowhead brengt stokoude traditionals uit de oude “Victorian Times” in een schitterende schetterende wijze, wat duidelijk theaterachtige music-hall en avantgarde-jazz in zich herbergt. Dit, met het over-de-top-hoge-stemgeluid van de soms hysterisch zingende Jon Boden, maakt dat je wel gedwongen wordt om te luisteren. In elk nummer gebeurd wel wat. Ondanks de grote hoeveelheid koper blijf je toch nog fiddles, melodions, doedelzak en hobo horen. Af en toe meen ik het “silverband”-geluid van de Engelse variant van het Leger des Heils te horen.

Ik was definitief verslaafd geraakt aan Bellowhead via hun 2006 CD Burlesque. En hun nieuwe CD Hedonism wijkt niet veel af van hun eerdere brilliant. Mischien nog iets grilliger, avant-gardistischer, maar toch met herkenbare folkstandards als ”Newyork girs”, "A-begging I will go”, "Broomfield hill”of “Yarmouth town”. Stevig aangezette muziek met soms veel vaart gebracht, een krachtige drum, af en toe syncopisch maar toch met verstilde momenten in de songs. Ook staan er twee typisch Engelse dance-tunes op de cd die het album nog meer ‘folk’ geven.

Mischien is het verschil wel net zo klein als de woorden 'musical' en 'music hall'. Beide muziekvormen kunnen “heftige herrie” veroorzaken maar de Amerikaanse Broadway-gladde musical met onechte verzonnen verhaaltjes van een vederlicht gehalte missen de diepgang van de oude music-hall-traditie met de mooie eeuwenoude melodieën die niet vluchtig uit je gedachten verdwijnen.

Spiers & Boden heb ik vorig jaar juni in het Bimhuis mogen aanschouwen en dat was gelijk het hoogtepunt van al de genoten optredens van dat jaar. Met z’n tweeën leverden ze de energie van de gehele Bellowhead-company. Misschien was dat concert of die reis naar Amsterdam wel de inspiratiebron voor het enige niet-Engelse stuk op deze nieuwste cd Hedonism. Maar Jacques Brel past in deze versie van zijn “Amsterdam” uitstekend in het Angelsaksische idioom van de cd.

Een geweldige cd met maar één naar mijn smaak minder nummer: “Little Sally Racket”, een kinderwijsje in een kakofonische jazz uptempo wijze gebracht met een schreeuwerige stem en haast valse backup-zang. Maar de traditional “Yarmouth Town” als laatste track doet mij z’n voorganger snel vergeten en misschien wen ik ook wel aan Sally.

Kortom: zoek de cd eens op en laat je onderdompelen. De Amsterdamse Bieb heeft mij hier weer uitstekend geholpen met deze prima aanschaf. De muziek een tikkie harder zetten en na een kleine 50 minuten kom je volledig wakker en voldaan weer terug op aarde.

Bellowhead, Hedonism, Navigator Records 2010; bellowhead.co.uk

 [terug naar boven]


Eltjo (29-01-1955 / 02-08-2011) - door Jos de Rooij (gabbertje van Eltjo)
(bron: Amsterdamse Folkagenda september 2011)

Schutterzolder 1978. Op de bovenruimte van café de Schutter organiseert Anneke Zwetsloot iedere donderdagavond een folkoptreden. Die avond speelt de Celebrated Ratliffe Stoutband. Samen met mijn vrouw Jeannette ben ik alle trappen op geklauterd en even later raken we aan de praat met een jongeman. Qua outfit doet 'ie me eigenlijk het meest denken aan de Belgische stripheld Kuifje: een geruit hemd en een broek die eigenlijk 10 cm te kort is. Ik heb een zwak voor zulke mensen. Mensen, die zich niets aantrekken van wat anderen er van vinden.

Hij heet Eltjo, 23 jaar. Eltjo? Nog nooit gehoord, die naam. Hij vertelt dat het een Groningse naam is, en dat al zijn voorvaders zo heten.... Hij is net uit militaire dienst en woont sinds kort in Zwanenburg. We nodigden hem uit voor een etentje. Na deze eerste ontmoeting, is Eltjo altijd weer bij tijd en wijle in mijn leven opgedoken, soms een tijdje minder, dan weer vaker.

In de eerste fase troffen we elkaar iedere zondagavond op de sessie in café Husse, het café van Herman Erbé in de Langestraat. Hier ontmoette Eltjo ook violist Egon Kraak voor het eerst, met wie hij in 1981 de Stendelaar oprichtte. Het repertoire bestond uit Ierse deunen. Die voorliefde voor Ierse muziek was ontstaan na Eltjo´s eerste bezoek aan Ierland. Op het festival van Lisdoonvarna had hij alle Ierse grootheden aan het werk gezien.

In die tijd speelde Eltjo nog voornamelijk accordeon. Om het Ierse repertoire op een kleine 48-bas Weltmeister accordeon te kunnen spelen, had hij een kleine "verbouwing" aan de linkerkant van de accordeon uitgevoerd. De weinig gebruikte Es had hij verwijderd en een B toegevoegd, omdat die bij de Ierse muziek noodzakelijk is.

En toen kwam de desastreuze geschiedenis van café de Parel. Een kennis van mij wilde een café in de Boomstraat overnemen en zocht daar voor een partner. Ik had daar wel oren naar, en ook ideeën, maar geen geld. Er was echter een bedrijfswoning bij , en die zag Eltjo wel zitten (hij was het heen en weer fietsen naar Zwanenburg zat). Inmiddels had hij een goede baan als ingenieur bij Fokker, en dus een goed inkomen. Hij besloot om geld in het café te investeren, op voorwaarde dat hij die bedrijfswoning kreeg. Regelmatig heb ik daar in de Jordaan ook zijn ouders ontmoet. Na anderhalf jaar bleek "de kennis" de boel belazerd te hebben, en zaten we zonder café, met een fikse schuld, en Eltjo dus zonder woning. Na veel juridisch touwtrekken, wist Eltjo uiteindelijk toch nog een deel van het geld terug te krijgen.

Inmiddels had Eltjo Irene ontmoet. Ze besloten een huis in Monnickendam te kopen. Ze trouwden en na het drama met dochtertje Rosanne (ze overleed twee weken na haar geboorte) kwamen er twee zoons, Benno en Robin. Het leek een goed gezinnetje. Tot op een dag een huilende Eltjo op mijn stoep stond. Hij was thuis gekomen van zijn werk, en had de woning leeg aangetroffen. Irene en de kinderen waren vertrokken.... Tja, hoe dat zo ver heeft kunnen komen, weet ik ook niet precies, en het voert ook veel te ver voor dit in memoriam, maar iets zou ik toch wel willen opmerken over de persoon Eltjo Toorn. Hij bleef altijd hetzelfde: een goudeerlijke, maar ook koppige Grunninger. Een gouden hart, maar rechtlijnig denkend. En dat zal niet altijd makkelijk geweest zijn voor Irene. En zoals al eerder gezegd: totaal onveranderlijk. Hij heeft in al die jaren ook nooit zijn accent van Finsterwolde verloren.

Door zijn verhuizing naar Monnickendam ging Eltjo zijn muzikale vizier meer op de provincie Noord Holland richten. Hij ging regelmatig naar sessies in Oude Niedorp, Alkmaar, Enkhuizen, Volendam, enz, waardoor hij steeds beter ging spelen en een zeer omvangrijk repertoire opbouwde, niet alleen op accordeon maar ook op tin whistle, mandoline en de diatonische trekharmonica.

Na het opheffen van Stendelaar zocht Eltjo zijn heil in diverse andere bandjes: Buskers (1991/1994), Shannon (1995/1998), Binneas (2005/2006), Cathair na Mart (2006/2007). Opvallend is ook het compacte en hechte van de Ierse muziekscene, waardoor Eltjo vaak met dezelfde muzikanten speelde. Met Thony de Waal speelde hij in twee bands en op honderden sessies, zo ook met Trix Hamming.

Ook op het persoonlijke vlak ging het Eltjo weer voor de wind. Hij ontmoette de Groningse Cora, trouwde met haar en verhuisde naar Zuidlaarderveen. Eltjo leek dus een ijzersterk persoon, iemand die je niet zo maar om ver krijgt. En toch gebeurde dat wel. Een knobbel aan zijn voet bleek het eerste signaal van een langzaam maar zeker slopende ziekte. En een ongeluk komt nooit alleen. Er kwamen spanningen op zijn werk die hij niet aan kon, waardoor hij psychische problemen kreeg en troost zocht in de drank. Uiteindelijk raakte hij in febr. 2011 zijn baan kwijt. Welk een beloning voor Eltjo na zo veel jaren hard werken... Na diverse eerdere pogingen, slaagde Eltjo er vanaf 12 april 2010 in om niet meer te drinken.

Op 11 maart kreeg ik plots een mailtje van Eltjo, met de mededeling dat hij in het Van Leeuwenhoekhuis was, om een gezwel uit zijn lies te laten verwijderen. Ik ben op de fiets gesprongen en erheen gegaan. Ondanks alles bleek Eltjo nog veel goede hoop voor de toekomst te hebben. Tijdens ons gesprek sprak Eltjo over al onze gezamenlijke kennissen, die ernstig ziek zijn. "Da´s knap rottig. Allemaal die rottige kanker. Met mij valt het dan nog mee"... Ik sprak af, dat ik binnenkort naar Zuidlaarderveen zou komen met een cassettebandje, dat ik nog had (en hij niet). Met opnames van Stendelaar, uit 1980, bij mij thuis gemaakt. Eltjo wilde het op een cd zetten. Het is er niet meer van gekomen.

Tot voor zeer kort bleef Eltjo muzikaal actief. Google maar eens op "Eltjo Toorn" en je vindt tal van filmpjes, die nog maar een maand oud zijn. Het overlijden van Eltjo is een gigantisch verlies voor de folkscene. Maar nog oneindig veel groter is het verlies voor Cora. Ze heeft het niet makkelijk gehad. Ik wens haar veel sterkte en hoop dat zij, net als ik, de mooie momenten met Eltjo voor altijd zal kunnen koesteren.

[terug naar boven]



Naar wat voor concert ben ik geweest? Sinéad O'Connor in Paradiso - door Henriette Frans
(bron: Amsterdamse Folkagenda september 2011)

In het zomer dubbelnummer van de Uitkrant dat in juni uitkwam zag ik, dat Sinéad O'Connor op 15 augustus een concert gaf in Paradiso. Dit keer was ik eens ruim op tijd om kaartjes te bestellen. Ik vertelde het aan Antoon van Niele, die zei: "Ik lees de aankondiging wel in Mokum Folk", maar al wat wij zagen in het augustusnummer: geen Sinéad O'Connor. Dat moet ik nu even goed maken met een verslagje van haar concert.

Want wat was het een fantastisch concert en wat zat het uitverkochte Paradiso in de overtreffende trap van VOL! De Grote Zaal en alle balkons afgeladen. Om half acht begon het concert met een semi-akoestische popband genaamd Klerkx and The Secret, maar om acht uur kwam Sinéad zelf al het podium op. Het duurde een paar seconden voor de zaal (inclusief ikzelf) haar herkende. Hoewel ik weet dat ze zich bij voorkeur in vormeloze kleding hult, hadden dit vaal geruite shirt, afgetrapte spijkerbroek en sukkelig brilletje wel heel erg weinig glamour. Eigenlijk heel verfrissend! Wat zou de jury van "Holland's Got Talent" zich geërgerd hebben! In het liedje "Who is the Real VIP" van haar nog uit te komen album Home, dat ze even later ten gehore bracht, laat ze weten wat ze denkt over "Shallow celebrity".

Je verwacht nog altijd half en half een kaal hoofd, dus ik wist ook niet dat Sinéad O'Connor inmiddels alweer kort krullend haar heeft - en dan in de verrukkelijke Keltische combinatie: gitzwart en met hele blauwe ogen. De ogen hebben we overigens vrijwel niet gezien, want die hield ze gedurende 95% van de tijd dicht, of neergeslagen. Het aanbiddelijke kuiltje in haar wang hebben we ook vrijwel niet gezien, want ze bleef ernstig en serieus. Sinéad O'Connor is, weer verfrissend, heel authentiek. En wat heeft ze mooi gezongen met die gepassioneerde stem die alles kan: fluisteren, bidden, smeken, bel canto, schreeuwen, en dat alles met de bekende benadrukkende rukjes naar links met het hoofd. Tweeëneenhalf uur achtereen heeft ze ons gefêteerd op een selectie van haar liedjes, waarvan een flink aantal van haar nieuw uit te komen cd. Ze werd begeleid door een fantastische toetsenist, die soms ook een accordeon ter hand nam, en een gitarist met een elektrische akoestische gitaar. Zelf speelde ze bij vrijwel alle liedjes elektrische gitaar (zonder plectrum), en behoorlijk goed ook nog! Fijn, weer eens een concert waarbij ik mijn oordopjes in mijn tas kon laten.

Tijdens het concert vroeg ik me af of de redactie van Mokum Folk Sinéad O'Connor misschien niet in de agenda hebben gezet omdat ze wat Sinéad tegenwoordig doet meer popmuziek vinden dan folk. Daar is iets voor te zeggen. Geen Ierse instrumenten gezien deze keer, en de meeste liedjes leken inderdaad meer op pop dan folk. Alleen, het is dan wel pop gezongen met een zwaar Iers accent, bovendien regelmatig refererend aan haar thuisland ("Her eyes like a wild Irish sea"; "Too long have I been feeling like Lir's children" uit A Perfect Indian) en haar heerlijke Ierse traditie van af en toe een lied a-capella tussendoor zingen (o.a." Never Get Old"). Het lied: "This is a Rebel Song", dat ze ten gehore bracht, hoort m.i. echt onder Folk, maar helaas werd er dit keer niet in het Iers gezongen, dus ook niet mijn lievelingslied "Óró, Sé Do Bheatha 'Bhaile". Behalve het mij onbekende a-capella "I Am Stretched on Your Grave" heb ik ook geen traditionals gehoord. Geen verrukkelijke versies van "Foggy Dew", "My Lagan Love", "Peggy Gordon", "Paddy's Lament", "Raglan Road" of "The Parting Glass", zoals we die van haar kennen. Bovendien eindigde ze met "The House of the Rising Sun". OK, dan ben ik misschien toch -in elk geval grotendeels - naar een popconcert geweest. Maar wel een bijzonder en fantastisch popconcert. Nothing Compares 2 U, Sinéad O'Connor!

De volgende dag zag ik, dat vrijwel alle liedjes van dit concert al op YouTube te vinden waren. Luister er vooral eens naar!

Naschrift redactie: Sinéad is inderdaad een grensgeval, maar ze blijft iets aparts. Bovenstaand verslag zet de zaken in het juiste perspectief.

[terug naar boven]


 

 

Seeger's cd from London - door Herbert Bos
(bron: Amsterdamse Folkagenda september 2011)

Tijdens mijn bezoek aan de stad Londen van enkele maanden terug, kocht ik in een platenzaak (HMV) in de buurt van Picadilly Circus, de cd Fly down little bird van Mike & Peggy Seeger. Ik was zeer verbaasd deze cd aan te treffen, want Mike Seeger is in augustus 2009 overleden. Deze cd is uitgegeven in 2011 op het Appleseed label. Op de cd zouden nummers staan uit hun jeugd.

Ik zeg bewust "zouden nummers staan", want toen ik was thuisgekomen, kwam er geen muziek uit de boxen van mijn installatie. De cd-speler presenteerde op de display: [ 1 - 35.55 ]. "Zou mijn cd-speler stuk zijn?" was de eerste gedachte. Een andere cd erin, die deed het wel. Mijn computer opgestart en de Seegers-cd in de cd-speler van de PC gestopt. Normaal start dan Window Media Player op. Nu opende er zoiets als APRCD1125DDP FI met een tekstbestand (waar alle nummers die op de cd zouden moeten staan, vermeld werden) en een ddp- bestand met de namen Mike and Peggy Seeger.

Ook hier geen geluid. Beetje te ver om even terug te gaan naar de winkel. Mijn laatste redmiddel: de dvd-speler. Daar verscheen op de display: [ B A D ]. Toch 15 pond voor betaald en ik was vooral benieuwd naar de muziek op deze cd. Via Internet het adres van de platenzaak opgezocht en een brief gezonden met mijn e-mail adres en mijn 06-nummer. Vrij snel daarna een e-mail ontvangen met de mededeling dat vervanging niet mogelijk was, maar ik kon mijn geld terug krijgen, als ik de bon op zou sturen. Daar was ik al bang voor, want de bon was in de prullenbak van de hotelkamer achtergebleven. Het feit dat ik geen bon meer had, maar wel met een betaalpas had betaald, van deze afschrijving een kopie bankafschrift meegezonden, weer via e-mail naar de zaak in Londen gezonden, met vermelding dat ik begreep dat ze een kassabon als bewijs nodig hadden en dat ik wel contact op zou nemen Appleseed. Toen een e-mail naar Appleseed, West Chester, U.S.A., gezonden. Direct daarna kreeg ik een e-mail dat ze een vervangend exemplaar zouden sturen. En jawel hoor, één week later een envelop uit de U.S.A. via Airmail met de cd.

Op de cd staan nummers die Mike in zijn studio aan huis heeft opgenomen tijdens de sessies met zijn zus Peggy. Zij kwam regelmatig bij haar broer logeren vanuit Engeland.De cd bevat nummers die ze leerden spelen van hun ouders toen ze op tienjarige leeftijd Amerikaanse oldtime-muziek gingen spelen. De opnames zijn van augustus 2008. Er staan overbekende nummers op zoals ‘Cindy'; ‘The farmer is the man'; ‘My home's across the blue ridge mountain' en ‘Little birdie' en nog tien andere traditionals. Zeker voor de fans van the Seegers(en dat ben ik) een must . Dus: "Thanks Appleseed for the service!"

PS: Wat schetst mijn verbazing? HMV uit Londen belde: "We hope that you agree to a refund, because replacement is not possible; we want your credit card number in order to refund the 15 pounds". Dus; "Thanks HMV for the service!"

[terug naar boven]

 


Celtic top - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda september 2011)

Ik had alweer een tijdlang niets meer vennomen van de leden van de Ierse band Danu. Vijf jaar geleden verscheen hun laatste werk met de verontrustende titel When all is said and done,wat mij een teken aan de wand richting"Exit" leek. Maar niets is minder waar.

Het heeft inderdaad een tijd geduurd, want meestal leggen artiesten eens in de twee jaar een nieuw ei en sommigen produceren "bij de konijnen af", wat niet altijd goede producten oplevert. Deze 2010-cd vond ik bij mijn vaste ‘dealer'in de Utrechtsestraat en op een emotioneel zware dag gunde ik mijzelf wel wat cadeautjes.

Op de nieuwe cd Seanchas hoor je nog steeds het geluid van een topband uit County Waterford. Ze kunnen zich makkelijk staande houden naast bands als Altan, Dervish of de nieuwe Dannan2 (niet die van fiddler F.Gavin). Ook een band als Lunasa past in dit rijtje, maar bij hen mis ik toch altijd een 'stem' voor echte songs. Dat zit bij Danu wel goed, met zo'n prachtstem als die van Muireann Nic Amhlaoibh (welke eerste Ier heeft toch zulke onmogelijke namen bedacht; "Eva" was toch mooi genoeg voor die Katholieke Ieren of lagen ook hier de Protestanten al dwars?). Al bij het eerste stuk dacht ik gelijk een'jonge'Dolores Keane te horen ;zo mooi.

Door vijf songs op te nemen van de 11 stukken klinkt een cd veel evenwichtiger, Heren Lunasa! In het derde stuk zingt ze zelfs een duet met ex-Danu-zanger Ciaran O' Gealbhain. Er staan ook twee Ierse folkklassiekers op de cd : "The boys of barr na straide" (klinkt met de backing vocals van de Danu-leden juist verfrissend) en "Malai na gCuach ni chuileannain". Deze nummers klinken niet afgelikt, maar worden met respect benaderd. Er wordt ook flink gegrossierd in eigengemaakte tunes met ‘gekende' tunes er aanvast, wat natuurlijk verrassingseffecten oplevert. Nergens ‘knalt' het je speakers uit, maar het klinkt ook niet saai. Daarvoor klinken de arrangementen afwisselend genoeg en zijn de muzikanten te goed op hun instrumenten.

Voor liefhebbers van Andy Irvine zoals ik heeft Danu ook "Never tired on the road"'opgenomen, met een lekkere reeltune er tegenaan. Hier heeft men de snaredrums van Martin O'Neill gevraagd en dat geeft diezelfde "Solas-pit",dus heren& dame: ik zou Martin lid maken van jullie club! Een fraaie cd is het geworden; Danu-waardig.

Een meer "klassieke" (Schotse)benadering komt van het duo Alasdair Fraser (fiddle) en Natalie Haas (cello) en dan hebben we het niet over New Age, stoffig,kabbelend of dromend, maar juist vurig, spannend en vol verrassende momenten. Hier is zang helemaal niet nodig; zelfs niet passend. Een Schotse fiddler en een Californische celliste, beiden uit Amerika met een krachtig Schots/Keltisch geluid.

Hun vorige twee cd's droegen ze makkelijk alleen; nu hebben ze, ter afwisseling, een aantal grote spelers mee laten doen en die benadrukken het klassieke (folk)geluid alleen maar. Martin Hayes & Dennis Cahill maken zelf al ‘klassiekerige' folk op een geweldige manier en oldtime-fiddler Bruce Molsky (bij Andy Irvine's Mozaik) is meer traditioneel ingesteld. De andere acht gasten zijn ook strijkers, maar men speelt niet allemaal tegelijkertijd, waardoor het geluid nooit zwaarder wordt dan een klein ‘kamerorkestje', wat met "Schotse puntigheid" en pit wel je kamer in knalt. Sommige stukken staan wat verder van de traditie en klinken echt klassiek, maar op tijd slaat men de weg weer in richting "Folk-classique".

Niet vernieuwend, wel verrassend en een klasse apart en ook zeker een ontmoeting waard, deze Highlanders farewell.

Danu, Seanchas - eigen beheer, via www.danu.net
Alasdair Fraser & Natalie Haas, Highlanders farewell l- cul123D /Culburnie records

[terug naar boven]

 


 

Pluggedansen Enkhuizen - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda augustus 2011)

Wat doet een mens aan het begin van een intens druilerige zondag als men de weerman moet geloven? Je kijkt je mailtjes nog eens na en vindt een uitnodiging voor een CD-presentatie van een CD met de volkomen niet-herleidbare titel Pluggedansen. Voor een ‘leek’ als ik natuurlijk. Ik zou niet weten waar ik dat moest zoeken en vergat even op internet te kijken.

Nu moest ik toch naar de Bieb bij het Centraal Station om een schat aan prachtige cd’s terug te brengen; allemaal geschikt voor m’n radioprogramma. Wat een leuke hobby toch. Dus waarom niet het nuttige met het aangename verenigen? Mijn vriendin en ik zijn beiden lid van “Vriend Spoor”, dus het was even een stukje doorrijden en dan kwam Enkhuizen wel in beeld, alwaar De Zoete Inval hun nieuwe vrucht aan ons voor wilde voorstellen.

Nu ben ik dus lid van die Spoorclub maar in zo’n slakkengang met een behoorlijke omweg ”wegens werkzaamheden” is voor een redelijk geduldig mens die ik van nature ben toch wel al te gortig. Naast de trein meelopen begon haast een optie te worden. Mijn vriendin is meer van dat andere, ongeduldiger soort en ik had geluk dat ik op het zwaarste moment van haar tocht mijn ‘joker’ kon inzetten: een leesboekje dat ik vaak bij me steek voor de wat langere tochten. Nu mocht zij er rust in vinden. Na zeker anderhalf uur kwam er toch eindelijk een eind aan de marteling. Zeker geen voorbeeld om reizigers uit hun vierwielers te krijgen. Het zal ongetwijfeld wel nodig zijn geweest en het was zondag maar we zijn geen "werkzaamheden" tegengekomen behalve benoemd door de omroepster.

En ja, dan kom je te laat. Achterin was er nog plaats en met een verkeerde koffie voor haar en een wat vroege pils voor mij lieten wij ons verrassen door wat al even bezig was. Maar al gauw werden we “ingepakt” door de muziek en dat was aangenaam genoeg om tot aanschaf van de cd te besluiten. Naar wat ik begreep is De Zoete Inval eigenlijk het goede-kennissen-duo Cor van Sliedregt en vrouw Daniëlle Janssen. Zij houden zich al jaren bezig met oude (volks)muziek van de Lage landen, naast uiteenlopende muzikale bezigheden als balfolk en klezmer. Ze hebben al diverse cd's op hun naam. En ze spelen samen met een aantal losse of toch vaste ‘zoete invallers’ (wegens geroezemoes kon ik het niet goed verstaan) ter ondersteuning van hun samenspel.

Allen zijn multi-instrumentalisten en dat zorgt voor de broodnodige afwisseling, wat voor mijn oren onontbeerlijk is bij deze muziekstijl, anders slaat de dufheid snel bij mij toe. Niet bij mijn vriendin, want zij is een onregelmatige bezoekster van het Festival Oude Muziek.

Ondanks dat de ‘zoete invallers’ keurig naast elkaar op een rijtje zaten, werd er toch ‘levendig’ gespeeld en was ieder vaardig op zijn/haar muziekinstrumenten. Mij viel de draailier behoorlijk op.

Muziek uit het Holland van 1650 tot 1750 passend op het eerder genoemde Festival maar nu uitgevoerd als echte volksmuziek op echte volksmuziekinstrumenten zoals draailier, doedelzak, concertina, trekzak, bodhran,Viool, hakkebord, mandoline, kazoo, contrabas, fluit, rinkelbom, cromhoorn en baroktrombone. En nog veel meer instrumenten. Volksmuziek of eigenlijk volksdansmelodieën van 300 jaar geleden gespeeld in kroegen en herbergen waar het ‘klootjesvolk’ bijeen kwam na een dag hard werken. Ver van het hof waar men neerkeek op de kleine lieden die zich moesten vermaken met “pluggedansen”; dansen voor boerenpummels en lomperiken. In feite simpele dansen die iedereen zo mee kon dansen en waarbij gezelligheid al snel op de loer lag. Niks geen formeel gedoe maar gewoon “leve de leut”. En dat straald deze cd ook uit. Geen keurige orkestbak, maar pure “volksmuzikale spelvreugde” die makkelijk binnenkomt vanwege z’n eenvoud en afwisseling.

Voor volksmuzikanten is de muziek ook op bladmuziek te verkrijgen in een apart pluggedansboekje. In het cd-boekje kun je als muzikant alvast lezen in welke toonsoort elk nummer staat en voor balfolkdansers staan sommige stukken in het balfolktempo en ook staat aangegeven welke dans thuis gedanst kan worden (mits de buren geen bezwaar maken).

Al met al was de cd-presentatie en de cd voor mij toch weer een ‘eyeopener’ om weer eens heel anders naar de oude Hollandse volksmuziek te luisteren. Zo hoor je dat er eeuwen geleden ook al best leuke volksmuziek werd gemaakt. De losse speelstijl maakt de beluistering prettig. De afwisseling van de diverse instrumenten binnen een nummer zorgt dat je blijft luisteren naar deze, op zich, simpele eenvormige muziek. De cd heeft een lange luisterduur; misschien voor mijn smaak iets te lang, maar voor de echte liefhebber van dit genre zal deze cd een feest zijn.

Pas thuis gekomen met het boekje in de hand, kijkend naar de foto, viel het kwartje. Met de fantastische draailierspeelster Irene van der Laan deelde ik het gezamenlijke volksdansverleden bij dansgroep Tsa-Ier. Jammer dat ik dat pas thuis ontdekte. Leuk dat je nog lekker actief bezig bent Irene!

De Zoete Inval, Pluggedansen.(Holland 1650-1750 ) – Drie koningen 20110106

Info : Danielle Janssen , tel. 0228 319 022 of via www.codacoda.nl.

[terug naar boven]


Verveeld? Opgebrand? Ga zingen! - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda juni 2011)

"Nr.25!"....
Ik loop op de Zeedijk richting Cafe Verhoeff. Naast mijn diverse hobby's, mijn "muzikale uitlaatklep", heb ik nog zoiets als een baan. Vervelend? Tja,niet echt. Het is best een leuke baan, maar zoals al zo vaak is gezegd: er gaat zoveel tijd in zitten die ook nog leuker besteed kan worden en, voor een avondmens als ik, het vreet energie. Na een woensdag vol buitenlucht in de natuur, heb ik eigenlijk wel genoeg ‘buiten'(met soms regen en wind) gehad en slaat de rozigheid toe.

"Nr 87!"....
Nu heb ik thuis genoeg te doen en na een halfuurtje (na een kleintje Jägermeister) even de oogjes toe en het snaveltje dicht moet er eten gekookt worden om daarna nog wat te werken aan een radioprogramma, of een luister- en ‘brand'sessie van de nieuwste cd's van de Bieb. Of wat oefenen en stoeien op de bas met het repertoire van m'n Bikeshopband of m'n rijtje mails beantwoorden ("nee, het Mokum folkpodium is gestopt maar u kunt het eens proberen bij....") en nog eens een bemoedigend woord naar mijn penvriendin in Japan waar de ellende van haar land maar niet ophoudt. Of, nog net voor de deadline, een onderwerp bedenken en een stukkie uit m'n pen peuren. Nee,de avonden hoeven niet perse gevuld met de TV.

"nr.6 !"...
Heb ik dan nog tijd voor een sociaal kroegleven op de Zeedijk? Niet echt maar toch ben ik op weg naar een café en dat nu al voor de derde Woensdag achter elkaar en naar diezelfde kroeg. Een verslavende afspraak met mijzelf en die mooie biertapster achter de toog? Nee, helaas, die is er niet. Of een geheime afspraak met een andere vrouw voor de toog? Weer mis.

"Het rode boek en daarvan nr.15!"...."allen weer op uw plaatsen!"...
Ik ga het trapje op, doe de deur open en de warmte van een zeer gevulde ruimte komt mij tegemoet. Geluiden van een overvol café vol gekwebbel en gekwetter over de koetjes en uiteraard de nodige kalfjes vullen mijn oren tot een positief gevoel. Een café dat aangekleed is met ditjes en datjes, waar je ogen tekort komt maar uitnodigt als een gezellige huiskamer.

Rechts van mij hoor ik: "we gaan door met het gele boekje;nr. 88!" Tegen de muur geplakt zitten drie muzikanten met accordeons en daar tegenover twee gitaristen aan een rond tafeltje. En overal op de tafeltjes halfgevulde biertjes en wijntjes alsof men hier al dagen vertoeft. Het in grote getale aanwezige gezelschap heeft zich ontfermd over de reeds aanwezige boekjes met teksten die op deze avond een belangrijke en bindende factor zijn. Men komt hier bij elkaar om gezamenlijk de keel te schrapen om uit volle borst een lied aan te heffen; goed bij stem of niet, geschoolde stem of niet. Het gaat om het lied en het grote plezier om dat lied samen te "beleven".

Accordeonist Jos De Rooij heeft de leiding over dit gezellige zooitje ongeregeld. Mannen en vrouwen van alle leeftijden klinken als een fantastisch enthousiast koor als stonden ze in de finale van een jubileumavond van "Korenslag". Is het lied ‘uit' of ‘af', dan brult Jos een nummer de zaal in en iedereen gaat op zoek naar de juiste bladzijde. Het orkest krijgt van Jos de juiste toon: "in C" of "in G" en daar klinkt het volgende lied alweer uit volle borst met veel meegevoel en dramatiek als het een droevig of gedragen lied moet zijn. Onder het zingen en spelen proeft Jos de sfeer in de zaal en bedenkt hij alvast een volgend nummer.

Zelf had ik wat percussie-instrumenten bij me en hoop geaccepteerd te worden als muzikantenversterking. Het verzekert mij in ieder geval van een zitplaats. De barman doet zijn werk maar zingt soms vrolijk mee als 'ie een lied herkent. Om de nicotineverslaafden zo af en toe buiten los te laten houdt Jos regelmatig een pauze en dat is ook goed voor de baromzet. Ergens halverwege de avond gaat er even iemand met de bus rond om iedereen de gelegenheid te bieden voor het deponeren van een vrijblijvend bedragje, want Jos heeft ook zo'n schoorsteen die regelmatig roken moet.
Vanaf de straat wordt er geregeld verrast naar binnen gegluurd want het koorgeluid barst het café uit en een enkeling durft ook binnen te komen, vindt of krijgt ook een boekje en probeert het ook, om pas veel later het pand te verlaten met: "hartstikke leuk en bedankt","thanks" of "ciao".
Iedereen mag meedoen maar veel ruimte is er soms niet, maar de reeds aanwezigen schuiven wel een beetje op. Op mijn plekje bij het orkest speel ik de liedjes mee en, waar nodig, laat ik mijn spel achterwege en zing alleen. Maar de meeste liedjes bieden mij wel een uitdaging en ik moet mij erg inhouden, want in mijn enthousiasme wil ik gauw te snel spelen. Met een felle blik van Jos en een sneer "te snel,te snel" word ik terecht gewezen en durf gelijk geen duidelijk geluid te produceren.

Al zingend en spelend verdwijnt de vermoeiende dag uit mijn lichaam en ook vergeet ik de regelmatig terugkerende pijn door mijn chronisch geworden lage hernia.

Hier ontmoet je mensen die af en toe de TV uit laten om het ‘echte leven' in te stappen.

Omstreeks half acht begint Jos z'n thema-avond, popzingen, strijdliederen zingen, Hollandse liedjes zingen etc. etc. in Cafe Verhoeff, Zeedijk 12.

"nr. 51 tot slot van deze avond!"
Voldaan en met een kop vol melodietjes zoek ik om 11 uur ‘s avonds weer metro 51 op, want morgenochtend gaat de wekker weer om 6 uur en stap ik weer in de tredmolen van de betaalde arbeid. Het was weer leuk.

[terug naar boven]


SC40 Farewell Reunion 7 en 8 mei: 2-daags Oldtime- en Bluegrass-festival - door Herbert Bos
(bron: Amsterdamse Folkagenda mei 2011)

Emmen. Het lijkt zo'n eind weg vanaf Amsterdam. Het is echter maar 200 kilometer dus met een auto ben je daar met twee uurtjes rijden. Deze rit is zeker de moeite waard voor alle oldtime- en bluegrass-liefhebbers! Op 7 en 8 mei vindt daar namelijk een tweedaags festival plaats ter ere van de pensionering van Rienk Jansen. Iedereen binnen het bluegrass- en oldtime-wereldje kent Rienk.

Na een carrière als leraar op de toenmalige U.L.O begon hij met de verkoop van platen en later cd's, zich daarbij specialiserend in de Amerikaanse folk. Rienk was op alle gebeurtenissen rond deze muziek aanwezig met een stand platen en later cd's. Daarnaast gaf hij een maandblad uit onder de naam Strictly Country, de Nederlandse tegenhanger van Country Gazette van Hans van Dam. Strictly Country richtte zich op de traditionele Amerikaanse Folk, waarbij Country Gazette de country and western music-liefhebbers als doelgroep had.

Samen met Pieter Groeneveld richtte Rienk het platenlabel Strictly Country op. Op dit label verschenen, naast buitenlandse artiesten, ook artiesten en groepen van eigen bodem. Natuurlijk moest het wel traditionele Amerikaanse folk zijn. Het logo van dit platenlabel was ontleend aan de boerderij waar hij vroeger woonde en waarin hij vele optredens van nationale en internationale groepen en artiesten organiseerde.

Rienk is nu 65 en stopt ermee. Gaat met pensioen, zoals dat dan heet. "Een gebeurtenis die niet zomaar voorbij mag gaan", aldus Lambert Schomaker, organisator van onder andere het jaarlijkse zomerfestival "Boet'n Deure". Dus wordt er ter ere van Rienk een tweedaags festival gehouden in Theater De Muzeval, Boermarkerweg 43 Emmen (7822 HM). Op vrijdag 7 mei en zaterdag 8 mei zijn daar twee podia, met optredens van 26 bands en artiesten. Even wat namen: White Mountain Bluegrass en Sally Jones & the Sidewinders uit de VS. De Looping Brothers uit Duitsland. En uit België Lazy Tater en Rawhide. Ook groepen uit Nederland: Flexibility; Oldtime Cityslickers en vele anderen. En natuurlijk treedt op dit festival Bill Clifton op. Een uit Amerika afkomstige artiest die nu al weer jaren in Nederland woont en zeer geliefd is bij de liefhebbers van Amerikaanse Folk.
Voor het reserveren van kaarten: tel. 0599-850361.


[terug naar boven]

 


 

Met The Cajun Company nemen we afscheid van het Mokum Folk Podium - door Rob van Niele
(bron: Amsterdamse Folkagenda mei 2011)


Het optreden van The Cajun Company op vrijdag 15 april in Wijkcentrum Alleman was de afsluiting van een serie Mokum Folk Podium-concerten. Of het een definitieve afsluiting betekent, weten we nog niet. Zowel aan de personele kant - wie wil na Joop Wieringa de taak van concertprogrammeur op zich nemen? - als aan de huisvestingskant - welke locatie biedt een geschikt podium voor onze concerten zonder financiële tegenprestatie? - liggen er nog teveel obstakels op de weg om daarover nu al uitspraken te doen. Natuurlijk willen we als stichting actieve dingen blijven doen, en wat ligt dan meer voor de hand dan optredens organiseren? De tegenvallende belangstelling van het publiek motiveert ons echter niet om op korte termijn zoiets te doen. De tijdsgeest zit ons niet mee, zullen we maar zeggen.

Maar The Cajun Company heeft voor een waardig afscheid gezorgd. Een voor ons ongekend hoge publieke opkomst zorgde voor de goede 'vibes'. Verder heeft een klasseband als deze geen aansporing nodig om de tent op z'n kop te zetten. Al na enkele nummers zat de sfeer er helemaal in. Gelukkig hadden we rekening gehouden met dansers en het gedeelte voor het podium vrijgehouden van stoelen en tafels. En de dansers lieten zich niet onbetuigd, om de haverklap kwamen zij weer tevoorschijn om even heerlijk los te gaan op de vrolijke deunen van de band. Quicksteps en walsen, de standaardingrediënten van de cajun-muziek, zijn zoveel leuker om te horen wanneer er ook bij gedanst wordt.

Naast een uitstekend geoliede muziekfabriek is The Cajun Company een onderhoudende band die zorgt voor een goede interactie met het publiek. Het is bewonderenswaardig dat een band die met zoveel succes al honderden optredens heeft verzorgd, waarvan veel in het buitenland (met name in Engeland zijn zij erg populair), nog altijd fris en spontaan oogt en klinkt in de omgang met het publiek. Natuurlijk, ook dat kan deels routine worden, maar op mij (en velen met mij) maakten de introducties op de nummers en de uitleg van de cajunmuziek een lekker ongedwongen en ongekunstelde indruk. Ook dát siert een professionele band. Het was wel jammer dat ze vergeten waren een doos met cd's mee te nemen, want van verschillende kanten werd daarnaar gevraagd. Via de website van de band - www.cajuncompany.net - zijn de cd's uiteraard ook te beluisteren en te bestellen, maar daar gaat het niet om. Het leuke zit 'm toch in het ter plekke aanschaffen van een cd, liefst voorzien van de handtekeningen van Bas, Pauline, Monique en Herman.

En zo konden we toch nog met een enigszins voldaan gevoel en opgeheven hoofd de lichten doven en de deur achter ons sluiten. Wat nu, hoe verder? Voorlopig even niets dus. We gaan nadenken over hoe we ons, met welke activiteit(en), in de toekomst willen en kunnen presenteren. Beter gezegd: wat moeten we doen om ervoor te zorgen dat folkliefhebbers, want die zullen er altijd zijn, uit hun stoel komen? Wie het weet, mag het zeggen.


[terug naar boven]


Mihai Scarlat Ensemble, zondag 13 maart - door Astrid Prijn (12 jaar)
(bron: Amsterdamse Folkagenda april 2011)

Ik ben op zondag 13 maart in Heemstede naar een optreden van het ensemble van Mihai Scarlat geweest. Dat vond ik heel leuk. Het was heel goed bezet. Bijna alle kaarten waren uitverkocht.

In 2005 heeft Mihai Scarlat het ensemble Mihai Scarlat opgericht. Ze spelen balkanmuziek. En spelen ook verschillende dansen zoals sirba en hora. In het ensemble spelen veel Nederlanders en een paar Roemenen. Er zijn ook traditionele instrumenten uit Roemenië, zoals een panfluit, een taragot, een cimbaal en een trompetviool.

Mihai Scarlat komt uit Roemenië. Hij kreeg les van zijn vader in trompet. Zijn vader was ook de dirigent van een plaatselijk fanfare. Daarna kreeg hij vioolles van zijn oom en daarna, op zijn twaalfde, ging hij op contrabasles. Later werd hij toegelaten op het muzieklyceum George Enescu in Boekarest. In 1975 studeerde hij cum laude af. Hij speelde in verschillende ensembles en nu heeft hij er zelf een opgericht.

[terug naar boven]


Mini-interview (niet geautoriseerd) met The Cajun Company - door Herbert Bos
(bron: Amsterdamse Folkagenda april 2011)

Op vrijdag 15 april treedt cajunband The Cajun Company op in Wijkcentrum Alleman, Den Bloeienden Wijngaerdt 1 in Amstelveen in het kader van Mokum Folk Podium. Een interview met Bas van der Poll, de leadzanger en Cajun-accordeon speler van The Cajun Company.

Bas, jullie eerste cd onder de titel Testing one one is alweer van 1996. Maar ik neem aan dat de groep langer bestaat. Wanneer is the Cajun Company opgericht?
In 1992 is deze groep opgericht nadat we in Amerika rondgereisd hadden. We hebben op uitnodiging door Louisiana getoerd en veel succes gehad met optredens die we daar gaven. We mochten zelfs spelen op het ‘Le Cajun Music Award Festival' in Lafayette en we hebben gespeeld voor de radio en opgetreden in Eunice op een televisieprogramma.

Jullie spelen de Cajun Music in de authentieke stijl (trekharmonica, gitaar, viool en triangel). Wie zijn jullie grote voorbeelden?
Belfa brothers, Eddie LeJeune en natuurlijk Dirk Powell. Met Dirk Powell hebben we wel een heel speciale band opgebouwd. Hij speelt mee op onze tweede cd en heeft onze derde geproduceerd. En in oktober 2009 hebben we nog met hem opgetreden in Paradiso.

Stel de bandleden eens aan ons voor.
De bezetting van the Cajun Company bestaat uit: Pauline Groenendijk op viool, Monique Neuteboom op gitaar, Herman van Rijn op percussie (triangel) en mijzelf, Bas van der Poll, op Cajun accordeon.

The Cajun Company heeft dus al drie cd's opgenomen?
Ja de eerste cd, in 1996, hebben we opgenomen in de NOB (nu NOS) studio's in Hilversum, onder de titel Testing One One. Deze cd was weer aanleiding voor een tournee door Louisiana. In 1997 werden we als eerste niet-Amerikaanse band genomineerd voor een Music Award door de Cajun French Music Association.
Onze tweede cd, getiteld La robe de Rosalie, is in 2001 verschenen en is geheel gemaakt in Louisiana. Hierop speelt Dirk Powell back-up fiddle. We kregen voor deze cd een Music Award toegekend.
Onze laatste cd, La Prairie Rondo, is ook in Amerika opgenomen en geheel geproduceerd door Dirk Powell.

[terug naar boven]


De Kelten van 2010 - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda april 2011)

Zoals eerder beloofd, zou ik u nog even bijpraten over alle mooie Keltische muziek die het afgelopen jaar over mij heen is gespoeld en gespeeld.
En dan moet ik alvast weer dank zeggen tegen onze Amsterdamse Centrale Bibliotheek en natuurlijk ook een bedankje aan mijn "vaste gast" bij de Radio, Hans Nas. Iedere maand mag hij een uur lang zijn expertise op gebied van Keltische muziek kundig op de luisteraars loslaten en soms neem ik wel eens wat fraais over uit zijn collectie.

Om een of andere reden grijp ik thuis toch altijd naar de goede oude bands als Bothy Band, Planxty en Fairport of Chieftains als ik een avondje muziek wil draaien waar ikzelf van genieten kan. Dat is toch iets anders dan het maken van een radioprogramma op papier. Zijn er dan geen mooie nieuwe schijfjes uitgekomen? Jawel maar de "nieuwe folk" is te gestroomlijnd of al eerder beter gedaan. De oude folksongs worden door de nieuwe generatie muzikanten ontdekt en het vernieuwende is vaak pop-achtiger of een onaffe productie met slecht gezongen folk. En soms juist niet gestroomlijnd maar zo grillig dat het verre lijkt op wat "het volk" vroeger zou zingen in kroegen of op feestjes.

Er zijn natuurlijk wel wat fraaie cd's uitgekomen, maar heel enthousiast zoals vroeger ben ik niet meer geworden over het afgelopen jaar. Nu zou ik kunnen zeggen dat ik ook al een "grijze hippy" ben geworden, dus ouderwets en stoffig,maar het aanbod van wereldmuziek vorig jaar, waar ik wel warm van werd, was groter danik besproken heb, eerder dit jaar. Waar ik vroeger het eerst ging kijken bij de Ieren, was bij de groep The Dannan. En bij het laatste slappe aftreksel, onder dezelfde naam, van Franky Gavin ben ik afgehaakt totdat een tweede groep met dezelfde naam rond Alec Finn en Johnny 'Ringo' McDonagh het oude herkenbare geluid weer liet horen op deze 2010 cd Wonderwaltz.

Dan ook maar geluisterd naar de nieuwe cd van Andy Irvine, die ook nog het vertrouwde "Ierse geluid" handhaaft, met medewerking van veel bekende muzikanten van weleer. Abocurragh is weer een genot om naar te luisteren, met veel gouwe ouwe ‘Trads' maar met zijn Irvine-stempel. Sterk gestuurd door de Scandinavische violiste Annbjorg Lien is het stuk "Emptyhanded" erg mooi en op "the Demon Lover"komt de sound van Mozaik voorbij; die andere band die hij samen met Donal Lunny voortstuurt tot een symbiose van Oldtime met Ierse en Balkan-elementen. Een geweldig album van deze ex-Planxty muzikant.

Mijn oude Ierse gevoel wilde ik ook weer voeden met de nieuwe cd van superband Altan n.a.v.hun zoveeljarig bestaan. Ik hoopte op een "live" greatests hits of echte nieuwe stukken, maar men is een samenwerking aangegaan met het RTE-Concert Orchestra en deze weet alles dicht te smeren of bombastisch te maken, waardoor er een glad product mijn oren inzoeft en gelijk doorzoeft naar de uitgang zonder maar een spoortje enthousiasme achter te laten.

Kila is een minder bekende band maar met een avontuurlijk geluid met veel wereldmuziek-invloeden binnen het Ierse wereldje. Hun laatste cd Soisin heeft in hun serie cd's weer een heel nieuw geluid en als dit richtinggevend is, dan haak ik verder af. Het klinkt als een geweldige mooie soundtrack van een supermooie natuurfilm; bijvoorbeeld het geweldige Ierse landschap, maar dan zonder beesten erin. Prima muzikanten die geen kitch maken en zeker geen muzak, maar m'n Ierse gevoel vind ik alleen terug in het instrumentarium dat men bespeeld en in een enkele trage melodie.

Heel anders is het met de cd Double Play van fiddle-speelster Liz Carol en gitaarmeester John Doyle. Een geweldig album vol heerlijke tunes en enkele songs gezongen door John en ondersteund door Liz. Pure swing met een enkel uitstapje naar de Old Time-fiddle, maar dat mag want het zijn tenslotte Amerikanen. Zij zijn "exen" van de beste Ierse band van over het Grote Water: Solas. Ook Solas bracht in 2010 een mooi nieuw album uit: The Turning Tide. Solas heeft altijd dat stuwende geluid dat me steeds aan de vroegere Bothy Band doet denken, maar dan toch anders; nieuwer met een heuse drummer zonder ‘log' te klinken. Een cd die maar moeilijk uit m'n geluidsdrager is te weren.

Nog wat "transatlantic" met de Cannadeze Maria Dunn, die op haar vorige cd wat meer Country-Bluegrass mengde met Celtic maar nu met haar The Peddler echt Keltisch is gegaan. Prima cd met mooie eigen songs of in ieder geval geen gekend repertoire.

Om te voorkomen dat dit weer zo'n lang epistel wordt, bewaar ik de Angelsaksische wereld nog even voor later maar ga ik nog wel even naar Schotland voor enkele pareltjes uit 2010.

Ik word nog altijd een beetje opgewonden bij een nieuw album van Dougie Maclean. Ik volg hem al vanaf z'n lidmaatschap bij The Tannahill Weavers en Silly Wizzard. Een lange reeks solo-cd's en nu dan deze laatste cd, Resolution. En ook nu is het weer zwaar genieten met de man. Dougie speelt gitaar, fiddle en de didgereedoo en krijgt weer wat hulp van een viertal medespelers op elektrische gitaar,dobro,drums, flute etc. Het heeft zoals altijd weer een hoog meezinggehalte maar dan meer melancholisch, dromerig voor je uit zingen of tijdens zijn shows als een soort groot koor. Dit keer hier en daar ook een wat pittiger stuk en alles is weer even sterk.

Schotland kennen we natuurlijk van de Marching Pipe Bands, maar dit soort ‘gedoedel' is aan mij niet zo besteed. Charlie Allen is een stevige doedelzakker die zich omringt met stevige, ook bebaarde, boys, type uitsmijter met zware drumkits om hun dikke middel en met hulp van een elektrische gitaar/fluittist. Saor Patrol is een unieke sound voor zware folkies met voorliefde voor die pipes maar niet voor een hele cd lang. Toch is The Stomp minder saai dan de marcherende doedelbrigades. Voor fijnproevers van de oude traditie is er een hele mooie cd van Ewan McLennon, een nieuwe naam naast een geweldenaar als Dick Gaughan maar dan met een traditioneler stemgeluid en een verfijnder gitaarspel en met steun van zangeres Jackie Oates en fiddler Peter Tickel (familie van Kathryn?).
En ook hier gouden ouden traditionals uit Schotland en Ierland maar dan toch "het betere lied" in plaats van Wildrover-achtigen. Speciaal vermeldenswaard is het fraaie stuk"As I roved out", een compositie die ik zelden verkeerd heb horen uitvoeren; zo sterk van zichzelf is dat stuk,vind ik.

Voor puristen gaat Michael Mcgoldrick veuls te ver, maar deze piper/flute player hoort thuis in het rijtje Liam O'Flynn, Dave Spillane, Paddy Moloney en John McSherry. Keltische klanken in een haast fusion-achtige jazzy setting en nergens verkeerd. Aurora is niet anders of beter dan z'n vorige solowerk maar wel weer ijzersterk en in het verlengde van z'n vaste broodheer Capercaillie. Of hij daar inderdaad nog speelt waag ik tegelijkertijd te betwijfelen, want hij heeft nu zijn eigen vaste band met heel veel grote gastspelers. Hij is een echte multiplayer, want naast blaasinstrumenten speelt hij hier ook mandoline, dobro en gitaar en zingt hier het enige lied, "Waterbound", geschreven door OldTime-crack Dirk Powell.

Vlak voor het sluiten van 2010 vond ik nog deze prachtige fusion-cd van snarenwonder Bob Brozman, een soort Ry Cooder in muziekbenadering, musicoloog en inspirator die samen met de eerder genoemde piper John McSherry en fiddle master Donal O'connor de cd Six days in Down heeft gemaakt. Een veel spannender benadering van de Kelten dan Kila. De duidelijk aanwezige bijzondere gitaarsoorten geven een vreselijke swing en drive op sommige momenten en dat in combinatie van twee grote instrumentalisten van het Groene Eiland is een waardige afsluiting van dit alweer veel te lange verhaal over de immer boeiende Keltische muziek.

Tijd om af te sluiten met een belofte voor de Angelsaksische oogst in 2010 op een ander moment.

[terug naar boven]


Sublieme combi van mandoline en contrabas - door Rob van Niele
(bron: Amsterdamse Folkagenda april 2011)

De Badcuyp, zondag 6 maart. Janos Koolen (mandoline) en Lucas Beukers (contrabas) presenteren hun eerste gezamenlijke cd, simpelweg de naam Janos Koolen & Lucas Beukers geheten. Het wordt een gedenkwaardige middag, waarop Janos en Lucas alle 11 door henzelf gecomponeerde stukken van de cd laten horen. Zo eenvoudig als de titel van de cd klinkt, zo uiterst geraffineerd is de muziek zelf. Het is een gebalanceerde mix van stijlen die zich het best laat omschrijven als een jazzy vorm van newgrass, wat weer een moderne uitloper is van het Amerikaanse bluegrass. Janos heeft een bluegrass- en greengrass-achtergrond en Lucas heeft vooral ervaring opgedaan met jazz en swing. Zo is een toch wel gewaagd project van de grond gekomen waarbij ook een grote rol is weggelegd voor improvisatie. Dat is nogal wat, en de muziek laveert zo subtiel tussen folk en jazz dat het een niet al te toegankelijke cd is voor diegenen die alleen van folk gediend zijn. Maar wie bereid is de grenzen te verleggen en openstaat voor muziek die op de scheidslijnen van genres ligt, zal beslist veel plezier beleven aan deze cd. In Amerika is newgrass een muziekstroming die veel grote meesters en volgelingen kent, maar om de een of andere reden is newgrass in Europa dun bezaaid, om maar eens een zeer toepasselijke woordspeling te gebruiken. En helemaal waar het newgrass op mandoline en contrabas betreft. Twee qua formaat en bereik bijna uitersten in snaarinstrumenten. Alleen al om die reden verdient het waardering wat Janos en Lucas presteren. Maar wat ze doen, doen ze ook met geweldig veel enthousiasme en vakmanschap. Dat was te horen en te zien in De Badcuyp. En wie dacht dat de mandoline voornamelijk een pittig tremolo-apparaat is om Keltische muziek op te vrolijken, zal tot verrassende nieuwe inzichten komen.

De cd Janos Koolen & Lucas Beukers is in eigen beheer uitgegeven en te bestellen via janoskoolen@hotmail.com. Zie ook www.janoskoolen.nl en www.lucasbeukers.nl.

[terug naar boven]


The Louvin Brothers - door Herbert Bos
(bron: Amsterdamse Folkagenda maart 2011)

Aanleiding voor dit artikel is het overlijden van Charlie Elzer Loudermilk op 26 januari j.l.

Charlie vormde met zijn broer Ira Lonnie Loudermilk het Amerikaans countrymuziekduo The Louvin Brothers. Charlie speelde gitaar en Ira de mandoline. Maar vooral hun samenzang was zeer bijzonder. Zij beheersten het closeharmony-zingen tot in de finesses. De lage stem van Charlie aangevuld met de kopstem van Ira. Zij begonnen met gospelmuziek onder de naam The Radio Twisters in 1942, maar hun niet-religieuze single ‘The Get Acquainted Waltz' leverde hun eerste succes op. In 1957 wijzigden zij de naam in The Louvin Brothers. De singles ‘When I stop dreaming' en ‘I don't believe you've met my baby' leidden tot hun doorbraak en sindsdien vormden zij van 1955 tot aan 1963 een vast onderdeel van het beroemde wekelijkse (radio)programma in de Grand Ole Opry.

Het drankmisbruik en het opvliegende karakter van Ira maakte daar een einde aan en leidde tevens tot het einde van hun samenwerking en samenzang. Hij was soms zo onder invloed van alcohol dat hij eens tijdens optredens zijn mandoline kapot sloeg. Ook heeft hij geprobeerd zijn (derde) vrouw te wurgen. Hij overleed op 20 juni 1965 - ironisch genoeg - toen een dronken automobilist hem (en zijn vierde) vrouw aanreed.

Na de opheffing van het duo in 1963 is Charlie er in geslaagd als soloartiest actief te blijven ondanks zijn opmerking: "Het is moeilijk om alleen duetten te zingen". Vanaf 1966 tot aan 2010 heeft hij albums uitgebracht in samenwerking met grote sterren zoals George Jones en Elvis Costello.

Charlie is op 73-jarige leeftijd aan alvleesklier kanker overleden.

[terug naar boven]


It's partytime! - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda maart 2011)

Zaterdag 15 januari hadden we weer een samenwerkingsconcert met "De Speelman", violist Crispijn Oomes. En ook nu weer in het supergezellige theater De Cameleon aan de Derde Kostverlorenkade 35 te Amsterdam. Mijn rol was dat van presentator/host en toen ik de zaal bekeek met een klein plukje stoelen, bedacht ik mij dat de organisator bang was dat het orkest voor lege stoelen moest spelen. Maar dat pakte heel anders uit. Rond de aanvangstijd van half negen stroomde de zaal nog steeds vol. De ruimte zonder stoelen was bedoeld als dansgedeelte, maar de grote publieksaanwas begon zelfs stoelen van elders te hamsteren om de lege plek te be-zitten.

Dan toch maar snel mijn aankondiging; een kort woord vooraf en het orkest Nadara Gipsy Wedding Band halen. Nadara is een geweldige Rom- band,bijeengebracht door de Franse Alexandra Beaujard, die, als muzikant, zoveel "Romacontacten" had gelegd dat ze door de gemeenschap aldaar als familie werd beschouwd. Alle leden van deze Nadara Gipsy Wedding Band zijn ook lid van plaatselijk bekende bands, maar vooral hier, bijeengebracht door Alexandra, vormen ze een hechte swingende topklasse band. Naast muzikanten maken ook twee dansers en een danseres deel uit van de show.

De zaal zat tjokvol, zo'n 100 bezoekers en daartussen de nodige "kenners"; muzikanten en dansers uit de Nederlandse folklore wereld. Het Orkest : contrabas,cimbaal, primasz, contraviool, accordeon, zang en saxofoon. Ze brachten met verve bekende en minderbekende Roma melodieën en songs. Soms weemoedig met gedragen klanken, dan weer als een razende wervelwind, als een "drietrapsraket" langzaam, snel naar supersnel. Af en toe konden de "kenners"zich echt niet meer inhouden bij dit vreselijk swingende orkest en zochten de danskant op om een "czardas"of een klapdans te doen. Dan weer trad het dansdeel van het orkest op de voorgrond om de danssfeer erin te houden of nam Alexandra de dans zelf 'ter hand' in plaats van haar kleine accordeon.

Een vol uur achter elkaar spelen en de zaal ging volledig los. Tijdens de pauze had de organisatie allang door dat stoelen hier totaal overbodig waren geworden, dus werd de zaal, met de hulp van het enthousiaste publiek, tot een grote dansvloer omgebouwd. Na de pauze zou men nog een dikhalf uur "danshuis"- dansmuziek spelen, maar Nadara wist niet wat een halfuur precies betekende dus kwam een korte ‘break' om op adem te komen in de zaal en vooral ook op het podium mooi op tijd. Intussen was het mij opgevallen dat enkele bekende muzikanten onder het publiek ‘jeuk' hadden gekregen aan hun vingers en zo zag ik een bekende bassist al gauw mee ‘strijken' met het geweldige gezelschap. Een andere muzikant zag ik in de pauze zijn tambura al vast prepareren want hij voelde een jam "in de lucht hangen".

Met nog een aangeboden drankje en na een goed gesprek met de directeur van het theater, zag ik in mijn ooghoek ook Crispijn aan z'n viool met Nadara de sterren van de hemel spelen, terwijl niemand in de zaal niet danste en er verwoede pogingen werden gedaan om ramen open te krijgen voor wat frisse lucht en temperatuurdaling. Zo'n geweldig feest zie je zelden. Het orkest Nadara had zelf aangedrongen op een concert in dit theater en nam ook het risico dat ze te snel op eenzelfde plek weer zouden komen. Maar dat hadden ze goed ingeschat, getuige het grote aantal bezoekers.

Nog een reden van hun komst was de opnieuw uitgebrachte laatste cd Prince of Gipsy, nu als een fraai boekje-met-cd vol mooie foto's en teksten van het gezongen werk in twee talen. Ik heb de oude versie al, maar het blijft geweldige muziek met die echte ‘staccato'-swing uit Roemenië, maar ook de mooi slepende, trekkende vioolstijl uit Hongarije. De groep komt ook uit de Transylvaanse grensstreek van beide landen. En dan de songs met een mooie hese stem gezongen door Alexandra Beaujard als was ze de "Esme Redsepova" van Roemenië, maar dan met een veel mooiere stem.

Net als op het podium staan er stukken op de cd met een instrument duidelijk op de voorgrond, zoals 'Joc Tiganesc', een echt saxofoonstuk, en 'Hora De Ascultaire', waarin de cimbaalspeler in een race-tempo de raggende stokjes haast kapot slaat. Na zo'n hora met het echte Roemeense idioom is er dan ineens weer zo'n typisch Hongaarse 'czardas suite'. Kortom: een geslaagd album met als een van de vele hoogtepunten, de zeer fraai gezongen Gipsy-lament 'Ando Mui La Kanghejakro', waarbij de extra zanger Ionica Ciorba sterk het geluid heeft van die andere grote roma-stem: Vera Bila, uit de Sinti-Django/jazz-traditie. Prince of Gipsy was op het podium echt Princess of Gipsy, want het orkest werd duidelijk door haar aangestuurd zonder dat ze altijd het middelpunt van de belangstelling zocht en iedereen kreeg de ruimte om te soleren.

Ze zijn alweer weg, op een tournee door Japan, en nu wordt het eigenlijk al weer tijd dat ze komen om nog eens te bewijzen dat ze tot de grote balkanbands van Europa behoren. Nadara Gipsy Wedding Band met hun cd Prince of Gipsy.

Naschrift redactie: op 1 april 2011 treedt Nadara op in de Melkweg.

[terug naar boven]


Alles gaat en komt - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda februari 2011)

Ja, laat ik deze uitspraak maar eens omdraaien zodat het op dit moment beter bij mij past. Op dit moment heb ik mijn werkzaamheden als podiumorganisator van het Mokum Folkpodium voorgoed afgesloten en dat met een zwaar gemoed. Want als de belangstelling voor live-concerten met telkens betere kwaliteitsmuziek van heinde en verre en met pure traditie terugloopt,dan moet je niet te lang tegen de stroom in roeien; dat vreet immers energie. Toegegeven dat we soms op het juiste moment de natuur tegen ons gekeerd zagen - gladheid, mist, dikke sneeuw - maar dat was toch niet de doorslaggevende reden.

Het bestuur is er nog niet helemaal uit, maar als mijn schrijfsels op gedrukt papier staan, gaan de anderen misschien elders verder dus houdt ze in de gaten. Zo aan het einde van 2010 was voor mij een juist moment om te stoppen. Mijn ruim 20 jaar , op en af, zitten er op. Maar is nog zat te doen!
Het radiowerk levert veel mooie momenten op, thuis en in de studio te Abcoude, en een greep uit het aanbod van 2010 is heel lastig omdat ik dan handen tekort kom. Maar toch wil ik er wat uitlichten, al is het alleen al voor de vorm van dit verhaal.

Het eerste uur in mijn Avondland-progamma heeft doorgaans een hoog americana- en folkgehalte gekregen, met oldtime, bluegass en singer/songwriters en een kruising ertussen. Vorig jaar viel mij op dat nostalgie soms ook bij mij op de loer ligt. Good old Jacson Browne had zijn oude makker David Lindley weer opgezocht voor een serie optredens samen met een prima stel Zuid-Amerikanen (of Chicano's). Het leverde een uitstekende dubbelaar op met de titel Love is Strange, vol schitterende gouwe ouwe Jacson-krakers in een akoestisch jasje. Ook Natalie Merchant bracht, na eeuwen, weer een gave dubbel-cd met meer traditionele stijlen dan dat ze ooit heeft gebezigd, maar nog wel de nadruk op haar americana roots.De cd heet Leave your sleep. Nog een vrouw van klasse is Mary Gauthier, met haar hartverscheurend intieme album The Foundling, over haar verleden. En ik heb vorig jaar mogen genieten van de strakke-pakken-heren, de Chatham Countyline in Paradiso en ook hun Wildwood is zwaar genieten. Pittige bluegrass-nieuwe stijl,maar nog wel met z'n vieren rond een richtmicrofoon zoals in de 50'er jaren goed gebruik was. Ook de newgrass-stijl, de wat meer jazz-en avantgarde getinte bluegrass, leverde weer een aantal pareltjes op in 2010. De nieuwste cd Some Stranger van Crooked Still is weer pittiger en swingender dan z'n voorganger, zonder de subtiliteit en ingetogenheid te verliezen; mede door de engeltjesstem van Crooked zangeres Aoife O'Donnnel. En wie van zo'n stem en stijl houdt, moet ook eens luisteren naar het samenwerkingsproject Black Prairy, die in dezelfde visvijver bezig is met hun Feast Of The Hunters Moon, maar qua sound wat sterker leunt op de accordeon en het dobro-geluid en naast de newgrass ook wat bluesachtig en Franse klankkleur laat horen. Hemelse klanken.

Een mooie brug naar de nieuwe muziek van Ernst Jansz, ooit lid van de eerste American folkgroep in Nederland (denk ik).Toen waren de jongens al bezig met Ome Bob en op de nieuwe Ernst Jansz staan twee handen vol fraaie stukken van mr. Zimmerman, die hij zelf prima vertaalde en heel fraai inzong. Nu toch in Nederland aangekomen maar iets minder subtiel dan Ernst is de mix van TexMex en "boerderij"muziek van Boh Foi. Toch, na jaren weer opnieuw vreselijk swingend de baan op met hun prima cd Gewoon Verdan. En op de grens 2009/2010 verscheen er ook een fraaie moderne cd vol spannend uitgevoerde, haast Keltisch gespeelde, vaderlandse folk van Groef en je moet dan terecht "groove" zeggen, want zo klinkt' ie ook. Passend bij het balfolkpubliek. Zelden zo'n modern swingende groovy "Jan Mijne Man" gehoord of "Mitte Confitte" die zo de dance-scene in kan. Ook uit Nederland maar goed geluisterd naar Fairport Convention, heeft ex-Ygdrassill-zangeres Annemarieke Coenders samen met Wim Sebo een hele goede cd gemaakt met soms zeer verrassende liedjes. Niet verassend, maar van constant hoge kwaliteit is de nieuwe cd Deze Jongen van Gerard van Maasakkers. Ik blijf maar geen genoeg krijgen van deze zanger. Nu maar weer smachtend wachten op het moois wat ons dit jaar weer zal brengen.

Het tweede uur van mijn radioprogramma "Avondland" is meestal besteed aan balkan, fado, rebetika en andere culturen van binnen en buiten Europa, en 2010 bracht mij ook op dit onderdeel van het programma veel fraais voor de ether, band en pc-frequentie. Op fado-gebied een mooie live-registratie van die prachtstem en -verschijning Anna Moura: Coliseu. En in Spanje kwam er ook weer een hele mooie cd uit van Maria Dell Bonet m.m.v.Orquestra Simfonica De Balears. Zij vertolkt doorgaans graag Moorse liederen uit het Spaanse verleden, maar nu bracht ze meer liederen van de zeekusten waarvan enkele werken van Mikis Theodorakis met haar aparte falsetstem. Ook met het Griekse idioom maar dan meer Epirus/Macedonisch en Kretens is de mooie cd van de groep Shira U'tfila, Beviendo En kantando/Live As A Song, een verrassing voor mijn etnografische plaatsing van de muziek, want zij brengen oude Ladino-songs van de Balkan (en nu eens niet van het Iberisch schiereiland). De tweede schijf van deze dubbelaar laat de historische opnamen uit de 30 'er jaren horen, naar welke stukken ze hun versie hebben gemodelleerd en gemoderniseerd. Maar nog wel met ud, viool, quanun en Balkan-percussie. Fraai gezongen Sefardische liederen van de Balkan. Pas ontdekt en zeer goed bevonden is de moderne folk van de Griekse rebetika-achtige zangstijl van Makis Seviloglou. Sterk leunend op drums, accordeon, orgel, viool en bouzouki met een mooie warme stem die mij ergens aan Dalaras doet denken.

Veel prima Balkan brass komt o.a. uit Frankrijk, zo ook deze swing van La Caravane Passe en hun Ahora In Da Futur-cd die hun Balkan ook wel met reggae en Hongaarse Gypsy mengen en met verfrissend resultaat.

Sandra Weigl heeft weer een andere invalshoek gekozen. Ze heeft goed geluisterd naar het Roemeense idioom en samen met de geluidskunstenaars Marc Ribbot, Glen Velez en multi-instrumentalist Anthony Coleman een hele mooie Roemeen gebaard. Nog meer naar het Oosten en je komt bij de Russische Tartaren. En Zulya is een jonge nazaat van ‘t volk en woont "down under". Haar Australische roots hebben het prachtig mengsel van brass, "Berlijns gevoel" en Tartaarse volksmelodieën en songs in avantgarde gedoopt en zwoelgezongen opgediend in het Engels en Russisch (?). Te vinden op haar cd Tales Of Subliming.

Ver weg naar het verre Oosten maakt de Tuva-groep Hangai (Binnen-Mongolië) het weer helemaal met hun boventonen en hun grunch-achtige zangtechniek, hun authentieke vedels, omringd door hedendaagse rock/gitaren. Maar toch Chineesachtig traditioneel (hier en daar) op hun cd He Who Travels Far.

Er kwam vorig jaar weer teveel uit om verslag van te doen. Tenslotte wil ik elke week proberen om veel nieuwe cd's voor te schotelen aan m'n luisteraars, en ik kan het niet vaak genoeg zeggen, de Amsterdamse Centrale Bibliotheek helpt mij daar behoorlijk mee. Ook dit jaar weer bedankt!

Ook het Afrikaanse continent bracht ons weer veel moois. Bijvoorbeeld Salif Keita en z'n La Différence krijgt veel bijval op de burelen (nu ja burelen?) van Mokum Folk. Ik ga ook voor de prima fusion van beroemde kora- en ngoni-spelers uit Senegal en Mali samen met Buena Vista leden uit Cuba, Tezamen terug te vinden onder de toepasselijke naam Afrocubism.

Uit Italië wil ik toch even de mooie sound van Mirco Menna & Banda Di Avola noemen; volle brass met verhalende stem, uitstekend met je ogen dicht jezelf verplaatsend met een bruisende Chianti onder een olijfboom tijdens mijn muzieksessie thuis. Terwijl ik de meeste olijfbomen toch in Zuid Spanje zag, maar weer niet waar de Noord Spaanse groep Berroguetto vandaan komt. Lang niets meer van ze gehoord, maar nu is er dan weer Kosmogonias, een cd-ode aan de hemellichamen, vertolkt op o.a. draailier, fiddle en gaita, de Noord-Spaanse doedelzak, plus nog wat moderne instrumenten er omheen natuurlijk.

Ook lang niet meer gehoord en dichter bij huis is deze Ougenweide; mooie medieval folk met neo-klassieke klanken op hun cd Herzsprung.

En een keer per maand besteden we alle aandacht aan de groene eilanden aan de andere kant van de Noordzee. En "we" zijn mijn technicus Harold Prijn en "vaste gast" Hans Nas en dus wil ik ook op papier de nieuwe 2010 cd's uit die werelden apart behandelen want ik krijg een lamme schrijvershand en u waarschijnlijk zeer moede ogen van dit lange verhaal.

Ja, een lofzang voor al die mooie schijfjes vol vakantiegeluiden van verre culturen; ook als je een fanatieke wandelaar bent, want voor zo'n type is zelfs Vlaanderen nog een eind lopen.

Tot volgende maand!

[terug naar boven]


BBC brengt wereldmuziek in kaart - door Rob van Niele
(bron: Amsterdamse Folkagenda januari 2011)

In een tijd waarin de aandacht voor wereldmuziek in de media alleen maar afneemt, is gelukkig soms ook nog iets positiefs te melden. Een van die lichtpunten is het feit dat de Britse omroep BBC enkele maanden geleden ertoe is overgegaan om alle radioreportages die de omroep de laatste jaren heeft gemaakt over wereldmuziek, op haar website te plaatsen. Wie een kijkje neemt op de World Music Archive van de BBC, zal daarom aangenaam worden verrast. Meer dan honderd uur aan reportages uit 40 landen, gemaakt vanaf het jaar 2000, zijn op overzichtelijke wijze letterlijk in kaart gebracht. Een ware aanwinst voor de liefhebber.

Op een wereldkaart is een groot aantal "knoppen" aangegeven, verspreid over de continenten, die ieder toegang geven tot de diverse reportages die in de desbetreffende regio zijn gemaakt door BBC-verslaggevers Andy Kershaw en Lucy Duran. Door op een reportage te klikken kan men het programma op de pc beluisteren. Ieder programma wordt kort beschreven op de site. De meeste programma's duren een uur. En zo komt een heel scala aan volksculturen aan bod, van de Amerikaanse Appalaches tot de Argentijnse Humahuaca-vallei, van Corsica tot Mozambique, van Bali tot Georgië. De reportages zijn zorgvuldig opgebouwd, zoals we van een omroep als BBC gewend zijn, en hebben de juiste dosis diepgang en zelfs spanning. Dat laatste is een verdienste van het medium. Omdat radioreportages meer aan de verbeelding overlaten, weten ze de aandacht meestal beter vast te houden dan menig televisieprogramma.

De World Music Archive herbergt een schat aan interessante verhalen over muziekculturen die anders maar zelden door Westerse media op serieuze wijze worden belicht. En omdat het dus op een website staat, kan de geïnteresseerde op ieder gewenst tijdstip zelf op ontdekkingsreis gaan. En waar het natuurlijk vooral om gaat, er valt veel oorspronkelijke muziek te beluisteren. Heel bijzonder!

Een goede tip voor de lange, donkere winterdagen misschien? Ga er maar eens lekker voor zitten: www.bbc.co.uk/radio3/worldmusic

[terug naar boven]


The New Celtic - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda december 2010)

Het wordt weer tijd voor een schijnwerper op het eiland aan de andere kant van de Noordzee. Een eiland is door de ligging vaak een stuk land met een groot cultureel besef en daarin ietwat behoudend van oorsprong. Maar ook in Engeland zijn natuurlijk moderniteiten doorgedrongen. Het valt mij op dat ik de laatste tijd veel muziek hoor van onbekende-grootheden-van-nu in een stijl en sfeer van de muziek van mijn jeugdige leeftijd;en dat is toch al lang geleden. De man of vrouw met gitaar à la Bob Dylan, Ralph McTell of Christy Moore etc. etc. Noem het maar "retrofolk". Niets nieuws onder de zon behalve dat ik soms denk dat wat stemvorming van tevoren eer er "publiekgericht"gewerkt wordt geen overbodige luxe zou zijn. Aan de andere kant hoor ik ook interessante "soundverbreding" in navolging van bijvoorbeeld The Incredible Stringband. Joanna Newsom is zo'n muzikante met veel talent. Uit de grote stroom cd's wil ik er twee uitlichten. De eerste is van de nieuwe lichting en de tweede al heel lang meedraaiend en allebei vernieuwend en uit Schotland.

Alasdair Roberts is nog een tamelijk nieuw talent en ik ken hem al van zijn eerdere albums The amber gatherers en Spoil. Daarop kwam hij al over als een eigenzinnig mens met een eigen sound en eigen liedjes. Maar wel folk, dat zeker. En dat wordt nu dik onderstreept met deze nieuwste To long in this condition, want deze cd sluit het beste aan bij de oude traditionele albums. Veel stukken van de 12 tracks zijn oude bekenden, soms ‘oude vrienden' die in een zoveelste versie langskomen. Maar op een of andere manier klinken ze allemaal alsof hij ze zelf heeft geschreven; zo natuurlijk.

Zijn 'friends' zijn tien prima muzikanten, ook allemaal uit Glasgow, en klinken tamelijk ‘rafelig', maar daardoor juist heel modern. Een beetje zoals The Stones hun rock rafelig doen klinken, maar dit is geen rock. Een beetje zoals de eerder genoemde Robin Williams & the Incredible Stringband; ook qua zang. Het boekje geeft veel prijs van hoe de keuze van het songmateriaal tot stand kwam en met welke intentie. Ook vind je daarin de tuning en de inspiratiebronnen van elk stuk. Een boeiende 'groeibriljant' die bij elke draaibeurt meer en meer voelt als een oude jas die je altijd automatisch aantrekt omdat ‘ie gewoon lekker zit.

Michael McGoldrick volg ik al jaren. Een inspirerende piper en flute player, eerst als lid bij Lunasa op hun eerste twee cd's,daarna als oprichter van de fluitformatie Flook, vervolgens als gastspeler bij de formatie Capercaillie en weer later op de loonlijst van laatstgenoemde. Daarna solo-cd's of in duo met die andere masterpiper, John McSherry. Intussen heeft Michael nu zijn eigen band, waarin ook enkele Capercaillie-leden hebben plaatsgenomen. Net als bij zijn vorige cd, Wired (2005), is de gastenlijst op zijn nieuwe cd Aurora weer lang en indrukwekkend met grote namen als de broertjes Donal en Manus Lunny, John McCusker, Brendan Power en nog vele andere bekenden. Een heel groot verschil met Wired kan ik niet ontdekken, maar met deze stijl hoeft dat (nog) niet want het enthousiasme en de intensiteit spatten er weer vanaf.

Hoe je deze muziek moet omschrijven, weet ik eigenlijk niet; het is verre van traditioneel als bijvoorbeeld The Bothyband, Planxty, De Dannan, etc. Het is, zeg maar, ver voorbij de sound van Capercaillie. Als ik een label moest plakken zou het "Irish (jazz) fusion folk" worden. Drie bijzondere momenten op de cd geven een beeld: het puur Ierse 'Late night at the central', met een subtiele marimba-begeleiding achter fantastisch fluit- en uilleanpipe-spel, en Donal lunny op de bodhran. 'Annam Cara' mondt uit in een geweldige trompetsolo en een fraai lied met Amerikaanse wortels van de oldtime-grootmeester Dirk Powell, aangedragen door John Doyle. 'Waterbound' zingt hij zelf, in duet met Heidi Talbot. Ik houd nu eenmaal van zangstukken ter afwisseling, of andersom waar songs de cd moeten dragen.

Eigenlijk staan er geen kwalitatief mindere stukken op deze cd Aurora, en zelfs de hoes is een plaatje. Naast veel koper horen we ook weer de tabla; deze keer van Parvinder Bahrat. De stevige bas en drum geven de kracht en intensiteit, maar overal blijft de Celtic Folk de belangrijke factor en verbinder. Twee moderne folk-cd's en allebei een belofte dat de Folk nog lang niet in de geitenwollensokkenmand terecht is gekomen. Twee totaal verschillende cd's, dat wel, maar de toekomst voor de folk is zeker gewaarborgd.

Alasdair Roberts & Friends - Too Long In This Condition, Navigator records 2010
Michael McGoldrick - Aurora, Vertical records 2010

[terug naar boven]


Stargazer, een lichtpunt in donkere dagen - door Rob van Niele
(bron: Amsterdamse Folkagenda december 2010)

Doordat een andere voor het Mokum Folk Podium geprogrammeerde groep moest afzeggen, kregen we Stargazer als vervanger aangeboden. De band bestaat uit Janos Koolen (mandoline, gitaar, zang), Anneke Eijkelboom (viool), Stijn van Beek (uillean pipes, low whistle) en Kaspar Laval (bouzouki, low whistle, zang). Joop, de programmeur van onze podiumactiviteit, liet zich deze kans niet ontgaan. Hij had Stargazer immers bezig gezien in Mulligans en in een Iers programma van bandoneonist Carel Kraayenhof. De muzikanten hebben allen al een naam gevestigd in de folk en spelen individueel in diverse ensembles. Op vrijdag 19 november is het dan zover. Door Joops enthousiasme is mijn nieuwsgierigheid gewekt. Al na enkele minuten ben ik ook in de ban van dit viertal.
Stargazer behoort tot een nieuwe generatie van vertolkers van het Ierse geluid. Hun muziek ademt niet direct de sfeer uit van pittoreske kroegjes waar de Guinness en de whiskey de schorgezongen keelgaten smeren, of van de lieflijke groene heuvels waar je de geur van turf kunt opsnuiven. En ook niet die het volk dat daar woont en dat in vroeger tijden, toen het leven kommer en kwel was, zijn troost putte uit een rijke muziektraditie. Wat blijft er dan aan Iers over in de muziek van Stargazer, vraagt men zich af? Zonder die typische Keltische ingrediënten is die toch zeker zielloos? Niets is gelukkig minder waar. Stargazer klinkt op en top Iers. De instrumenten en de tunes - jigs, reels, slow airs, ballads, etcetera, waaronder veel traditionals - zijn zo Iers als maar kan. Maar het zijn de arrangementen en de bewerkingen van de nummers die hun muziek ontdoen van het sjabloonmatige, het voorspelbare. Daarmee overigens niets ten nadele van de traditiegetrouwen, maar af en toe is het niet verkeerd om wat raampjes open te zetten en de tent even te laten doortochten, zullen we maar zeggen. Verder laat Stargazer zich net zo gemakkelijk inspireren door de Ierse muziek, als door traditionele en iets minder traditionele muziek uit Spanje, Frankrijk en de VS, waarbij alle vier de bandleden tunes schrijven vanuit hun eigen voorkeuren.

Op het Folk Podium speelt Stargazer ongeveer 15 stukken, waaronder traditionals als "Oisin's Slip Jig" "Tar Road to Sligo", "Mom's Jig of Crowley's", maar ook exotische stukken met namen als "Castiliano's", "Aspropoupoule" of "Hazebrouck au Matin". Dit wordt aangenaam afgewisseld met sterke eigen composities, bijvoorbeeld "Meet the Boss" of "1000 Parkieten". Een enkele keer wordt er gezongen, zoals op "Veins of Coals" en "Night Visiting Song", maar de meeste nummers zijn instrumentaal. Wat daarbij opvalt is dat de nummers geraffineerd zijn opgebouwd, waarbij de bouzouki een spannende intro opbouwt voor of een lekker pakkend ritme legt onder de solo's van de uillean pipes of de low whistle. De band speelt bij deze gelegenheid zonder elektrische versterking, en het is verbazingwekkend hoe goed de sound en het bereik van de mandoline - zelden heb ik iemand zo mooi op dit instrument horen spelen als Janos - overeind blijven pal naast die van de uillean pipes. Geen van de instrumenten overheerst, iets wat toch volledig is toe te schrijven aan de uitstekende beheersing van de speeltechnieken. Stargazer speelt ongedwongen en ontspannen, maar tegelijkertijd geconcentreerd en gedisciplineerd De muziek komt daardoor fris en naturel over en wordt nooit 'behang'.

Is er dan echt geen enkel minpuntje te bedenken? Nee, eigenlijk niet. Of het moet zijn dat die eerste cd van Stargazer er allang had moeten zijn. Er wordt aan gewerkt, wordt mij naderhand meegedeeld. Wat jammer dat zo weinig mensen de moeite wilden nemen om dit optreden bij te wonen. Zo'n band verdient volle zalen. De mensen die er wel waren, zijn daar goed voor beloond.

[terug naar boven]

 


In memoriam Ruud de Jonker
(bron: Amsterdamse Folkagenda november 2010)

Op 1 oktober 2010 is Ruud de Jonker na een ziekbed van enkele maanden overleden. Een hele goede vriend van Mokum Folk, als muzikant maar vooral als mens, is heengegaan. Ruud is slechts 62 jaar geworden.

Vele jaren is Ruud een grote motivator van Stichting Mokum Folk geweest. Met zijn zang en formidabele gitaar-, accordeon- en autoharpspel heeft hij op onnavolgbare wijze de theorie van Mokun Folk in de praktijk gebracht. Hij was altijd bereid om muziek voor ons en met ons te maken. Op evenementen als de Uitmarkt en de Dag van het Park, op samenspeelmiddagen, zangavonden en talloze Mokum Folk-podia, op verjaardagen, jubilea, botendagen, zangweekends, bruiloften en begrafenissen. In cafés, buurthuizen en verzorgingscentra. En bij vrienden thuis. Waar Ruud klonk, was de sfeer altijd aangenaam en gezellig. Vaak ook uitbundig, want er moest ook gelachen kunnen worden, zelfs op ernstige momenten. Maar altijd op oprechte toon. Ruud voelde zich in vele gezelschappen thuis, maar wilde nooit het middelpunt zijn. Dat hij dat soms wel was, tegen wil en dank, kwam vanwege zijn niet te evenaren kennis van (en liefde voor) muziek en zijn muzikale vindingrijkheid. En soms ook vanwege zijn spitsvondigheid en opmerkzaamheid. Toch was hij waarschijnlijk het best in zijn element met zijn muziekmaat Chiel Hessel, met wie hij drie decennia het duo VAAG vormde. Een foto van VAAG siert onze homepage.

Ruuds overlijden laat een niet te vullen leegte achter. Onze grote dankbaarheid voor alles wat hij voor ons heeft betekend, kan die leegte niet vullen. We troosten ons met de vele prachtige herinneringen aan deze bijzondere man die ons uiterst dierbaar was.

De uitvaart, die geheel volgens Ruuds wens een passend muzikaal karakter heeft gekregen, vond plaats op donderdag 7 oktober. De belangstelling, ook uit de hoek van Mokum Folk en "de Zeedijk", was overweldigend.

Mokum Folk wenst Louise en Ruuds kinderen, kleinkinderen en andere naasten heel veel sterkte toe.

[terug naar boven]


OUDHOLLANDSE ANONIEME MUZIEK - door Cor van Sliedregt
(bron: Amsterdamse Folkagenda september 2010)

In de 17de en 18de eeuw zijn in de Lage Landen slechts enkele componisten bekend: Sweelinck, Fiocco, Nic. Vallet, Joachim van den Hove., Jacob van Eyck etc. Maar er werd ook muziek gemaakt in herbergen en kroegen, daar musiceerden speelmannen. Dezen hadden soms een baantje als muzikant in de schouwburg en/of ze gaven les aan gegoede burgers. De viool was meestal het hoofdinstrument, de solist, soms bijgestaan door een blokfluit, hobo of traverso (de houten dwarsfluit); begeleid door een cello of contrabas, een hakkebord, cister of luit.

Dit repertoire van honderden melodieën uit diverse bronnen is ten dele vastgelegd in drie verzamelingen: 1. Oude en Nieuwe Hollantsche Boerenlietjes en Contredansen, 2. Hollantsche Schouburgh en 3. De Nieuwe Hollandsche Schouwburg. De laatste twee verzamelingen zijn heruitgegeven bij uitgeverij Drie Koningen, Enkhuizen.

[terug naar boven]


THE OLD CROW MEDICINE SHOW IN NEDERLAND - door Herbert Bos
(bron: Amsterdamse Folkagenda september 2010)

Ik hoorde dat deze band in Nederland is en wel op 18 september in Groningen (optreden in het kader van het TakeRoot Festival) en op 26 september in Amsterdam Zuid Oost (voorprogramma Mumford & Sons - een folkrockband uit Londen). Een mooie gelegenheid om eens iets in de Folkagenda te schrijven over deze nieuwe old-time groep. Echt tradionele old-time is het niet (meer). Ze zijn wel als old-time groep begonnen, maar hun latere albums zijn minder traditioneel. Ze gebruiken nog wel de bij old-time horende instrumenten.

Bezetting is nu: Ketch Secor (zang, viool, mondharmonica en 5-stringbanjo), Wille Watson (gitaar), Kevin Hayes (banjo, gitaar), Morgan Jahnig (bas), Gill Landry (dobro) en Critter Fugua (op de recente albums, drums).

The Old Crow Medicine Show werd opgericht in 1998. Hun grote doorbraak was in 2000 toen de dochter van Doc Watson (Boone Drug) in het publiek zat en de groep introduceerde bij haar vader. Die nodigde de groep uit om te spelen op het MerleFest Festival (een festival genoemd naar de overleden zoon van Doc Watson). De echte doorbraak was in 2001 na hun optreden in the Grand Ole Opry in Nashville. In 2006 kwamen pas de eerste twee albums uit, geproduceerd door David Rawlings (partner en gitarist van Gillian Welch).

Inmiddels heeft de groep 6 albums uitgebracht. Niet meegerekend een zevental EP's. EP's (Extended Play) waren in de tijd van singles op vinyl, 45-toeren plaatjes met vier nummers. Op EP-CD's staan ook maar vier nummers, dus waarom deze ‘extended' worden genoemd, is mij niet duidelijk. Ze zijn in Nederland niet te koop. De prijs ervan is ongeveer de helft van een volledige CD, dus daar zal hier wel geen markt voor zijn.

De muziek van de groep ontwikkelde zich van tradionele old-time naar meer folkrock-achtige muziek. Moeilijk te omschrijven, maar zeer boeiend. Ik zou zeggen ga luisteren naar the Old Crow Medicine Show in Amsterdam of Groningen.

[terug naar boven]


WENNEN - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda september 2010)

De wereld wordt steeds meer een dorp. Tradities vermengen zich onderling en met trends en nostalgia. En nu lag er dus zo'n voorbeeld op de Mokum Folk-burelen ter bespreking van ons blad. Ik kreeg de eer om er mijn mening over te vellen. "Jij bent er geweest, dus jij hebt er verstand van!", werd mij door het bestuur te verstaan gegeven. Maar ik weet niet alles heren!

Maar dan nu de cd, Rishte : De zangeres Najma Akhbar met de meestergitarist Gary Lucas; beiden al een lange staat van dienst. Vooral Gary is een actief menneke met vooral folk/blues-georiënteerde muziek. We kunnen hem kennen als medewerker bij Captain Beefheart, Iggy Pop, Nick Cave en Jeff Buckley; niet de minsten, zou ik zo zeggen. Nog niet zo lang geleden vond ik nog een prima blues georiënteerde cd van de man, natuurlijk bij mijn geweldig gesorteerde Centrale Bieb. Najma is vanuit haar Indiase cultuur heel avontuurlijk bezig geweest bij artiesten als Jah Wobble, Andy Summers, Jethro Tull en het Zepp-duo Page & Plant. Van Najma heb ik een cd Forbidden Kiss; een hommage aan S.D. Burman, de "Ennio Morricone" van de Hindi- of Bollywood-films. Zij is Engelse en hij Amerikaan.

Haar kindstemmetje is exemplarisch voor heel veel muziek naast films en Raga's. Dankzij mijn vier maanden lange reis door Noord-India heb ik wel een overdosis "kindstemmetjes" gehad en een hele traditionele cd vol met zo'n stem is mij iets teveel van het goede. Maar met een spannende invulling van de begeleiding blijft het wel boeien. Zo ook bij deze cd Rishte uit 2009, al moet ik vaker luisteren dan even vluchtig door deze cd ‘scannen'.

Het boekje geeft van elke track een wat bombastische, new age-achtige toelichting over de diverse liefdesperikelen in het leven van vrouw naar man en andersom (neem ik aan). Maar geen teksten en dus moeten we het doen met haar prachtige Indiase stem. Drie tabla-trommelaars verdelen de 11 tracks, maar als niet-kenner van die percussietechniek hoor ik geen verschil. De veelal akoestische gitaarinvulling is best wel spannend, maar vooral laid-back ingevuld met allerlei extra effecten er doorheen geweven. Je hoort duidelijk dat het een "blues player" is.

Door ‘multitracking' hoor je hem op diverse gitaren tegelijk spelen. Bijvoorbeeld in 'Behaal' wordt het elektrisch scheuren geblazen en vooral bij het langere 'Who Dhin' in langzaam bluesschema neemt de elektriek het helemaal over en hoor ik vage J. Hendrix-geluiden en waan ik mij ook even in de periode dat Pink Floyd Relics of Umma Gumma uitbracht. Deze muziek past uitstekend bij het hippy-achtige hoesje waarmee de doelgroep klaarblijkelijk gevonden is. De trend is de hippienostalgie uit mijn jeugd en die was fijn.

Gary kent z'n bluesklassiekers en laat Najma 'Special Rider Blues' van Skip James zingen, maar met zo'n kindstemmetje de blues zingen komt mij ietwat ongeloofwaardig over. Ja, de blues, American folk en de Indiase cultuur moeten nog wat langer aan elkaar snuffelen en zelfs twee stukken met viool maken de cd wel genietbaarder maar het blijft wennen.

Op zondag 26 september om 20.30 uur kunt u deze spannende combinatie horen in Paradiso. Laat u voor € 15, - overtuigen!

Ik zet de cd nog eens op want slecht is de cd niet; wel wennen.

[terug naar boven]


DE KROON OP DE SAMENWERKING TUSSEN MAALSTROOM EN JO FREYA - door Rob van Niele
(bron: Amsterdamse Folkagenda september 2010)

Het afgelopen seizoen zijn we flink verwend met optredens van de band-met-een-eigenzinnig-Iers-geluid Maalstroom, dat voor hun lopende project is versterkt met de Engelse (Blowzabella) folklady Jo Freya. Vorig jaar september beschreef ik de aftrap van hun landelijke tournee, waarbij ze onder andere het Folkwoods-festival in Eindhoven, editie 2009 dus, zouden aandoen. Voorafgaand daaraan heb ik Jo geïnterviewd voor de Folkagenda. Nu, zo'n beetje aan het eind van een succesvol tournee, komt de cd uit waar menig Maalstroom-volger lang naar moet hebben uitgekeken. Deze bezegeling van de Nederlands-Engelse samenwerking heeft de net zo korte als toepasselijke titel Meet meegekregen.

Eerlijk gezegd betrapte me erop dat ik niet zo heel nieuwsgierig was naar deze cd. Niet omdat ik iets tegen de muziek of de band zou hebben. Integendeel, ik ben vertrouwd met het geluid van Maalstroom en heb de band aan het begin van hun tournee redelijk intensief gevolgd. Maar daar lag juist mijn 'probleem'! Ik ken de muziek al, dacht ik. Wat heeft de cd daar nou nog aan toe te voegen? Bovendien is Maalstroom een band die je vooral live wilt meemaken. Gelukkig pakte het allemaal anders uit. Al bij de eerste noten van Meet, van het nummer 'Musicport', wordt mij duidelijk dat de cd een geheel eigen bestaansrecht heeft. Doordat hoorbaar veel zorg is besteed aan de opnamen, valt nu, veel meer dan in een live-setting, de speeltechniek op en vooral het raffinement van de arrangementen. Niet alleen is de band blijkbaar verder gerijpt na de voorganger Open window (2008), ook hebben ze met Meet de lat voor zichzelf nog hoger gelegd. Natuurlijk doen ook de mooie zang en saxofoonpartijen van Jo (ze doet ook mee op klarinet en fluiten) wonderen. Een groot verdienste van deze bezetting is verder dat ze een uitstekend gevoel hebben voor compositie en tempowisseling. Ook dit valt op de cd meer op dan tijdens een live-optreden, waar het oor moet wedijveren met het oog.|

Zo is Meet een gevarieerd en samenhangend album geworden, met naast frisse bewerkingen van traditionals, zoals 'Bras Sailing', of de Burns-klassieker 'Green grow the rushes oh', vooral veel eigen werk. De instrumentale medley 'Song for Leon' en de vrolijke 'Thyroid jig' zijn fraaie eigen stukken. Ook vocaal is het allemaal dik in orde. Zanger Job Cornelissen is een sterke troef. Een nummer als 'Everybody has a tale to tell' maakt duidelijk dat hij behoorlijk geschoold is in de Britse en Ierse zangtradities. Violist Gilles Rullman heeft ook een prettige zangstem, maar doet misschien iets té zeer zijn best om een Ierse 'r' in 'Bras Sailing' neer te zetten. Een kniesoor die daar op let, maar ja, als er verder weinig op de muziek valt aan te merken, ga je over dit soort dingen zeuren. Maar laat één ding duidelijk zijn: met Meet bewijst Maalstroom "with English reinforcement" tot de top van de Nederlandse folkbands te horen.

[terug naar boven]


DE OUDERWETSE BLUES - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda augustus 2010)

Op de burelen van onze stichting komen soms cd's binnen waar de makers een mening in onze agenda over willen hebben; "platen pluggen op papier" zogezegd en geschreven. Soms is het voor mij lastig om niet negatief te zijn over hetgeen mijn gevoelige oren teistert qua muziek. Ik wil graag positief en enthousiast onze lezers een goede suggestie aan de hand doen.

In het geval van deze cd is het probleem(pje) van een andere orde. Is dit wel muziek waar Mokum Folkers zich bij thuis voelen? Als iemand ons hardrock, bebop, triphop, dance, trance etc. toezendt dan moet dat een vergissing zijn van de zender. Of iemand die met een schot hagel aan melodieën op een recencent schiet in de hoop dat een flard muziek toch nog positief bij de luisteraar binnenkomt. Het betreffende bestuurslid gaf mij deze cd met de opmerking "Wat moeten wij met pop in ons blad?". Hij had de cd al even in huis en schonk er weinig aandacht aan.

Bij het openen van het pakketje zag ik direct waarom we deze cd wel kregen toegestuurd, want het betreft een betere cd in het genre blues. Nu zijn er vele vormen van blues volgens mijn kennis. De Grieken hebben de blues die rebetiko heet. De Portugezen noemen fado de blues en dat geldt ook voor de Kaapverdische morna-muziek. En op de Balkan wil men de Bosnische evdah-muziek ook wel blues noemen.

Blues is een gevoel, maar wat iedereen hier "de blues" noemt, denkt aan Amerikaanse blues en sinds enkele jaren weten we nu ook wel dat de bakermat in Afrika (Mali) ligt. Voor mij is bluesmuziek dus ook volksmuziek; muziek voor en van het volk.

Wat ik uitpakte was een nieuw product van een van Nederlands beste bands: Barrelhouse. De groep heeft in de loop der jaren een geheel eigen geluid weten te maken en dat komt ongetwijfeld mede door de geweldige stem van Tineke Schoemaker. Barrelhouse is in hun sound ook meegegaan met de moderne wereld. Ik heb altijd het idee gehad dat hun blues dichtbij de jazz stond door de manier van zingen en ook in de begeleiding. Ook schuwt de band het experiment niet. Op Time Frame uit '98 speelt men een standard als "Hard time killing floor" in een vreselijk mooie setting met boventoonzang en vedelstrijk van de Tuvaanse groep Altai Hangai. En op Walking In Time uit 2002 weet de band de oude Angelsaksische folksong "Parting Glass" om te smeden tot een echte blues met een jazz-accent. Barrelhouse heeft niet het standaard bluesgeluid zoals zovelen, maar is wel in staat om op deze nieuwe cd, Vintage Blues, het authentieke bluesgeluid van "the early days" te laten klinken zoals het ooit ontstaan was. Waar nu iedere band lijkt te flirten met strakgepolijst werk of moderniteiten in de huidige popblues, grijpt Barrelhouse verrassend terug naar de essentie van de blues op Vintage Blues. Het is een verzameling blues-standards van de grote namen uit de begintijd van de blues. Blues van grote namen als Muddy Waters, Sonny Boy Williamson, BB King, Billie Holiday, Willy Dixon, John Lee Hooker en ook Hank Williams, Leroy Carr en nog enkelen meer.

"Oud werk", zul je zeggen, maar wel weer zo verfrissend neergezet dat je het echte oude werk er haast niet meer achter hoort in je hoofd. Verrassend en bijzonder is hun versie van Holiday's "God bless the child" met kale banjobegeleiding. Ook fraai is de echte pianoblues "Midnight hour blues" van Leroy Carr. Het hoekige van John Lee Hooker in diens "Ground hog blues" en ook de iets snellere versie van Willy Dixon's "Spoonful" werkt verfrissend. Alle stukken tesamen maken dat ik weer zin krijg in het luisteren naar die oude bluesvorm. Oud maar nergens een vlokje stof te ontdekken. En met veel respect en plezier gebracht op deze nieuwe Vintage Blues van de immer spetterende Barrelhouse.

[terug naar boven]


YOUSSOU N'DOUR BLIJFT OVERTUIGEN - door Rob van Niele
(bron: Amsterdamse Folkagenda augustus 2010)

Op 19 juli trad de Senegalese superster Youssou N'Dour samen met zijn vaste begeleidingsband Super Étoile de Dakar op in een bijna uitverkochte Melkweg. Het was een eenmalig concert in Nederland, ter promotie van zijn eerder dit jaar uitgebrachte cd Dakar Kingston. De zwoele zomeravond die het Leidseplein tot in de kleine uurtjes had veranderd in een verzamelplaats van een bonte menigte plezierzoekers, vormde een passende achtergrond voor de exotische melange die deze charismatische zanger presenteerde. In 2007 werd hij door het tijdschrift Time uitgeroepen tot één van de 100 meest invloedrijke mensen ter wereld. Deze eer heeft hij vooral te danken aan zijn voortdurende inzet, in woord en daad, voor een betere wereld. In zijn songs verbindt hij de mensen, met zijn oproep tot meer naastenliefde, tolerantie, verzoening en zorg voor ons milieu.

Of de man zich al deze lof realiseerde toen hij op het podium stond, is te betwijfelen. Daar is hij in de eerste plaats een te groot artiest voor. Maar het is een feit dat zijn imposante gestalte, zijn minzame blik maar bovenal zijn kippenvel bezorgende stem enorm veel gezag uitstralen.

Op Dakar Kingston begeeft N'Dour zich helemaal op het terrein van de reggae, iets waar niet iedereen even veel waardering voor kan opbrengen. Reggae is immers niet zijn stijl, wordt dan beweerd. Senegal heeft zo veel mooie eigen stijlen die door deze zanger behendig worden gecombineerd met afropop, pop en funk en vervolgens gretig in de Westerse wereld worden geconsumeerd. N'Dour is een van de grondleggers van mbalax, een muziekstijl waarin traditionele Senegalese dansritmen worden vertolkt op elektrisch versterkte moderne instrumenten in plaats van authentieke instrumenten als djembé en kora. Toch is de keuze voor reggae ook weer niet zo vreemd als het lijkt, wanneer men bedenkt dat reggae, de muziek die Afrikaanse slaven en hun nazaten hebben ontwikkeld op Jamaica, altijd al zeer populair is geweest in Senegal. Net zoals bijvoorbeeld Cubaanse muziek dat is. Zoals Afrikaanse muziek aan de basis ligt van muziekstijlen in die delen van Zuid-Amerika waar ooit slaven naartoe zijn gebracht, zo laat de muziek in landen als Mali en Senegal zich op haar beurt graag door die 'uitgeleende' stijlen beïnvloeden.

Dakar Kingston is een album geworden waar je direct van gaat houden. Het bijzondere is dat het geen reggae is geworden in de gebruikelijk zin. Aan de percussie, het gitaarspel, de taal (Wolof) waarin gezongen wordt, aan alles voel je onmiddellijk dat dit een echte West-Afrikaanse interpretatie van reggae is. Anders gezegd: de nummers zijn veelal nieuwe en bestaande N'Dour-composities die naderhand zijn bewerkt tot reggae-ritme, met als resultaat een juweel van een cd. Dit alles toont aan hoezeer beide genres eigenlijk op elkaar geënt zijn.

Het eerste deel van het concert was het Kingston-deel, en stond dus geheel in het teken van de nieuwe cd. Daarvan werden zeven nummers gespeeld, waaronder 'Redemption song', een cover van Bob Marley. Met een pakkende reggae-uitvoering van 'Seven seconds', N'Dours grootste hit aller tijden, werd de overstap naar het Dakar-deel gemaakt. Daarin werd het dolenthousiaste publiek getrakteerd op bekende mbalax dansnummers zoals 'Set' en 'Dem', en het prachtige 'Birima'. Natuurlijk mocht ook 'New Africa' niet ontbreken, waarin de zanger, subtiel begeleid op toetsen, alle Afrikanen oproept om nooit de hoop op te geven, om te blijven geloven in een betere toekomst voor het continent, een toekomst van tolerantie, saamhorigheid en eenheid. Ook al laat hij dit nummer op veel van zijn optredens horen, en komen we het in verschillende uitvoeringen tegen op zijn albums, de zanger was er zichtbaar door ontroerd.

De vijftienkoppige begeleidingsband, voor dit project aangevuld met toetsenist Tyrone Downie, ex-bandlid van The Wailers, is een perfect afgestelde dieselmotor die, eenmaal in cadans, geen moment hapert of terugzakt. Percussie, toetsen, gitaren, achtergrondzang, alles werkt soliede samen. Routineus maar nooit onbezield of op de automatische piloot. Extra vuurwerk wordt geboden door twee bont uitgedoste dansers die als een wervelwind van links naar rechts over het podium buitelen, tussen de onverstoorbaar doorspelende muzikanten. Bij sommige nummers lokken zij mensen uit het publiek op het podium om met hen mee te doen, wat dan een leuk schouwspel oplevert. Maar het absolute middelpunt is Youssou N'Dour, de griot uit Dakar die zich in zijn muziek uitsluitend laat leiden door waar hij van houdt en, ondanks zijn sterrenstatus, geen sterallures heeft.

[terug naar boven]


FOLK OP DE RADIO, EEN UITSTERVEND FENOMEEN? - door Jan Waas
(bron: Amsterdamse Folkagenda juli 2010)

Hieronder, met toestemming van de schrijver, een op 15 maart ingezonden brief naar Radio 5 Nostalgia. De schrijver is donateur, folkliefhebber van het eerste uur, kenner van joodse muziek en programma- en radiomaker Jan Waas.

"Beste mensen,

Ik luister geregeld naar jullie nostalgische uitzendingen, maar tot nu toe heb ik nog niet kunnen ontdekken dat jullie ook aandacht schenken aan de tegenstromen tegen de slappe populaire muziek van de jaren zestig tot tachtig.
Een groot aantal mensen ging op zoek naar de oude folktradities en er kwam een ware folkrevival. Eerst in Amerika met de beroemde Newport Folk Festivals met namen als Pete Seeger, Joan Baez , de New Lost City Ramblers , Theodore Bikel en The Penny whistlers. Voordien waren er al de Almanac Singers , The Weavers en Cisco Houston.
Daarna kwam de Britse en Ierse folk in de belangstelling. Denk aan Ewan MacColl & Peggy Seeger en hun London Critics group, The Clancy Brothers, The Dubliners en later Planxty , The Tannahill Weavers.
Er kwamen stromingen als Bretons/Keltisch, Hongaars, Afrikaans, Aziatische Boventoonzang en zelfs Nederlands/Vlaams met o.a. 't Kliekske, Onder de Groene Linde, Wannes van der Velde en Coby Schreijer in de Waag in Haarlem.

Daar kun je toch niet aldoor maar aan voorbij gaan. De generatie van de geboortegolf van 1946 is ermee opgegroeid. Er werd in het begin van de zestiger jaren zelfs op school aandacht aan geschonken. Op het Spinoza Lyceum hadden we het in 1963 over Odetta en het Kingston Trio, en we hadden zelfs een eigen volksdansgroep, die de buitenlandse groepen als Kolo en Lado, Beryozka en de Georgiërs probeerden te evenaren.

Nostalgische jazz is wel geregeld te vinden op de radio, maar de folkliefhebbers laten jullie in de kou staan en die zijn er gezien de vele programma's in het Tropenmuseum en Rasa, en de folkclubs , nog velen.

Als ik jullie aan materiaal kan helpen...

Hoogachtend,

Jan Waas"

Mokum Folk kan zich van harte vinden in Jans pleidooi voor aandacht voor volksmuziek op de radio, ook al kunnen wij deze roepende in de woestijn niet veel meer bieden dan een kleine oase van gelijkgestemden.

 

[terug naar boven]


LAND EN MUZIEK VAN DE SHQIPTAREN - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda juli 2010)

Een belofte uit het verleden inlossen. Dat was mijn bedoeling met deze reis. In het verleden ben ik zo'n vijf keer achter elkaar naar Tito's Joegoslavië geweest. Ik was in die tijd volksdanser van een zeker optreedniveau en ging o.a. met enkele mededansers naar het land voor de muziek en de Balkansfeer. En ook daarna reisde ik op diverse manieren door het land en elke reis was de Balkan nog niet compleet onderzocht. Doordat Enver Hoxa nog leefde en zijn land potdicht hield voor de nieuwsgierige toeristen.

Maar Enver en Tito leven niet meer. Dit jaar, na een flinke oorlog en het uiteenvallen van Joegoslavië, is het er toch van gekomen en heb ik de hele Balkan afgewerkt; het is af. Zo'n Avonturen Reisclub had, als een van de weinige, deze reis in hun programma. Vijftien dagen voornamelijk in het zuiden van Albanië en dag of vijf even naar Macedonisch Ohrid, waar ik ooit met de motor naartoe was gereden om te zien of de boom, die schrijver A. den Doolaard beschreef in zijn boek De herberg met het hoefijzer, ook echt bestond. Men zoekt een doel voor een mooie reis.

Tijdens deze reis kon ik de boom moeilijk terugvinden, want het toerisme had zo hevig toegeslagen dat de gehele omgeving rond de nog steeds levende boom volledig was volgebouwd. Een schreeuwende omgeving was het geworden en pas tegen de bergen waar het verkopend personeel zelf slaapt, vond ik wat Balkangevoel terug. Balkanmuziek is tegenwoordig 'macadonfolk' maar nog wel herkenbaar als rootsmuziek. Zelfs nog met de zo kenmerkende gaida-doedelzak hier en daar uitgevoerd. Ik heb daar enkele brand-cd's op straat gekocht en dat kostte maar 100 dinar, ongeveer € 2,-.

Albanië heeft z'n 'Albanfolk', wat je overal uit de barretjes kon horen toeteren; naast moderne Albanese pop. En soms hoorde ik nog de polifonische stemmen die zo bij dit bergvolk horen. Toch zijn beide stijlen wel heel verschillend. Macedonische muziek is toch nog behoorlijk strak, terwijl de Albanese een lossere stijl heeft met veel glijdende melodieën; meer zoals de Griekse muziek uit Epirus. Dan is er ook nog de unieke polifonische zangstijl die in het zuiden van Albanië wat melodieuzer klinkt dan in het noorden, wat o.a. te maken heeft met de verschillende stammen. In het noorden heb je de Ghegs en in het zuiden de Labs en de Tosks.

Ook de glijdende violen en klarino zijn nog veel te horen op radio en TV. Maar het land is duidelijk moderner geworden. Haast iedereen loopt met een mobieltje aan het oor en de Mercedesen (en een enkele Hummer) rijden je doodgewoon van de sokken.

Een aardige oude traditie heeft een nieuwe pendant gekregen. In de Balkan was het goed gebruik om een 'pantoffelparade' te houden aan het eind van de dag. Gemoedelijk heen en weer kuieren met vrienden of familie over het belangrijkste plein of boulevard van het dorp. Zo laten de vrijgezelle jongens en meisjes zich ook een beetje zien aan elkaar (als de meiden al niet vergeven zijn door pa en ma). Tegenwoordig doen stoere boys het met hun flitsende auto's en rijden zo heel veel rondjes door de hoofdstraat, om uiteindelijk in een hippe yuppentent neer te strijken met of zonder gescoorde vriendin.

De Albanese muziekcd's zijn iets duurder maar toch nog niet meer dan ongeveer 500 lek, dat is € 4,50 per stuk. De opnamekwaliteit is niet allemaal even goed en na 30 minuten is het schijfje al klaar met draaien. Positieve uitzonderingen zijn de cd's van klarinettist Laver Bariu en zangeres Irine Qirjako. De eerste maakt mooie authentieke volksmuziek met die typerende polyfone zang gedoopt in een sausje van viool, lauto, accordeon, daire, def en z'n eigen klarinet. Mooie opnamen ook, met de juiste warmte en galm. Irine Qirjako maakt moderne folkpop, maar waar toch ook veel volksmuziek in terug te horen is. Een behoorlijke favoriet van een klein stapeltje ‘radiowaardige' cd's. Op een of andere manier klopt alles op deze cd vol rockachtige, dansbare muziek met enkele fraaie ballads. De muziek wordt uitgevoerd met moderne en volksinstrumenten en haar stem is een hele lenige alt waarmee ze ook die leuke versieringen maakt.

Mocht je haar muziek kunnen vinden op internet, kies dan voor de cd Sorke Moj. Laver Bariu kun je vinden op het Engelse wereldmuziek-label Globestijle met o.a. Songs from the city of roses.

[terug naar boven]


SAMEN MET NADARA VAN DE ROOMBEEK-OEVER NAAR DE AMSTERDAMSE GRACHTEN - door Aart Hop
(bron: Amsterdamse Folkagenda juni 2010)

‘'Dat begint al lekker'' denk ik, op de namiddag in Enschede: Petrisor legt uit dat hij ‘'Zóó niet fijn kan spelen op de saxofóón''. De duimhouder van de saxofoon was afgebroken en hij wil nú een nieuwe en liefst van koper. Tja, waar vind je dat in de stad op 5 mei en ook nog net voor 5 uur? Gelukkig is de eigenaar van een muziekwinkel, niet ver van het restaurant-museum, zo vriendelijk om op zijn vrije dag uitkomst te bieden. Uiteindelijk maakt het orkest zich op, aan de (architectonische) oever van de Roombeek, voor een zogeheten gesloten-beurs-open-keuken concert. Met andere woorden: een aantal nummers buiten op het terras spelen voor een ruime maaltijd binnen. Het maakte voor ons dus eigenlijk niet zoveel uit hoe groot het publiek wordt op dit winderige terras. Op deze manier is het meer een opwarmer, reclame en goede maaltijd voorafgaand aan het avondconcert. Doch, deze aannames gaan niet op voor Alexandra en Nadara!!! Het is verbazend om te zien hoe Alexandra's gezicht verandert wanneer ze de eerste noten inzet op haar accordeon. Dit is niet alleen een professionele houding! Als zij de accordeon oppakt, lijkt het alsof haar zigeunerhart haar Franse bloed extra oppompt. Onder de mega- poster, van de vuurwerkramp, vertoont Nadara haar eigen veerkracht voor een enkele passant en een paar volhouders op het koude terras.

Na de beloofde maaltijd en een aantal wijntjes vertrekken we naar het Vestzaktheater in de binnenstad van Enschede. Het is met de auto en de bus even zoeken naar de juiste sluis. De gehele binnenstad is hermetisch afgesloten vanwege de 5 mei concerten. Het verontruste gevoel bekruipt mij weer...zal het publiek wel komen? Ik weet dat álle kaartjes zijn gereserveerd. Maar...zal iedereen wel opdagen met al die gratis concerten in het centrum?

Na de soundcheck is er voldoende tijd voor een ‘seta' door het centrum. De Nadara-mannen als Chicago-gangsters, met hun zonnebrillen en in hun zwarte pakken, trekken de aandacht. Mensen kijken zelfs óm naar Alexandra in haar rode zigeunerrok. Vrouwen wijzen naar de ingevlochten rode linten in Alexandra's lange haar. Feestelijk geklede meisjes lopen even op en lachen mee met Toni Rudi, Tocila en Florin. Andras en Ali lijken eerder een stapje terug te doen bij zoveel spontaniteit.

Half negen druppelt het publiek binnen in een bijzonder decor. Een grote bos rozen en kleine schemerlampjes op de tafeltjes en vooral de rode belichting beloven die avond een echte Gypsy Wedding-feest. Er worden zelfs stoelen bijgeschoven totdat er officieel niemand meer bij kan.

Het up-tempo zit er direct in en de anderhalf jarige zoon van Alex steelt de eerste minuten de show. Het Twentse publiek reageert spontaan en enthousiast. Als na de pauze de Verbunk wordt ingezet, maakt zich een man los uit het publiek en hij danst stoer zijn Hongaarse versie. Bij de daarop volgende csárdás voegen zich nog vele dames bij hem. Na vier nummers lijkt het een echte cigányi buli. In deze atmosfeer laat ook Tocila zich overhalen tot dans. Nederlanders steken soms wel eens houterig af in hun dans, maar deze Twentenaren hebben hier nu geen last van. Natuurlijk is het vooral de verdienste van Nadara om het feest compleet te maken, Igy mulatnak a cigányok!

De volgende dag in een nog te verbouwen theater aan de Amsterdamse grachten meldt het orkest zich weer. Ook hier weer: een binnendruppelend publiek in het Cameleon theater. Het toegestroomde publiek bestaat uit enkele gezinnen, kritische kenners van Hongaarse volksmuziek en veel enthousiaste Amsterdammers die zijn afgekomen op de posters en flyers die een avond vol zigeunermuziek beloofden. Voor de toegestroomde Amsterdammers is het een bewuste keuze om naar de Derde Kostverlorenkade te komen, immers er is die zelfde avond een Balkan Beat festiviteit in het Paradiso.

Petrisor is blij met zijn extra grip op de saxofoon en musiceert zoals thuis in Tirnaveni. Aladar bespeelt de cimbaal met de blijheid van een Boeddha (er zijn zelfs meerdere kenmerken te noemen van Ali die overeenkomen met Boeddha!). Zijn grootvader Endre (bekend van het kasteelorkest uit Bonchida) kan trots zijn De band laat met haar Rroma-nummers horen waar haar roots liggen. Niet alleen Florins contrabas staat nu als een huis, óók is weer duidelijk dat zijn zang onmisbaar is. Alex danst haar mahala zó aanstekelijk, dat de roadmanager Hilde zich ook laat overhalen tot de buikdans uit Boekarest. Rudi Toni accentueert (als contra-speler) in de régi Koloszvari csárdás zijn Méra Gipsy Band verleden. András lijkt wat stil, maar is onmisbaar met gitaar als vertegenwoordiger van de stedelijke muziekcultuur in het orkest. Tocila, de primás, heerst als een ‘princo le Romengro' deze avond!

Als ik meet met de schaal van ‘intiem', dan wint Nadara op deze afscheidsavond in Amsterdam. Het is vooral de click tussen het nieuwsgierige publiek en het gul spelende orkest dat de avond wederom tot een feest maakt. Crispijns dankwoord, de blikjes met stroopwafels en het xylofoontje voor Aurelian van de fans maakt het moeilijk voor Nadara om afscheid te nemen. ´´We love you´´ roept Alexandra naar Crispijn en als het publiek is weggestroomd vieren we op straat nog even een heus Rroma-feestje. ``Nadara Nadara`` klinkt tegen half twee 's nachts, het is Sandu Ciorba´s cd, die luid uit de autoboxen schalt. Met moeite nemen de mannen dansend afscheid. De volgende dag, verbazend vroeg, krijg ik een sms/je van Alexandra. Ze kijkt uit naar de volgende tour en eindigt met ´szia szia és viszontlátásra´ .

[terug naar boven]


EEN ONVERWACHTE KENNISMAKING MET DE ERHU - door Rob van Niele
(bron: Amsterdamse Folkagenda juni 2010)

Tijdens een bezoek aan de Zuid-Chinese stad Guangzhou in april had ik er niet meer op gerekend om iets 'muzikaals' op mijn pad te krijgen. Ik kom de laatste jaren regelmatig in China en ben dan altijd gespitst op muziekoptredens. Maar wie China, en dan bedoel ik eigenlijk de grote steden in het oosten, een beetje kent, weet dat het niet meevalt om daar iets van volksmuziek mee te krijgen. In de stadsparken is het overigens een ander verhaal. Daar komen de mensen graag samen om met elkaar, in kleine of grote gezelschappen, te zingen of dansen op allerlei soorten muziek. Zo beschreef ik eerder in de Folkagenda hoe ik in een park in Guangzhou 'plotseling' geconfronteerd werd met een samenzangmiddag, compleet met instrumentale begeleiding en dirigent, waar naar schatting 1200 mensen aan meededen. En dat vrolijke en ontspannen feestje voltrok zich allemaal in een betrekkelijk klein, door bomen omzoomd deel van het park. Liep je honderd meter door, dan zag je de mensen badmintonnen of tafeltennissen, of taichi-oefeningen doen, en was de muziek nog maar amper waarneembaar. China is zowel een land van grote getallen als van uitersten. Maar wie volksmuziek in een concertzaal of een ander podium wil meemaken, moet echt heel goed zoeken. Het land is tegenwoordig zo gefocust op economische ontwikkeling, vooruitgang en welvaart, dat de aandacht voor sommige culturele tradities te wensen overlaat. Maar dit jaar had ik dus geluk. Via via kon ik aan een kaartje komen voor een concert van muzikant en componist George Gao in Tienhe, het moderne zaken- en uitgaanscentrum van Guangzhou. Nu had ik nog nooit van deze muzikant gehoord, maar navraag en wat speurwerk op het internet maakten mij duidelijk dat Gao een autoriteit is op de erhu, de Chinese viool. Toen ik hem bezig zag op het podium was ik daar ook onmiddellijk van overtuigd.

De erhu - bijna uitgesproken als het Engelse 'are who', waarbij de 'h' een beetje naar onze 'g' neigt - is een van oorsprong zeer oud strijkinstrument. In feite is het een uitvoeringsvorm van een hele familie van strijkinstrumenten. De erhu wordt vertikaal bespeeld, dus met de lange, dunne hals rechtop. De fretloze hals heeft aan de bovenkant twee houten stemschroeven en aan de onderkant een kleine, zeshoekig klankkast. Het instrument heeft slechts twee snaren, gewoonlijk A en D gestemd, die met een strijkstok worden bestreken. De haren van de strijkstok lopen tussen die twee snaren door. De strijkstok zit dus 'vast' aan het instrument. De erhu wordt als solo-instrument en als begeleidingsinstrument gebruikt, en is niet weg te denken uit traditionele en klassieke genres van de Chinese muziek. Daarentegen is het instrument, met zijn weemoedige, kwetsbare geluid, ingetogen maar doordringend, ook opvallend vaak te horen in hedendaagse popmuziek van China en Hong Kong.

De in 1967 in Shanghai geboren George Gao was al op zijn zesde een wonderkind op de erhu. In China won hij alle prijzen die er te winnen waren, waarna hij ook internationaal doorbrak, met name in de Verenigde Staten en Canada. Ook in Frankrijk, Duitsland en Denemarken heeft hij veel bekendheid gekregen. Hij woont inmiddels al vele jaren in Canada, waar hij, naast lesgeven aan diverse conservatoria, zich toelegt op het geven van recitals en concerten, het componeren van filmmuziek en soundtracks, en het inspelen van erhu-muziek op cd's van vele andere artiesten. Hij heeft deel uitgemaakt van diverse ensembles, zoals Bowfire, Silk Orchestra, het George Gao Ensemble en Memento. Zijn grootste verdienste is dat hij de erhu ontdoet van het imago van antiek Chinees instrument dat alleen geschikt is voor dito muziekstukken. Naast traditionele muziek en door hemzelf gecomponeerde stukken, speelt Gao klassiek, pop en jazz en alle mogelijke mengvormen daarvan.

Dat laatste maakte Gao volledig waar in Guangzhou. Dat concert gaf hij overigens niet alleen, hij trad op samen met de jonge Italiaanse concertpianiste Vanessa Benelli Mosell, met wie hij ook een concert zou geven op de Shanghai Expo. Het concert opende met traditionele erhu-muziek, waarna het accent werd verlegd naar klassiek en jazz. Vanessa speelde ook enkele solostukken, waaronder een compositie van Paganini. Het meest indrukwekkend waren de door Gao geschreven composities, die alle genres lijken te overstijgen. Het is traditioneel, klassiek, pop en jazz in één, alles vloeit naadloos in elkaar over. Dat zoiets geen enkel moment verwordt tot een onbestemd klankexperiment, bewijst het grote talent dat Gao heeft. Deze muzikant heeft zo'n enorme uitdrukkingskracht op zijn instrument, dat hij een symbiose van stijlen en genres gewoon weet af te dwingen.

En zo werd ik weer een prachtige ervaring rijker in het duizelingwekkende Guangzhou. We zullen ook hier van deze bruggenbouwer George Gao gaan horen, dat is zo goed als zeker. Oost en West groeien in alle opzichten steeds dichter naar elkaar. Chinese muziek vond tot nu toe echter weinig weerklank bij ons, en de traditionele Chinese muziekinstrumenten leken al helemaal niet verenigbaar met de in het Westen gangbare instrumenten. George Gao en zijn volgelingen gaan daar verandering in brengen.

www.georgegao.com

[terug naar boven]


FIJNE NOSTALGIE VOOR WEINIG GELD - door Joop Wieringa
(bron: Amsterdamse Folkagenda mei 2010)

Mijn eerste folk-ervaring deed ik op met de groep Fairport Convention. Ik kwam van ver. Pink Floyd, Yes, Steppenwolf, Led Zeppelin, Hendrix natuurlijk. Dat waren mijn jonge hippiejaren, aangevuld met CSN&Y en America (voor de rust). Vooral Zepp.4 was de link, want daar was die stem van Sandy Denny bij 'The battle of evermore': waar kwam ze vandaan? Na de elpee Liege & lief ontdekte ik die andere groep: Steeleye Span. Vooral hun elpee Parcel of rogues vond ik erg sterk.
Inmiddels in het cd-tijdperk aangekomen ben ik dus behept met de ziekte van een muziekjunk en hoor de nieuwste wereldmuziek voorbij komen. De elpee is nu een nostalgisch product geworden dat ik nog maar zelden aanroer; ondanks de 5,5 meter ‘nostalgie' in mijn Lundia-stelling.

Een bezoek aan mijn dealer in de Utrechtsestraat bracht mij terug naar mijn jonglingschap wat betreft de, voor mij, vroege folk-ervaringen. Daar lag deze driedubbelaar smachtend op een koper te wachten, maar de jeugd herkent de waarde en schoonheid er niet van: Steeleye Span, A parcel of Steeleye Span, the first five Chrysalis albums 1972-1975. Digitaal ge-remastered uitgegeven in 2009 voor een zeer schappelijke prijs voor arme junks als ik: € 14,99!!

Hun meest artistieke folkrock-periode; Angelsaksische folkballads in een net ander jasje gestoken dan we al van Fairport hadden gehoord. Vooral in deze periode wat ruiger en met een volkomen ‘eigen' geluid. Met in deze box mijn geliefde die ik nog maar zelden beluister, omdat ik met extra snoeren naar mijn platenspeler moet en ik daar meestal geen animo voor voel. De plaat is ook al zo grijs gedraaid in mijn jeugdige periode, dat ik mij steeds in de buurt van de draaitafel moet begeven om het blijven hangen van de oude naald te voorkomen, want zo'n moment te moeten horen gaat werkelijk tot diep in de ziel; dat doet pijn, erg pijn. Het ploeteren van deze trouwe dienaar door de zwaar aangetaste groeven is voorbij, want de schijfjes-van-nu geven niet alleen heldere klanken weer, maar het digitale lijkt nog meer of ‘intenser' te laten horen waar ik vroeger al verliefd op was. Mijn jeugd was zo verkeerd nog niet, hoor ik een stemmetje fluisteren in mijn hoofd, bij iedere draaibeurt.

Voor de jonkies nog even de geschiedenis van de groep; misschien begrijpen ze dan beter het smachten van deze driedubbelaar in die winkel. Het was bassist en Fairport-oprichter Ashley Hutchings die met rusteloze geest en inventief karakter na Fairport een samenwerking aanging met Gay enTerry Woods en daar later Tim Hart en Maddy Prior (een folkduo) bij uitnodigde. Steeleye Span was geboren, maar het duo Woods vertrok al na de eerste elpee. De toen al bekende Martin Carthy nam nog even deel aan de band, maar toen Ashley's ‘rusteloze' geest weer de overhand kreeg en de man vertrok voor een nieuwe Morris-uitdaging, namelijk de oprichting van de Albion Band (in al zijn vormen en verschijningen), vertrok Martin ook om samen met Fairport-fiddler Dave Swarbrick een onafscheidelijk duo te vormen. Daarnaast had hij een solo-carrière.

Na drie elpees met prima folksongs uit het verleden en mooi modern omgevormd naar de folkrevival-normen van de jaren zeventig, werd de groep ontdekt door het grote Chrysalis-label. Toen begon hun zeer creatieve periode met als eerste de elpee Below the salt met het donkere 'Spotted cow' en de lange fraaie track 'King Henry', gevolgd door 'mijn' Parcel of Rogues waarvan 'Cam ye o'er frae France' en 'The ups and downs' zo in mijn hoofd gaan zoemen als ik de namen hoor. Daarna volgde Now we are six (de band wordt groter), waarvan ik die kinderliedjes wat storend, maar 'Thomas the rhymer' en 'Seven hundred elves' toch weer erg sterk vind. Dan Commoners Crown met het machtige 'Long lankin'. Ten slotte de meest bekende, All around my head, met de gelijknamige hit en leuke stukken als 'Black jack davy', 'Hard times of old England' en 'Gamble Gold (Robin Hood)'.

Daarna verliet het grote publiek de groep weer. Een hitje was de groep gegund, maar daar moest het bij blijven (wij folkies worden slecht bedeeld). Na een muzikale dip en enkele opheffingsmomenten is de groep nog steeds actief en maakt ze prima muziek. Maar déze Steeleye Span-periode blijft mij dierbaar en nu hoef ik niet meer naar mijn Lundia om nostalgisch te swingen met de volumeknop een tikkie harder. Those were the days and we have them back...

[terug naar boven]

 


SALIF KEITA BLIJFT IMPONEREN - door Rob van Niele
(bron: Amsterdamse Folkagenda mei 2010)

 

In maart was de wereldberoemde Malinese zanger Salif Keita voor drie optredens in ons land, ter gelegenheid van het uitkomen van zijn nieuwste cd, La Différence. Op 23 maart deed hij Theater Carré aan, waar ik getuige was van een zeer overtuigende en indrukwekkende show.

Keita is in zijn ruime 40-jarige artiestencarrière al vaker in Nederland geweest, maar bij mijn weten was zijn laatste optreden hier al weer vele jaren geleden. Voor de liefhebbers van wereldmuziek zijn vooral de cd's die Keita na 2000 heeft uitgebracht interessant. Op deze cd's keert de in Parijs woonachtige zanger terug naar zijn Malinese roots. La Diffërence sluit daar gelukkig mooi op aan. Wat La Différence extra bijzonder maakt, is dat de zanger hiermee aandacht vraagt voor de schrijnende situatie van albino's in Mali en andere delen van Afrika. Niet alleen hebben zij een uiterst kwetsbare gezondheid. De grootste bedreiging vormt misschien wel hun eigen leefomgeving. Albino's worden verstoten; zij zouden brengers zijn van ongeluk. Jaarlijks worden tientallen albino's vermoord in Afrika, louter en alleen vanwege hun afwijkende huidskleur. Keita is zelf ook albino en werpt zich op als beschermheer voor zijn lotgenoten. En nu treedt hij daar dus expliciet mee naar buiten, om begrip en respect af te dwingen voor hen die anders zijn: 'Ik ben zwart, maar mijn huid is wit. Ik weet wat ik ben. Het is het verschil dat het leven mooi maakt'.

Tijdens zijn optreden in Carré liet Keita veel nummers van La Différence horen, die live mogelijk nog indringender en explosiever klinken dan op de cd. En dat wil wat zeggen! Omringd door tien geweldige muzikanten, waaronder drie percussionisten en twee achtergrondzangeressen, weet de maestro de zaal al na enkele nummers volledig naar zijn hand te zetten. Hij opent met 'San Ka Na', waarvan de intro wordt ingezet op elektrische gitaar en door de twee zangeressen. Zodra Keita het overneemt barst het applaus los. Het tweede nummer is de titelsong van de cd. Daarna volgt een groot aantal andere songs van zijn laatste cd's. Uitvoeringen van ruim tien minuten waren bepaald geen uitzondering. Zoiets kan live een behoorlijke uitputtingsslag voor het publiek zijn, maar bij Keita lijkt het wel alsof hij, en de band met hem, alleen maar nog meer gaat excelleren naarmate een nummer voortduurt. De herhalingen ervaar je niet als overdadig. Integendeel, hoe meer je jezelf laat meevoeren door of verdwijnen in de muziek, hoe meer de magie gaat werken. Zoiets is alleen mogelijk als alle muzikanten een perfecte cadans aanhouden. Dat is deze band wel toevertrouwd. Bijna ieder nummer wordt ook nog eens opgerekt door solo's op gitaar, djembé of ngoni, en tijdens sommige solo's verschijnt ineens, uit het niets, een danseres voor wie de wetten van de zwaartekracht niet lijken te gelden. Het publiek komt nog meer in vervoering en mag zich voor even in een wereld wanen waar alleen harmonie heerst.

Een rustpunt in het concert is het nummer 'Folon', dat door Keita solo wordt uitgevoerd, waarbij hij zichzelf op gitaar begeleidt. Een nummer dat je al direct bij de eerste noten kippenvel bezorgt. Wat een geweldig mooie stem heeft die man! Bovendien is ook zijn gitaarspel fenomenaal. Deze oase van rust maakte daarna weer plaats voor een aaneenschakeling van dansnummers.

Aan het eind van het concert nodigt Keita een paar mensen uit het publiek uit om op het podium te komen dansen, en om de djembé-speler uit te dagen tot acrobatische toeren. Dat wordt een waar feestje. Na enkele toegiften komt er een einde aan het Malinese muziekspektakel, waarvan de aanstekelijke ritmes nog lang nadat ik Carré heb verlaten in mijn hele lichaam navibreren. Niet vanwege het volume, dat, zeker naar huidige maatstaven, alleszins acceptabel was. Maar vanwege de enorme impact van het muziekfenomeen dat Salif Keita heet.

Salif Keita, La Différence, Universal Music (2010), LC 00699

[terug naar boven]


MOOIE HERINNERINGEN EN NIEUWE ONTMOETINGEN - door Joop Wieringa
(Bron: Amsterdamse Folkagenda april 2010)

Ik weet dat ik een van de vele recensenten ben die in een lange rij alle sterren van de hemel geeft aan dit geweldig product. We hebben het hier over prachtbox Three score & Ten, a voice to the people; 70 years of the oldest independent record label of Great Britain. Ik heb het over het Topic Record Label. Toch wil ik weer een plaatselijke note toevoegen aan de eerdergenoemde rij want, net als bij de eerder genoemde cd-serie van dichter Robert Burns, heeft de Amsterdamse Bibliotheek ook deze serie aangeschaft. De officiële winkelprijs van € 70,- zal menig folkliefhebber driemaal laten twijfelen en terleurstellen, hoe mooi dan ook uitgevoerd met fraai boekwerk; hem/haar gaat het toch vooral om de muziek. Dus wederom hulde, hulde voor de Bieb die mij, voor een paar uitleen-euro'tjes, thuis laat genieten van al dat moois wat Topic ons laat horen.

Ik ben zelf niet zo van de verzamel-cd's, maar deze serie van zeven cd's zijn met zoveel zorg en liefde samengesteld dat ik val voor al dat moois. Voor de oudere folkies is het een feest der herkenning met soms ook nog voor hun onverwachtse juweeltjes. Elke cd staat werkelijk volgepropt met meer dan een uur muziek (Hollanders gaan ook voor kwantiteit!) en vol met allerlei stijlen binnen een genre want binnen Celtic of Angelsaksische muziek is nog zoveel verschillends te beluisteren. Elke cd heeft een subtitel, zoals cd 2 Ireland Boys Hurrah, vol met bekende en minder bekende namen van artiesten die bij Topic een plaat hebben gemaakt. Nummers van Jacky Daly, Paddy Tunney, Seamus Ennis, Willy Clancy naast heel veel (24 tracks!!) minder bekende namen maar niet mindere kwaliteit.

CD 3 heet England Arisen; het laat zich raden wat we daar voor fraais aantreffen. En alles staat er mooi en toch afwisselend op met muziek vanaf de vijftiger jaren tot, pakweg, cd-tracks uit 2007/08. Soms haast veldwerkachtige opnamen van bijna-zuivere dames en heren, jongens en meisjes, naast mensen als Anne Briggs, John Kirkpatrick, June Tabor, The Watersons en veel meer moois.

Het lijkt mij lastig te selecteren want er zijn zoveel artiesten die ooit met het Topic label in zee zijn gegaan en dat over een periode van 70 jaar. Zonder problemen zouden ze een deel 2 van deze box kunnen uitbrengen met nog eens zeven cd's en weer zou het prachtig zijn.

Voor de jongere generatie folkliefhebbers,de free, freak of retro-folkies valt er natuurlijk nog veel meer te ontdekken en te leren op deze Three Score & Ten box. Het kan ook een inspiratiebron zijn voor de jonge generatie muzikanten die op zoek zijn naar mooi authentiek materiaal. Het geeft een geweldige indruk van wat voor emotie er leeft onder het volk.

Cd 4 Scotia the brave, vol Schotse artiesten; cd 5 The singer & the song met meer persoonlijke singer/songwriters-artiesten van de eilanden; cd 6 The people's flag met meer politieke en maatschappij-kritische songs. De eerste en de laatste cd dragen titels als: a selection of treasures en more selections of treasures, waarbij de laatste ook wat meer wereldmuziek bevat uit Bulgarije, Albanië, Macedonië, iets Noors en Tanzaniaans uit het verleden, toen men alleen nog grote zwarte schijven had. Erg leuk voor de wat breder georiënteerde luisteraar als ik. Het is niet doenlijk om veel namen te noemen, en veel namen kon ik wel terugvinden op mijn grote collectie oude elpees, maar om die te draaien moet ik ingewikkelde aansluitingen en extra snoeren gaan gebruiken en nu hoeft dat dus niet. Maar andersom: als ik the 'Humpback whale' van Nic Jones weer hoor, dan wil ik eigenlijk de hele Penguin Eggs elpee uit 1980 weer eens draaien; een dilemma voor de muziekfreak die ik geworden ben. Misschien is dat het probleem dat ik met verzamel-cd's heb: achter elke goede track staat vaak een geweldige cd, en om die aan te gaan schaffen, heb ik een bibliotheekgebouw nodig. Dus de Bieb behoedt mij ook nog eens voor verhuisberichten en grote aankoopkosten van een groter pand.

Kortom: dit document hoort thuis in de verzameling van iedere ware muziekliefhebber, maar ga eerst naar de Bibliotheek van Amsterdam; wordt desnoods lid, want deze serie moet je gehoord hebben.

Three Score & Ten, A Voice To The People van het jarige Topic Record Label.

[terug naar boven]


LEVEN NA DEREK - door Joop Wieringa
(Bron: Amsterdamse Folkagenda april 2010)

En toen kwam het bericht dat de oude "Landlord"van de Ierse muziek, de muzikale kamergeleerde achter de harp gestoven was: Derek Bell. En ik dacht meteen dat hiermee ook het sterven van de ambassadeurs van de Ierse muziek, The Chieftains, was ingetreden. De groep wiens specifieke gezicht/geluid binnen elke wereldmuzikale uiting altijd duidelijk herkenbaar blijft, of het nu de Bretonse folk, het Nashville-geluid, Chinees of Spaanse fusion is. Vooral die laatste vorm, via hun Santiago-cd, heeft diepe sporen van bewondering bij mij achtergelaten.

Maar aan alles komt een eind; Sandy Denny, Luke Kelly en vele andere folkfathers en mothers zijn ook niet meer onder ons en de overige Dubliners zonder de laatstgenoemde Kelly en Ronnie Drew spelen zichzelf ook voorzichtig naar hun eigen bejaardenhuis. Met podium zodat men niet meer de deur uit hoeft maar eens per jaar de fans tot zich laten komen voor een (bejaarden)huisconcert.

Nog een cd ter nagedachtenis aan de harpist en de andere Chieftains kunnen ook fatsoenlijk met pensioen. Maar nee,niets is minder waar. Als ware overlevers storten ze zich op een nieuw vergeten stuk geschiedenis als leidraad voor een werkelijk geweldig nieuw album anno 2010: San Patricio. Door al die jaren samen te werken met alle grote muzikanten uit alle uithoeken van de wereldmuziek hebben ze zo'n status opgebouwd dat iedereen wel met ze wil werken. En hier is de kapstok voor deze zalige muziek, een niche in de Amerikaanse geschiedenis van hun vrijheidsstrijd. Tijdens de Mexicaans-Amerikaanse oorlog (1846-48) was er een Amerikaans regiment dat meevocht met de Mexicanen 'vanuit hun geweten'. Een bateljon met veelal Ieren die wisten wat armoede en ellende betekende. Ze waren nog maar net in Amerika aangekomen, gevlucht voor de aardappel-ellende en werden daar al snel gediscrimineerd. Dus vochten ze zij aan zij met 'the San Patricios' en bleven aldus helden voor het leven in Mexico.

De cd is een heerlijke mix van Mexicaanse stijlen en met medewerking van grote namen uit Mexico inclusief Los Tigres Del Norte, Los Folkloritas en het beste mariachi-orkest dat er is, Los Camperos De Valles, en nog vele anderen. Maar ook logische namen als Linda Ronstadt, Lila Downs en de Spaanse Gaita-speler Carlos Nunez vinden we op de cd. Maar The Chieftains blijven Ieren dus is er ook een echte Ierse song terug te vinden: 'Lullaby for the dead', gezongen door Moya Brennan. Belangrijk inspirator is Ry Cooder, aanwezig op twee momenten van de cd, die medenaamgever mag zijn naast The Chieftains van deze cd San Patricio.
En als ik schrijf: "een heerlijke mix van mexicaanse stijlen" dan hoor je achter die muziek het zeer herkenbare Idioom van de ambassadeurs. En, verrassend, overal klinkt ook een Chieftains-harp. Misschien is dit dan de nieuwe Derek? Natuurlijk is Triona Marshal niet Derek Bell; ze is zichzelf, maar past goed in het Chieftains-geluid en wie weet zorgt zij voor 'een leven na Derek'. We weten het pas bij de volgende cd of ze een blijvertje is gebleken.

Maar eerst volop genieten van deze warmbloedigheid, deze heerlijke swing en lekker geschetter. Genieten van zo'n wereldsound; een heel eigen fusie van Celtic & Mexicana. Tenslotte werd Ierland vier eeuwen voor Christus bezocht en bewoond door volkeren (Neolitische volksstammen en Picten) afkomstig uit Spanje en Spanje heeft Mexico weer beinvloed door haar kolonialisme. En zo wordt de wereld kleiner en kleiner tot een dorp waar een banda de gaita de batellon (een Gallicische doedelzakband) zich prima laat mengen met de snaren en het trompetgeschal van mariachi-orkest Los Camperos de Valles uit Mexico zelf.

En The Chieftains kunnen met deze gouden formule nog jaren verder leven. Ja, er is leven na Derek.

[terug naar boven]


 

DOUGIE MACLEAN IN HET ZAANTHEATER - door Anita Kenbeek
(Bron: Amsterdamse Folkagenda maart 2010)

Dougie Maclean: lang haar, spijkerbroek, colbert en een akoestische gitaar. Verder geen toeters en bellen. Geluidsniveau helemaal goed. In een goed gevulde zaal trad Dougie Maclean 14 januari op in Zaandam.

Deze schotse singer-songwriter praat zijn liedjes op een prachtige manier aan elkaar.Hij begon met 'Ready for the storm', waar hij over vertelde dat hij dat voor zijn oudoom schreef die op Mull woonde. Het refrein werd door de aanwezigen meegezongen. Voordat hij met 'Feel so near' begon, vertelde Maclean hoe de wind en de regen adembenemend kunnen zijn op Lewis (West-Schotland). ‘You just feel nature on your face'. Om dan vervolgens verder te gaan met het verzoek of iedereen het refrein mee wil zingen. En of we bij het klappen wel het goede ritme wilden houden door naar zijn voet te kijken die de maat tikte. Door zijn beschrijving van die baai op Lewis, waar hij een huisje heeft, heb je al een context in je hoofd (met bijbehorende beelden) Het lied krijgt daardoor een extra lading. Prachtig!

Maclean praatte alle nummers in hoog tempo aan elkaar. Ook was er veel ruimte voor het meezingen van de refreinen. Regelmatig wilde Maclean dat even doornemen met de zaal, wat tot hilarische momenten leidde toen hij een tekst in het gaelic ging oefenen. Hij vertelde dat zijn overgrootouders deze taal spraken, maar zijn grootvader had het niet meer aan zijn vader geleerd. Wat niet wegnam, dat hij wel een lied in het gealic zong.

Bij gebrek aan percussie op het toneel werd de zaal ingeschakeld: we konden meeklappen bij sommige liedjes. Ook de vioolrif in 'Not lie down' werd ingeoefend. Soms luisterde Maclean hoe de zaal het lied verder zong, waarna hij het dan weer overnam.

Door die wisselwerking ontstaat er een gemoedelijke sfeer. Jammer dat het zaallicht niet zachtjes aan was. Zijn gitaarspel heeft iets fascinerends: het is rustig, en gaat constant door, zodat er een soort van trance-achtig gevoel ontstaat. Ook de stem van Maclean is uiterst rustgevend. Zijn toch al wat omfloerste stem was deze avond nog heser vanwege een verkoudheid.

Ik heb genoten van dit optreden. Voor iedereen die het jammer vindt dat hij/zij dit optreden gemist heeft: op You tube is de hele voorstelling terug te vinden, zie Dougie Mclean Fylde Folk Festival 2009. Onder andere nummers als 'Not lie down', 'She will find me', 'Feel so near', 'Broken wings', 'Talking with my father', 'Holding back', 'She loves me', 'This love will carry' en natuurlijk 'Caledonia'. Je moet wel elk nummer afzonderlijk aanklikken.

[terug naar boven]


NETSAYI HEEFT ECHT WAT TE VERTELLEN - door Rob van Niele
(Bron: Amsterdamse Folkagenda maart 2010)

In februari toerde de zangeres Netsayi, geboren en woonachtig in Londen maar opgegroeid in Zimbabwe, door ons land om haar tweede album Monkeys' wedding te promoten. Het concertreeks was georganiseerd door World Sessions, een platform voor aanstormend internationaal muziektalent (www.worldsessions.nl). De verwachtingen waren hoog gespannen, en in een aantal landelijke dagbladen stonden uitgebreide voorbeschouwingen en lovende recensies.

Wat maakt Nesayi zo bijzonder dat zij zoveel aandacht krijgt? Er kan toch nauwelijks sprake zijn voor een toegenomen belangstelling voor de muziek uit Zimbabwe, een tragisch land dat alleen het nieuws haalt wanneer het alweer iets slechter gaat op het politieke en maatschappelijke vlak.

In de eerste plaats maakt Netsayi geen regelrechte Zimbabwaanse muziek, en eigenlijk past zij ook niet helemaal in de categorie wereldmuziek. Waarom besteden we dan aandacht aan haar in deze agenda, zult u zich wellicht afvragen? Welnu, Netsayi's muziek mag dan wel moeilijk zijn in te delen, het put wel degelijk uit de rijke culturele tradities van haar achterland, waarbij ze geïnspireerd wordt door, onder andere, de grote Zimbabwaanse zangerThomas Mapfumo en de Zuid-Afrikaanse band Ladysmith Black Mambazo. Maar zij wil deze tradities niet 'zo maar' in authentieke vorm voorschotelen aan haar publiek. Nee, ze verwerkt deze in haar songs, waarin zij zich niet zozeer een vrouw toont die wereldmuziek maakt, als wel een vrouw van de wereld, een muzikant met een visie. Haar songs gaan soms de kant op van pop - zonder de oppervlakkigheid daarvan -, dan weer van soul en jazz, maar de arrangementen zijn veel te eigenzinnig om die labels opgeplakt te krijgen. Op geraffineerde wijze gebruikt ze elementen uit diverse stijlen om daarmee tot een verrassend pakkende, en even veelzijdige als samenhangende eigen stijl te komen. Ook kan het gebeuren dat ze de ene keer in het Engels zingt, de andere keer in het Shona, een van de officiële talen van Zimbabwe, of het Portugees. Overigens is Monkeys' Wedding beduidend meer Engelstalig dan haar debuut Chimurenga Soul (2007). De instrumenten die de zang ondersteunen, staan evenmin een voor de hand liggende afbakening toe. Op Monkeys' wedding zijn allerlei snaarinstrumenten, akoestisch en elektrisch, te horen (gitaar, basgitaar, dulcimer, mandoline), maar ook blazers als trompet, flugelhorn, trombone, cornet. Verder piano en allerhande percussie. En soms begeleidt ze zichzelf op de duimpiano oftewel mbira, een voornaam instrument in Zimbabwe. Deze veelzijdigheid is ook weer terug te vinden in Netsayi's teksten. Maatschappijkritisch, zelfbewust, geëmancipeerd in nummers als 'Punch drunk', 'Chosen ones', 'Toy soldiers' en 'Money drum'. Toch zijn haar songs nooit protestsongs. Daar zijn ze weer te poëtisch voor, te persoonlijk, te gevoelig en ongrijpbaar.

De muziek van Netsayi is noch typisch Afrikaans, noch westers, maar ze combineert het beste van beide. Hoewel dat heel wat is om te beweren, is het geheel niet pretentieus bedoeld. Zij balanceert nu eenmaal tussen twee heel verschillende culturen en voelt zich in beide buitenstaander en deelgenoot. Daarmee is ze in de ideale positie om met haar muziek bruggen te bouwen. Aangezien ze bovendien een uiterst begaafd en sympathiek performer is, voorspel ik dat we in de toekomst nog heel veel van deze dame zullen horen. Ik zie ernaar uit.

Netsayi, Monkeys' Wedding, World Connection 43083

[terug naar boven]


THE MAKING OF BUITENGAATS - door Joop Wieringa
(Bron: Amsterdamse Folkagenda februari 2010)

21.00 uur, het journaal op de radio is afgelopen; de leader van het programma is ook al voorbij en de eerste cd gaat ook al de ether in bij Radio Rosa, het 'Station Om De Hoek' van Abcoude en de rest van Utrecht. Dave van Ronk speelt een song van de hoofdpersoon van het eerste uur : Tom Paxton. Na een Paxton-song door Folkdiva Sandy Denny wend ik mij tot de gast Jos de Rooij in een interview over de tot standkoming van zijn cd Buitengaats. In het Nederlands vertaalde liedjes van de Amerikaanse Folkzanger Tom Paxton.

Jos, zet je zelf even neer als muzikant ; wat doe je en wat heb je zoal gedaan? (na elke vraag valt er een bedachtzame stilte. De antwoorden zijn serieus van toon en afgemeten; dit is het antwoord en meer komt er niet.)
"Als muzikant zijn er twee kanten aan de zaak. Word ik gevraagd, dan speel ik wat er van mij verwacht wordt en als ik mijn eigen muziek wil maken, de hobbiekant, dan nodig mijn vrienden uit en gaan we gezellig spelen."

Wat heb je met Tom Paxton en vanwaar deze cd?
"Mensen vroegen mij wel eens op mijn werk als muzikant, 'Jos, heb je ook een cd gemaakt?' Dan zei ik altijd: 'Wil je me horen, dan klink ik het beste gewoon live en niet van een plaat of schijf'. Maar na de steeds terugkerende vraag heb ik toch maar een cd met accordeonmuziek gemaakt.
Zo'n 20 jaar geleden trad ik op met een muziekprogramma met multi-instrumentalist en zanger Ruud de Jonker, en we deden daarbinnen ook zo'n vijf vertaalde liedjes van Tom Paxton. We bedachten toen dat we dat liedjesmateriaal wel wat konden uitbouwen en dat resulteerde in 21 liedjes waar we nu pas tijd voor hebben gehad om er een cd van te maken. Toen heb ik eerst met Ruud het basismateriaal met mijn zang, accordeon en gitaar opgenomen en daarna allerlei muzikantenvrienden uitgenodigd om op de nummers een bijdrage te leveren."

Hoe hebben jullie de cd gemaakt?
"Op de computer. Allereerst heb je een goede geluidskaart nodig, meestal is de kaart van de computer niet zo sterk en moet je er een kopen. En vervolgens gebruik je een programma waarmee je allerlei prints maakt, sporen dus. We zijn eerst met onszelf begonnen met drie sporen zang, accordeon en gitaar. Deze basis schijf ging naar de genodigden en als er iemand langs komt dan voeg je er een spoor aan toe of dubbel je dat geluid, om later wat meer warmte of power aan een nummer toe te voegen. Je kunt oneindig veel sporen toevoegen, maar het ligt er wel aan hoe sterk je computer is."

Waarom hebben jij en Ruud gekozen hebben voor juist deze artiest; wat zagen jullie in Tom Paxton?
"Het is eerder zo: wat zien Nederlanders niet in de man! Men kent hem niet en vraagt hem dus niet om in Nederland te komen optreden. Zijn teksten zijn voor veel Nederlanders te moeilijk en daarom hebben we daarvan enkele vertaald naar het Nederlands."

Komt het vanwege zijn maatschappijkritische teksten?
"Nee, niet zozeer, bovendien heeft hij ook liefdes- en kinderliedjes gemaakt, maar ze gaan nogal diep. De meeste teksten zijn letterlijk vertaald, maar om bij sommige stukken een sterker gevoel te krijgen, heb ik ze geplaatst in een Nederlandse situatie, zoals de 'Subway Song', over de Metro in New York; ik gebruik dan de Metro in Amsterdam. Het letterlijk vertalen van zijn liedjes levert ook vaak een aardig inzicht op in het tijdsbeeld waarin deze songs zijn gemaakt; zo laat je de situatie van toen zien. Paxtons anti-oorlogsliedjes heb juist minder gebruikt, omdat het onderwerp bij Nederlanders wat ver afstaat, terwijl in Amerika er altijd wel iemand in de familie is gesneuveld."

Wie had jij zoal uitgenodigd voor het maken van deze cd?
"De basis was, naast mijzelf, Ruud en Chiel; zij vormen al jaren het duo V.A.A.G. en ik ken ze al zo lang. Verder ben ik uitgegaan van muzikanten die ik al zo'n 30 jaar ken en waar ik dus wat mee heb. Ik was niet echt op zoek naar supermuzikanten, maar meer naar vrienden en kennissen van me zoals jij met diverse percussiemomenten, en Harold Prijn, die ergens een fluitpartij speelt. Meer een nostalgisch gevoel."

We draaien wat van z'n cd. De volgende week is de cd pas klaar maar Jos heeft voor de radio even een exemplaar geknutseld. Het wordt 'Ankie' (orginele titel 'Angie'), vanwege de mooie muzikale invulling. Op de vraag wanneer het project van start ging, antwoord Jos dat dat ongeveer zeven maanden geleden was. Tussen alle andere bedrijven en bezigheden door, iedere keer een nieuwe aanloop nemen en materiaal opnemen en uitwerken. Soms een middagje,soms een avondje. Mijn laatste vraag is waar Jos' volgende project, als dat er is, over zal gaan. Hierop laat hij weten dat hij met twee ideeën rondloopt. Een accordeon-cd met muziek van componist Sjostakovitsj en een cd met vertaalde liedjes van een andere artiest. Hij wil daar nog niets over kwijt, maar wel dat het niet uit het Engels wordt vertaald. Daar blijft het bij.

Een opmerkelijk mens,die Jos de Rooij en we blijven hem volgen.

De presentatie van de cd Buitengaats vindt plaats op vrijdag 19 februari bij het Mokum Folk Podium in Wijkcentrum Alleman , Den Bloeienden Wijngaerdt 1 te Amstelveen. Vanaf 19.30 uur is iedereen welkom en het entree is gratis. Zie ook de pagina Folkpodium.

[terug naar boven]


FAIRPORT? OF FAIRPORT! - door Joop Wieringa
(Bron: Amsterdamse Folkagenda februari 2010)

Voor veel fans is het altijd weer ‘opveren' bij nieuws aan het Fairport-front. Ook op de burelen van Stichting Mokum Folk zijn diehards te vinden die de hele familie meenemen naar een concert van bijvoorbeeld ex-Fairport-lid Richard Thompson. En zeg ik Fairport, dan bedoel ik Fairport Convention, de band die eind jaren '60 de Angelsaksische folkrock uitvond. Onder het huidige geluidsniveau zou je het ‘folkpop' noemen. De oude traditionele volksliedjes in een modern elektrisch jasje gestoken en populair bij de pasgeboren hippies met hun versgebreide geitenharen wollen sokken in die tijd.

De story van deze band met z'n vele gezichten in de loop der jaren moet bij de oudere jongeren van nu genoegzaam bekend zijn. De start van ‘folkfather' Ashley Hutchings met Ian Matthews, de volgende lichting met sterspeler Richard Thompson, de daarop volgende lichting met folkdiva-zangeres Sandy Denny en fiddle wizzard Dave Swarbrick en daarna de vele gedaanten met afvallers en nieuwkomers tot aan de bijna-doodervaring vlak voor hun eerste Cropredy Festival. Men had al eens eerder een afscheidsconcert gegeven en stond weer voor dezelfde afgrond.

In de loop der jaren werd de band meer een muziekbedrijf met de verkoop van sjaaltjes en T-shirts, en toeristische ticketverkoop naar het inmiddels roemruchte Engelse festival; een nostalgische geitenwollen trip voor de toenmalige dragers. Luisterend naar de, ook daar, optredende grote artiesten van toen, zoals Jethro Tull + ooievaarsfluitist, Ian Anderson en de Londense straatventer, de Schotse folkzanger Ralph McTell (ooit de eeuwige reserve-Fairporter genoemd).
Niets ten nadele van hun muziek gezegd, want beide acts maken heden ten dage nog steeds zeer verdienstelijke muziek. De FC vond ik de laatste tijd echter steeds gezapiger worden en ik stoorde me aan de volgende, onfrisse versie van hun vreselijk goede hits van vroeger. Ook de nieuw gecomponeerde stukken haalden lang niet meer het niveau van de tijden met de inmiddels lang overleden Sandy Denny en de inmiddels behoorlijk dove fiddler Swarb. Those were THE days!

Loop ik de zeer inspirerende Amsterdamse Bieb binnen en zie ik in de pas verworven-collectiebakken een nieuwe, niet weer opnieuw uitgegeven heruitgave-cd van Fairport. En ik kon het niet laten om, voor een euro'tje leengeld dit clubje nog maar eens te beluisteren; het vlees is nu eenmaal zwak. Bij de eerste draaibeurt haalde ik na enkele minuten de schijf uit mijn speler. Was dit soms een verkeerde schijf van een nieuwe enerverende folkrockgroep die per ongeluk in een nieuwe Fairport cd-doos terecht was gekomen? Of heeft het hart van de slaperige FC een defibrilator-stroomstoot gekregen? En wie ‘is' Fairport nu eigenlijk nog? Een begeleidingsgroep van diverse muzikale gasten, zoals Jethro Tull's Martin Barre, Pentangle-zangeres Jacque McShee,Dan Ar Bras (ooit even lid van de FC), Supertramp-lid John Helliwell, de Duitse harpist Andreas Vollenweider en zelfs het voltallige fluitgezeldschap Flook. En vele namen meer. Dat alles neemt niet weg dat het geluid, de sound die zich onder de vlag van Fairport Convention heeft ontwikkeld, zeer genietbaar is. Een soort (lichtelijk) theatraal folkrockgeluid met hier en daar de nadruk op rock en fraaie, zachte folkmomenten; instrumentaal of in swingende angelsaksische liedjes verpakt.

Fame and Glory is een cd vol studio- en live-registraties door elkaar met als inspiratiebron de Bretonse visionaire componist/zanger Alan Simon en z'n goudenschijf -gewonnen Excalibur-cd, en speciaal het stuk Anne de Bretagne.

De nieuwe Fairport-cd ervaar ik als zeer genietbaar en voor vele draaibeurten vatbaar; zeer afwisselend en zonder maar een moment van verveling. Maarrr, op enkele tracks na, met de stem van Simon Nicol, is de sound van Fairport Convention erg afwezig. Is dat erg? Niet als het voorlaatste geluid ver na het verstrijken van de pensioengerechtigde leeftijd (67?) nog meemoet. Wel als dit een tijdelijke bevlieging is en hier geen vervolg (zonder de vele gasten) op komt en deze nieuwe weg wordt ingeslagen.

Dit is in ieder geval een prima cd waar zelfs inspirator Alan Simon z'n medewerking aan heeft gegeven. Tenslotte was Fairport ook bereid om hun medewerking te geven aan zijn concerten.

Fairport Convention heeft al vele malen een frisse doorstart gemaakt en dus ben ik bereid ze maar weer wat nadrukkelijker te volgen. En mischien moet ik m'n eigen sokken weer eens verruilen voor die geitenwollen van vroeger en afreizen naar Cropredy.

Joop Wieringa

Fame and Glory van Fairport Convention is uitgekomen op hun label Matty Grooves

[terug naar boven]


 

HET TOM PAXTON-PROJECT - door Joop Wieringa
(Bron: Amsterdamse Folkagenda januari 2010]

In februari zal het Mokum Folk Podium de plek zijn voor een leuk project van volksmuzikant Jos de Rooij, samen met Ruud de Jonker. Voordat ik Jos de Rooij bij u wil introduceren, is het misschien verstandig om even de hoofdpersoon van dit project te plaatsen. Het betreft de beroemde folkzanger/componist Thomas Richard Paxton beter bekend als Tom Paxton.

Tom, geboren op 31 oktober 1937, kwam als student in de begin jaren '50 in aanraking met Pete Seeger in Oklahoma. En in die tijd was Tom zelf al een belangrijk vertolker van de linkse muzikale stroming. Vanuit een kritische geest schreef hij toen bekende folkhits als 'The last thing on my mind' en 'Bottle of wine'. Hij trad in het begin veel op met mensen als Bob Dylan, Eric Anderson, Dave Van Ronk en Mississippi John Hurt.

Veel grote artiesten van toen (Lovin' Spoonful) en nu (Springsteen) hebben zijn songs opgenomen op hun repertoire. Pete Seeger nam destijds ook enkele stukken van hem op, zoals 'Ramblin Boy' ten tijde van de reünie met The Weavers en hij zong Toms liedjes tijdens het beroemde Newport Folk Festival in '63.
Nog steeds is Tom Paxton actief, zichzelf begeleidend op banjo en gitaar. En ook zijn scherpe pen is nog steeds aanwezig. Zo schreef hij 'On the road to Srebrenica' n.a.v. de moorden in het vluchtelingenkamp in 1995. Of 'The bravest', over de brandweermannen die hun leven gaven bij de hulp ten tijde van 11 september 2001. Nog recenter is 'I am changing my name in Fanee Mae', uit 2008, over de ‘bale-out' en de financiële crisis waar we nu allen last van hebben (of schijnen te hebben!). Z'n laatste cd op Appleseed Records verscheen vorig jaar met de titel Comedians and angels.

Nog steeds is Tom Paxton relevant en beinvloedt hij velen; zelfs bij ons, want de bekende Amsterdamse folkmuzikant Jos de Rooij is weer volop actief bezig met Tom. Als kind zat Jos al aan de accordeon en na het puberen werd dat een serieuze zaak, die accordeon. Ergens rond z'n 25e jaar richtte hij het curieuze gezelschap Naatje Brandhout Band op. Met een heuse elpee genaamd Dat schijnt te betekenen, vol Nederlandse volksliedjes en dansen. Men bracht deze muziek met een bijzondere sound; een combinatie van accordeon, draailier, tuba, banjo en wasbordpercussie. De elpee, uitgebracht in '83, bracht niet te veel succes, maar Jos had de smaak te pakken van het "in bandjes spelen"en z'n tweede band werd Over the road, met popcovers uit de jaren '60.

Rond '96 was er de groep Musica Interna van Jos de Rooij, waarbinnen vele culturen een onderdak vonden. De groep viel uiteen omdat de Chinese Sun Qi (een illegaal) steeds het land werd uitgezet. Ondertussen had onze hoofdpersoon van dit geschrevene ook een liedjesprogramma met multi-instrumentalist en ook zanger Ruud de Jonker. Met in het Nederlands vertaalde liedjes van de Amerikaanse folkartiest Tom Paxton.

Geld verdienen deed Jos als muziekdocent aan diverse Amsterdamse middelbare scholen. Zijn liefde voor de de Cubaanse Zaak bracht hem ertoe om daar z'n steentje aan bij te dragen en na dit korte avontuur besloot hij, terug in Nederland, beroepsmuzikant te worden. Hij is ergens onderweg ook de oprichter van onze Stichting Mokum Folk, zo'n dikke 30 jaar geleden. Later startte hij de zogenaamde meezingavonden op diverse locaties op de Kop van de Zeedijk, Amsterdam; nog steeds een zeer druk bezochte activiteit op de woensdagavonden (zie elders in ons blad).

Vanaf het moment dat Jos en Ruud hun programma, zo'n 11 jaar geleden, met Tom Paxton songs opstartten, was er al een idee voor het maken van een geluidsdrager met hun programma. Maar Ruud is net zo actief als Jos, dus heeft men nu pas de tijd gevonden voor hun langgekoesterde wens in de vorm van deze cd, Buitengaats, die op ons Mokum Folk Podium met veel medewerkers (muzikale gastbegeleiders) op 19 februari het officiële licht zal zien.

Volgende maand zal ik in mijn Radioprogramma Jos en Ruud vragen om de beweegredenen rond het maken van deze "verse schijf" (en uitgebracht met de toestemming van de Amerikaanse Meester, Tom Paxton, zelve).

In 2001 verschenen de eerste twee elpees van deze belangrijke muzikant bij het Elektra-label op cd met de titel Ramblin' Boy . Mooi werk met een hoog nostalgisch karakter en prima muziek voor de oudere jongeren die '64 en '65 bewust hebben beleefd en nu, digitaal, terug kunnen genieten! De boodschap van zijn songs is nog steeds actueel en van alle tijden.

[terug naar boven]



GOED GEVOLG - door Rob van Niele
(Bron: Amsterdamse Folkagenda januari 2010)

Een nieuwe band aan het folk-firmament heeft de naam 't Gevolg. De band is nieuw, maar de muzikanten lopen al wat jaartjes mee in de wereld van de volksmuziek. Hans van Deelen (zang, gitaar) en Doortje Schroevers (zang, viool, fluit, percussie) kennen we van Windvlaag, een formatie die in 2006 ophield te bestaan. Verder maken Welmoet Babellowsky (altviool) en Marcel van der Voet (trekharmonica, zang, percussie) deel uit van 't Gevolg. Welmoet speelde daarvoor klassieke muziek en Marcel was in een vorig leven gitarist in de Bredase formatie Navenant.

Hoewel 't Gevolg behoorlijk wat Windvlaag in haar DNA heeft, is er toch heel duidelijk voor gekozen om de nieuwe groep geen regelrechte doorstart te laten zijn van Windvlaag. Waar Windvlaag zich toch voornamelijk concentreerde op West-Europees, Nederlands en Keltisch, laat 't Gevolgd zich door een nog grotere diversiteit aan muziekculturen inspireren. En dat gaat ze zeker niet slecht af. Op de allereerste demo die het viertal onlangs heeft uitgebracht, staan achtereenvolgens te beluisteren het klezmerstuk 'Bulgar freilach', het door Wannes van der Velde uit het Italiaans vertaalde 'Zwavel en salpeter', het Macedonische lied "Jovana, jovanke' en 'Le charbonnier', een Frans-Canadees lied. Alle vier de nummers zijn van goede kwaliteit en overtuigend neergezet. Wanneer een groep uit zoveel verschillende bronnen put, ontstaat al gauw het risico dat de muziek in z'n totaliteit bezien toch een allegaartje gaat worden. Maar dat is bij 't Gevolg gelukkig niet het geval. De herkomst van de stukken blijft herkenbaar en de respectievelijke tradities wordt geen geweld aangedaan. En dat is geen geringe prestatie. De aanwezigheid van twee violen is natuurlijk een hele sterke troef, maar ook de andere instrumenten komen strak uit de verf. En vocaal hebben ze de zaken ook goed op orde.

Ik ben nu benieuwd naar de eerste volwaardige cd van 't Gevolg, maar nog meer naar hun podiumprestatie. Hou de Folkagenda dus goed in de gaten! Ook kan men een kijkje op hun website nemen: www.t-gevolgd.nl.

[terug naar boven]



HET CHARLIE POOLE PROJECT - door Herbert Bos
(Bron: Amsterdamse Folkagenda januari 2010)

Loudon Wainwright III/Proper Records Ltd./PRPCD052
Na de dood van Charlie Poole in 1931 schreef Bernice Coleman ‘Tribute to Pool' en Walter (Kid) Smith ‘The life and death of Charlie Poole'. In 1936 nam Ray Chaney ‘Memories of Charlie Poole' op. In 2009: de dubbele CD van Loudon Wainwright III: The Charlie Poole Project. Hierop staan ook nieuw geschreven nummers over het leven en over de persoon Charlie Poole.

Even iets over deze hoofdpersoon: Charles Cleveland Poole werd geboren in 1892. Als kind speelde hij al op een door hem zelf gemaakte banjo. In 1918 ontmoette hij de violist Posey Rorer. Naast het stoken en drinken van drank, maakten zij muziek. Een jaar later werd dit duo uitgebreid met de gitarist Will Woodlieff. Die gaf, na zijn huwelijk, zijn drinkende en spelende bestaan op. Zijn broer Norman Woodlieff, regelmatig afgewisseld door Clarence Foust, nam zijn plaats als gitarist van de groep in. Het trio trok als The North Carolina Ramblers door de zuidelijke staten van Amerika om muziek te maken en om te eten en te drinken.

In 1924 vatte Charlie het idee op om opnames te gaan maken. In juli 1925 werden er vier nummers opgenomen in de Columbia studio. De eerste 78-toeren plaat verscheen in september 1925: ‘Don't let your deal go down blues' en ‘Can I sleep in your barn tonight, Mister?'. Het werd een enorme hit. Er werden 102.000 platen van verkocht. Bedenk hierbij dat als je toen meer dan 5.000 platen verkocht, er al sprake was van een succes en bij meer dan 20.000 was dat een hit. De twee andere opnames, ‘I'm the man that rode the mule ‘round the world' en ‘The girl I left in sunny Tennessee' verschenen een paar weken daarna en werden ook een ‘smash hit' (65.500 exemplaren verkocht). Dankzij deze successen boekte The North Carolina Ramblers meer optredens en in grotere zalen.

In 1925 ontmoetten zij de gitarist Roy Harvey. Charlie trok hem aan als zijn vaste gitarist in ‘Charlie Poole with the North Carolina Ramblers'. Dit trio heeft tot 1930 zo'n 100 platen opgenomen. Deze vormden de bron voor Loudon Wainwright III. Op de dubbele CD staan vier door Loudon Wainwright en Dick Connette nieuw geschreven nummers over Charlie Poole en in de sfeer van Charlie Poole. Waaronder de titelsong ‘High Wide & Handsome' over de levensstijl van Charlie. Even een strofe om dit leven weer te geven: "Song, wine and women; they're my 3 favorites; beer, gin and whiskey; that's 5,6, and 4". Met ‘The man in the moon' over hoe het is om getrouwd te zijn met een man zoals Charlie Poole . En ‘Charlie's last song' over zijn dood.

De andere 25 nummers zijn ook door Charlie opgenomen. Opvallend is dat sommige nog steeds of nu weer zeer actueel zijn. Neem ‘Old and only in the way', refererend aan de grijze golf. Voor alle nummers geldt dat ze klinken alsof ze pas geschreven zijn. Terwijl het traditionals zijn, geschreven in de 19de eeuw.
NB: Na de crisis was Charlie Poole totaal van het toneel verdwenen. Van zijn laatste plaat, ‘Milwaukee Blues', uitgegeven in 1930, werden nog geen 900 exemplaren verkocht. In 1931 kreeg hij toch een opdracht om muziek bij een film te maken. Hij vroeg om een voorschot. Is toen vreselijk aan de drank gegaan om het te vieren. Hij is toen aan de drank overleden.

Loudon Wainwright III, Poper Records Ltd./PRPCD052

[terug naar boven]


O'BRANONS SFEERMAKERS IN ALLEMAN - door Rob van Niele
(Bron: Amsterdamse Folkagenda december 2009)

De uit Noord-Holland afkomstige Ierse formatie O'Branons beet de spits af van de serie Mokum Folk Podium-optredens, en dat deden ze op overtuigende wijze. Het was in het begin wel even wennen, want de vier muzikanten speelden nog een beetje, laten we zeggen, ingehouden en de vonk wilde niet direct naar het publiek overslaan. En vice versa, want ook het publiek moest duidelijk eerst worden opgewarmd. Het valt ook niet mee om op de vroege vrijdagavond in een zaal ergens in een buitenwijk van Amstelveen, één twee drie een Ierse sfeer neer te zetten. Zang, Ierse bouzouki, banjo, gitaar, viool, uillean pipes, fluiten, accordeon en bohdran, de chemie tussen alle aanwezige elementen bleef aanvankelijk uit. Maar na een aantal nummers gebeurde toch wat we allemaal hoopten: de band kwam los en het publiek reageerde navenant. En na de pauze leek het zowaar wel of er een andere band op het podium stond. Zo voorzichtig als het in de eerste set nog klonk, zo zelfverzekerd en trefzeker waren de O'Branons in het gedeelte na de pauze. Het publiek zong en klapte vrolijk mee, en na de tweede set volgden nog een stuk of wat toegiften.

De O'Branons mochten dan wat langzaam op gang komen, aan hun muzikale kwaliteiten heeft het zeker niet gelegen, ook al ging er best wel eens iets mis. Stuk voor stuk kunnen Loes Bakker (uillean pipes, fluit), Ger Kloosterman (bodhran, fluit), Titus Kraakman (bouzouki, gitaar, zang) en Geert Titsing (viool) een prima partijtje Iers weggeven op hun instrument. Het repertoire bestaat voornamelijk uit klassiekers uit de Ierse folk, dus veel jigs, reels en pubsongs, en materiaal van de grote namen van het groene eiland. Volgens henzelf reden om geen cd op te nemen: "alles staat al op cd's van andere artiesten". Hoezeer deze bescheidenheid de band siert, wat mij betreft mogen ze best een cd maken met traditionals, want de O'Branons hebben wel degelijk een eigen geluid. Er was trouwens ook een eigen compositie te horen, het prachtige door Loes Bakker geschreven nummer "Rise of the tide". Een instrumental waarbij Loes Ierse fluit speelt, begeleid door Ger op de bodhran. Deze slow air eindigt in een stevige reel. Een knappe prestatie.

De zang kwam voor rekening van Titus Kraakman, en dat deed hij niet onverdienstelijk. Zijn stem doet heel in de verte een beetje aan die van Andy Irvine denken, ook al heeft hij niet de geoliede twist in zijn stem die zo karakteristiek is voor de grote meester. Maar Titus heeft ook niet de pretentie om op zo'n icoon te willen lijken, en dát is precies zijn kracht. Hij blijjft gewoon zichzelf en staat vol overgave te zingen met volgens mij als enige doel het de mensen naar de zin te maken. Ook zijn presentaties van de nummers zijn op die leest geschoeid. Met veel gevoel voor humor en zelfrelativering. En zo nam hij de zaal helemaal voor zich in. Of hij nu een smartlap zong of een meezinger. Het ging erin als koek.

Met hun ontspannen inslag en gevoel voor entertainment zijn de O 'Branons misschien wel Ierser dan ze van zichzelf denken.

[terug naar boven]


DIRK POWELL AND FRIENDS - PARADISO, 19 OKTOBER 2009 - door Herbert Bos
(Bron: Amsterdamse Folkagenda december 2009)

Vorig jaar heb ik al eens een artikel geschreven over Dirk Powell, de oldtime-banjonist uit de noord Amerika. Dit naar aanleiding van zijn nieuwste cd Time again. Omdat hij deel uitmaakte van de begeleidingsband van Joan Baez, die in Amsterdam en Groningen concerten gaf, was Dirk in Nederland.

Dirk Powell heeft vorig jaar de cd van de Inlaw Sisters geproduceerd. Dit Amsterdamse duo, bestaande uit Monique Neutekom en Anneke van der Poll, brengt Appalachain mountain music met songs van o.a. the Carter Family, Hazel Dickens en Tracy Schwartz. Powell heeft de cd (op het label van Straydog Mountain Music) niet alleen geproduceerd, maar hij speelt er ook banjo en viool op. Natuurlijk lag het voor de hand dat Powell een concert zou geven hier in Amsterdam, samen met de Inlaw Sisters. De opbrengst van het concert was bestemd voor de reis- en verblijfkosten van de vrouw van Dirk: Christine Belfa. De dochter van de beroemde cajun-harmonica speler Dewey Balfa, beroemd van de cajun band The Balfa Brothers. Dochter Christine en Dirk vormen het middenpunt van The Balfa Toujours.

Er werd dus een avond met Appalachain mountain music; oldtime music en cajun music beloofd. Wel, deze avond werd een FEEST. De grote zaal van het podium was vrijgevallen (een cadeautje). Er werd dus opgetreden op het grote podium. De zaal was gezellig ingericht met tafels en stoelen. Er kwam, op deze maandagavond, voldoende publiek op het optreden af om de zaal gezellig gevuld te hebben.

De optredens begonnen met the Inlaw Sisters. Het halfuur durende optreden was goed. Krachtige stemmen en een ontspannen sfeer. In de loop van het optreden pakte Powell zijn 5-string banjo en begeleidde de dames, zoals op de cd, maar dan live! Na een korte pauze bracht Powell, met de gitarist van de begeleidingsband van Joan Baez, een set oldtime music. In de loop van deze set aangevuld met de violist (de Brit Jock Tyldesly) en de bassist van de begeleidingsband. Niet het geijkte oldtime repertoire, maar heel mooie melodieën, waarvan sommige recent door hem geschreven. Tijdens een nummer, geschreven naar aanleiding van de gebeurtenissen in Irak, kon je de beroemde speld in Paradiso horen vallen. Hij bezong de psychische dood van een soldaat die een vijfjarig meisje had doorgeschoten. Zoals al gezegd "geen geijkt oldtime repertoire". Dirk speelde afwisselend banjo en viool.

Na wederom een korte pauze werd door Powell de trekharmonica voor de set Cajun music opgepakt. Omdat zijn dochter de griep had, kon zijn vrouw niet aanwezig zijn. Het aantal artiesten werd uitgebreid met bandleden van de Nederlandse groep Cajun Company. Monique Neutekom is één daarvan. Tijdens deze set werd het een waar feest. Er kwamen steeds meer leden van de Cajun Company op het podium. Mensen uit het publiek begonnen te dansen en Powell kreeg er nog meer plezier in.

Één van de dansende dames was Joan Baez, die het duidelijk op haar vrije avond ook zeer naar haar zin had. Natuurlijk kon de vraag van Powell niet uitblijven. Hij nodigde Baez uit op het podium. Zij zong twee songs ("Long black veil" en "Joe Hill").

De avond werd afgesloten met opnieuw een set cajun music, waarbij de harmonica- speler van de Cajun Company, Bas van der Poll, de uitdaging van Powell aannam, zijn cajun-harmonica overnam en ook de sterren van de hemel speelde.

De laatste nummers waren voor Dirk Powell en zijn band. Hij sloot de avond af met twee traditionele cajun songs.

Een fantastische gebeurtenis: Dirk Powell and Friends.

[terug naar boven]


THE REAL THING - door Joop Wieringa
(Bron: Amsterdamse Folkagenda december 2009)

Dit jaar kwam DJ Shantel weer op bezoek bij de dance scene van Nederland. Hij heeft de Balkan-brass salonfähig gemaakt bij het dansend jongerenpubliek.
Ook zijn nieuwe cd Planet Paprika is weer van een aanstekerig gehalte brass, klez, reggae enzovoort. De opening zou zo van een Mexicaans dorpsorkest kunnen zijn en daar haalt hij ook z'n inspiratie vandaan. Puur van het dorp, diep met de wortels in de cultuur, met de mooiste folkloristische melodietjes.
En zo'n sound vinden we ook bij de Hudaki Village Band, een dorpsband uit Nizjni Selisjtsje, een dorp in Transkarpatie (Roethenië) in West-Oekraïne. Zet hun nieuwste cd Hudaki aren't people op en je proeft paprika, zurige wors, zware aardappelen met scherpe doorzichtige dranken waar je puur groggy van wordt. Je ruikt de varkens op het land en de paarden op stal.

De muziek is sterk beinvloed door z'n omgeving: Roemenië, Hongarije, Polen en Tsjechië. Toch heeft de muziek ook iets eigens. De taal heeft sterke verwantschap met het Russisch; hier en daar wordt samengezongen, wat wel echt Oekraïns is maar toch ook wel Pools. Typerend bij deze Hudaki Village Band is het gebruik van de grote trom gelijk met het cymbaal en ook de combi van viool en floiar(hoge herdersfluit) is wel eigen. Iedereen zingt, maar twee vrouwen hebben een hoofdrol bij deze groep van zeven prima muzikanten. De hoofdstem van Katja Sjpenovich heeft de kracht en timbre van een jonge uitvoering van de Hongaarse diva Martha Sebestyen.

Het is echte dansmuziek met een prettige rommeligheid zonder slordig te klinken, maar juist levendig. Af en toe wordt het geweld afgewisseld met een kort intermezzo van een doorleefde zangersstem, zo vanuit het dorp geplukt, wat het etnische karakter van de cd benadrukt. Zoals"Vasko", met alleen de hoge fluitbegeleiding. Doordat enkele leden multi-instrumentalisten zijn, krijgt de cd ook een zeer afwisselend geluid. Soms klinkt de samenzang, als iedereen mee doet, haast zoals bij de Roma, en dan weer klinkt het puur Pools-Russisch.

Hudaki aren't people is in een zeer fraai boekwerk gestoken met veel foto's van de groep in het wild en sessiefoto's in zwartwit, wat het geheel mooi oud doet lijken. Ook de teksten zijn hierin afgedrukt, in het Oekraïns, Engels, Frans en Duits. Als dit stevige boekje was uitgebreid met twee bladen, dan hadden we ook viertalig een introductie van de groep en hun cultuur gehad, maar dat is dan ook m'n enige kritiekpuntje. De opnamen zijn helder en duidelijk, kortom: een volwaardig product dat uitnodigt om de groep live te zien. Wie weet kan dat volgend jaar, want afgelopen november had De Speelman (www.despeelman.nl) hen hier al naar toegehaald.

Dergelijke dorpsorkesten - de vertaling van "Hudaki" - doen ons beseffen dat de eigenheid in verscheidenheid van diverse culturen in de wereld, de mens zo boeiend maakt en deze verschillen niet verloren mogen gaan. Kijk ‘anders' naar "hoofddoekjes" en wees niet bang. Geniet van iemands "anders zijn" in deze veelkleurige wereld.

Hudaki Village Band - Hudaki aren't people, te bestellen via www.hudaki.org

[terug naar boven]

 


IN MEMORIAM JEROEN SMOORENBURG  - door Gerrit Bos
(Bron: Amsterdamse Folkagenda december 2009)

Op 16 oktober is door een noodlottig motorongeluk Jeroen Smoorenburg, slagwerker van o.a. Raromski en Kaleb, om het leven gekomen.

Jeroen begon op tienjarige leeftijd met volksdansen. Toen hij 14 jaar was, werd hij (als jongste danser ooit) aangenomen bij Joegoslavisch Danstheater ORO (het latere KOLO) in Amsterdam. ORO stond onder leiding van Ciga Despotovi?. Op 18-jarige leeftijd ging Jeroen zich meer bezighouden met folkloremuziek uit de Balkan-landen. Onder diverse leermeesters heeft hij zich geschoold in het bespelen van verschillende slagwerkinstrumenten, waaronder darabuka (tarabuka), tapan (tupan/davul), def (deire) en dohol. Vooral de emotionele muziek van de zigeuners uit de Balkan, de Albanese volksmuziek en de Griekse muziek met haar complexe ritmes hadden zijn speciale aandacht. Naast het spelen in diverse formaties hield Jeroen vrije tijd over voor het repareren van percussie-instrumenten. Hij gaf percussieles en bouwde zelf tapans. Het muzikaal begeleiden van danslessen was een van Jeroens specialisaties. Hierin had hij al ruim tien jaar ervaring. Jeroen werkte onder andere samen met docenten Jaap Leegwater, Dick van der Zwan, Eddy Tyssen, Martin Ihns en Yves Moreau. Jeroen was vaak in het buitenland om deze docenten te begeleiden, slagwerklessen te geven en te spelen voor internationale volksdansbals.

 

[terug naar boven]

 


BAUKJE ASMA 13 APRIL 1964 - 21 OKTOBER 2009 - door Peter Koene
(Bron: Amsterdamse Folkagenda december 2009)

Baukje Asma was tussen 2000 en 2007 zangeres en tinwhistle-speelster in de tweede bezetting van de maritieme folkgroep de FooFooBand. Haar stem leende zich uitstekend voor een aantal prachtige liederen uit het repertoire, zoals "Stow Brow" of het a capella gezongen "Lowlands". Tot het overlijden van Bert Aalbers verzorgde de FooFooBand talloze optredens, van Enkhuizen, Baukjes geboorteplaats, tot Douarnenez in Bretagne. In 2002 was het 400 jaar geleden dat de VOC werd opgericht en ter gelegenheid daarvan bracht de groep een CD uit, Heren van zes weken (PAN Records, PAN 204). Baukje zingt hierop met mij een duet, "Aurora", maar is ook te horen in het prachtige, a capella gezongen "Anna Katryn" en in het pikante "Wie je ook wezen mag".

De FooFooBand werd nooit officieel opgeheven, maar was, na het laatste optreden voor Mokum Folk, niet meer actief. Baukje speelde daarna nog enige tijd tinwhistle in een groep die Ierse muziek maakte.

In het voorjaar van 2008 werd bij Baukje kanker geconstateerd. Talloze behandelingen heeft zij gedurende anderhalf jaar dapper ondergaan en nooit de moed opgegeven. Toch heeft 't uiteindelijk allemaal niet mogen baten. Zij was een bijzondere, enthousiaste vrouw met eigen ideeën en ze wist wat ze wilde. Haar stem is nu verstomd. Ik mis haar, maar ben ontzettend blij haar gekend en met haar samengewerkt te hebben.

[terug naar boven]


EEN ONTMOETING MET ROBERT BURNS - door Marcel Möller
(Bron: Amsterdamse Folkagenda november 2009)

Na de Glasgowreis in het spoor van Robert Burns (zie het meinummer) konden we maar geen genoeg krijgen van Schotland. Dus brachten we er ook de zomervakantie door, uiteraard in de hoop om weer wat mooie live muziek te horen. En dat lukte. Ook de beroemde Schotse bard kamen we weer tegen. Dit maal zelfs in eigen persoon...

‘Highland ceilidh' in Taynuilt, een gezellig dorpje vlakbij Oban aan de westkust. Een gezellige avond met amateurmuzikanten uit de streek. Piping, Highland Dancing, Gaelic & Scots Songs, Fiddle and Accordion Music, etc. Capercaillie-leden Robert Shaw en Karen Matheson zijn in Taynuilt geboren, dus de verwachtingen waren hoog gespannen.

Wat zingen de Schotten toch gemakkelijk, zelfs a capella! Fier maar ontspannen staan ze er bij en schijnbaar moeiteloos brengen ze hun songs. Een dame van middelbare leeftijd zong prachtig zonder begeleiding enkele songs in het oude gaelic. De jonge Robert Robertson zong prachtig, onder andere twee liederen van Burns. Hij heeft voor zijn leeftijd al een opmerkelijk volle stem. Van die jongen gaan we misschien nog meer horen. De avond werd in het Engels met een warm Schots accent aan elkaar gepraat door oud-onderwijzer Malcom Black. Ook werd er gedanst in het kleine zaaltje dat ook als gymzaal wordt gebruikt. Maar daar hebben we maar vanaf gezien.

Werd in januari de (250ste) geboortedag van Robert Burns (1759 - 1796) herdacht, eind juli stonden de liefhebbers stil bij zijn sterfdag. De universiteit van Glasgow organiseerde een Summer School rond Schotlands nationale dichter. Het einde van deze week werd gevierd in Dumfries (waar Burns is gestorven) met een diner onder de titel Dinner with Burns. Dat mochten we niet missen natuurlijk!

In een grote zaal waren zo'n zestig Burnsianen bijeen gekomen, onder de hoede van de ‘president' van de Robert Burns World Federation en verschillende professoren gespecialiseerd in de beroemde bard. Hoogtepunt van de avond was de komst van Burns zelf. Nou ja, van de acteur William Williamson die zijn rol speelde. Dat deed hij geweldig. Williamson reciteerde gedichten in mooi oud ‘scottish', onder andere A man's a man for a'that, Burns verlichte pleidooi voor gelijkheid van alle mensen. En hij zong, begeleid door twee muzikanten, verschillende songs. Zoals gebruikelijk zong het publiek het refrein weer mee. De verschillende onderdelen praatte Williamson met humor en in de geest van Burns aan elkaar. En omdat hij best wel op Rabbie lijkt, kreeg je inderdaad het gevoel de beroemde zoon van Schotland iets beter te hebben leren kennen.

Het gezelschap, waarvan velen uitgedost in opmerkelijke tartan kilts, broeken of jasjes, was uitstekend: gastvrij en met die onbetaalbare Britse humor. Ook het diner, waarin de haggis natuurlijk niet ontbrak, was uitstekend.

Al met al twee geweldige avonden met hartverwarmende mensen die helemaal in de geest van Burns hand-in-hand werden afgesloten met de bekendste van alle songs: For Auld lang syne:

And there's a hand, my trusty fiere!
and gie's a hand o' thine!
And we'll tak a right gude-willy waught,
for auld lang syne.


Thuisgekomen meteen lid geworden van de Robert Burns World Federation!

[terug naar boven]


EEN BIJZONDERE COMBINATIE - door Joop Wieringa
(Bron: Amsterdamse Folkagenda november 2009)

Van deze combinatie heb ik nooit kunnen dromen. De Jiddische taal is een levende taal, gebruikt in veel internationale gemeenschappen. Het is een Germaanse taal ontstaan uit het Oud-Duits met leenwoorden uit de Balkan. Zo'n drie miljoen Joden spreken deze taal nog, met heel veel verschillende "taalvormen". Daar waar veel Joden wonen, "verbuigt" de taal zich naar de landstaal waar men woont, zoals het Pools-Jiddisch, het Hongaars-Jiddisch, het Russisch-Jiddisch etc. En dat over de hele wereld. De grootste Jiddisch sprekende gemeenschappen vinden we in Amerika.

Lorin Sklamberg is de leider van de Amerikaanse groep The Klezmatics, een klezmergroep met een lange staat van dienst die met hun laatste cd Wonder Wheel (met gedichten van Woody Guthrie) een grammy in de wacht hebben gesleept. Op deze cd hebben ze Susan McKeown uitgenodigd als gastzangeres. Susan McKeown is een gevierd sean-nos zangeres met eveneens een lange staat van dienst. Ook zij heeft een groot aantal fraaie cd's gemaakt. Sean-nos-zang is de traditionele manier van zingen uit Ierland vol ornamenten en versieringen; meestal a-capella gezongen in het Gaelic.

De samenwerking beviel zo goed dat beide hoofdpersonen besloten hebben om nog een cd te maken. Dit jaar verscheen de opmerkelijke cd Saints & Tzadiks ("heiligen en rechtschapenen"). De cd bestaat uit traditionele songs uit de Ierse en de Jiddische cultuur, een combinatie. Men zingt soms in het Jiddisch, soms in het e Engels, soms in een combinatie van beide, en hier en daar zingt Susan een sean-nos-lied alleen. En ondanks de verscheidenheid is het toch een coherent geheel van bekende en minder bekende songs. Soms zijn de liedjes gegoten in een stapellied-vorm, soms als een mengsel van meerdere liedjes of een aaneengeregen liedjesvorm. De Ierse liederen hebben ook echt een Iers karakter en dat geldt ook voor de Jiddische liedjes, met hun specifieke uitstraling. Daar waar het lied in beide culturen dezelfde ‘lading' heeft, is er bijvoorbeeld gekozen voor verschillende melodieën. Dat pakt zeer verfrissend uit bij een oude standard als "Johnny I hardly knew you", een anti- oorlogslied dat hier de verzamelnaam van "Prayer for the dead" meekreeg. Beide stemmen mengen zeer mooi en de ingetogen begeleiding is swingend genoeg waar het nodig is. Een bijzonder en afwijkend stuk op deze cd is toch wel de tango-song "Buenos Aires", maar met een intrigerend verhaal van "blanke slavinnen" in de Eerste Wereldoorlog uit Polen. Moeders uit Warschau die hun dochters verkochten voor een beter bestaan voor hun dochters in Brazilië of Argentinië, wat in die tijd natuurlijk "verweggiestan" was. En daar werden ze gebruikt voor de prostitutie. Er schijnt ook een theorie te bestaan dat met deze slaven ook de tango is meegekomen vanuit de streek rond Warschau. Het nummer staat er een beetje los van de rest maar is zeker niet slecht.

Ditzelfde jaar verscheen er nog een cd in, bijna, dezelfde combi: Partisans & Parasites van Daniel Kahn & The Painted Bird. Dit keer is het bij deze groep stevig en louter Klezmer van het pittige soort. Maar wederom zeker niet slecht en ook wel met ingetogen momenten. Zoals de titel al aangeeft is het thema ‘rebelsongs' ,oud en nieuw. De teksten zijn sterk; luister bijvoorbeeld naar "Six Million Germans". Ook hier wordt soms Engels en Jiddisch door elkaar gezongen in een nummer. Het geheel zou je zonder moeite "Avant-Klezmer" gedoopt in cabaresque sfeer kunnen bestempelen. Een beetje politieke provocatie-met-vette-knipoog is ook onderdeel van dit geheel. En hier en daar een zweem van "Kurt Weill-isch" maakt de typering van deze muziek wel compleet. Speciale aandacht vraag ik, op deze cd, voor een van mijn lievelingsliederen uit de Jiddische cultuur: "Mayn Ruhe Plats", hier toch ook weer mooi ingetogen gebracht en een waardige afsluiter op een prima cd.

Beide cd's zijn weer een stap verder dan de gebruikelijke klezmermuziek. Verschillend van elkaar maar erg sterk in hun soort.

Susan McKeown en Lorin Sklamberg, Saints & Tzadiks, World Village
Daniel Kahn & The Painted Bird, Partisans & Parasites, Oriente Musik

[terug naar boven]



CHARDON, EEN ECHTE BALFOLK-FAMILIEBAND
- door Joop Wieringa
(Bron: Amsterdamse Folkagenda oktober 2009)

De Uitmarkt zit er voor ons ‘mokumfolkies' weer op. We kijken terug op een prima weekend vol live-optredens en een drukbezochte stand. De live-optredens begonnen met Chardon, helemaal uit Friesland gekomen en op doorreis naar België voor een Balfolk-optreden. Het miezerde nog een beetje en ze speelden achter onze stand, onder het zeil, want muziekinstrumenten horen niet in de regen. Later zou de buurman van tweehoog achter onze stand nog memoreren: "Ik hou wel van zo'n Middeleeuws muziekje onder mijn balkon". Weet hij veel. Echte "lage-landentrad.", dát was het en toen ik thuis hun pasgemaakte cd beluisterde, was er van dat Middeleeuwse echt geen sprake. Eerder is het een geluid van een behoorlijke band, vooral als er drums bij te pas komen.

We hebben het hier over de familie Jorissen met twee extra medeleden en helemaal uit Harlingen. Centraal bij Chardon is het draailier- en doedelzakgeluid, naast trekzak, cello, basgitaar en percussie inclusief drums. Vooral als de twee (!) draailieren en doedelzak gezamelijk optrekken ontstaat er een soort lekkere "wall of sound" (vrij naar Spector) en daar men niet snel speelt, krijgt het een extra zwaar accent, wat krachtig overkomt. Op andere momenten zorgt het drumstel voor deze pittigheid.

In april van dit jaar heeft Chardon een gelijknamige cd uitgebracht. Er zit veel variatie in deze bijna volledig instrumentale cd, doordat niet iedereen overal gelijktijdig meespeelt, er diverse percussievormen zoals darabuka, drums en cajon worden bespeeld, en de diverse dansritmen met veel afwisseling achter elkaar zijn neergezet. Met deze instrumenten is Chardon natuurlijk bijzonder gecharmeerd van de Franse traditie, maar veel composities zijn ook van eigen hand, en dat is grote klasse. De goedverzorgde inleg geeft ook veel uitleg over de herkomst van zo'n compositie. De hele cd oogt als een professioneel product.
Een heel klein kritiekpuntje is de toch wat ‘iele' zangstem. "Ze zijn nog jong," zal ik maar zeggen en bij het laatste stuk live-optreden ook wat ongelijk, klinkt het. Het klinkt misschien ook ‘dun' ten opzichte van het magistrale geluid als iedereen meespeelt. En, oh ja, de cd is niet alleen om naar te luisteren, maar zeker ook om op te dansen; het is tenslotte Balfolk-muziek. Aanschaffen en de muziek een tikkie harder en de bourees, mazurka's, andro's en walsen knallen swingend je luidsprekerboxen uit. Je hebt een feestje thuis.

Zodra wij ons nieuwe folkpodium weer hebben heringericht, dan kunt u dit geweldige orkest Chardon zelf bij ons komen bewonderen en ik beloof u een prima middag.

De cd is in eigen beheer uitgegeven dus ga naar www.chardonfolk.nl of info@chardonfolk.nl

Veel plezier!

[terug naar boven]


MIKE SEEGER 1933 - 2009 - door Herbert Bos
(Bron: Amsterdamse Folkagenda oktober 2009)

Begin september was ik op een picking party in het Groningse Vriescheloo en hoorde ik dat Mike Seeger was overleden. Hij bleek op 7 augustus thuis, na het staken van de behandeling tegen kanker, te zijn overleden. Hij is net geen 76 jaar geworden.

Mike Seeger is de stiefbroer van de bij een veel breder publiek bekende Pete Seeger. Mike werd op 15 augustus 1933 geboren in New York en groeide op in Maryland en Washington. Hij begon in 1952 opnames te maken van artiesten die de authentieke oldtime music speelden. Hij reisde Noord-Amerika rond en gebruikte een taperecorder om de muzikanten met hun muziek vast te leggen. Dat heeft Mike gedaan tot ver in 1967.

In 1958 richtte hij samen met John Cohen en Tom Paley The New Lost City Ramblers op. Tom Paley verliet de band en werd vervangen door Tracy Schwarz. In deze bezetting hebben ze ruim 50 jaar samen gespeeld.

Het verzamelde materiaal op tapes en oude 78-toeren platen uit de jaren '20 en '30 van de vorige eeuw gebruikte hij om het enorme repertoire voor The New Lost City Ramblers op te bouwen. Er zijn meer dan 40 elpees en later cd's verschenen van The New Lost City Ramblers en van muziekproducties waar Mike zijn medewerking aan heeft verleend. Zo verscheen er in 1997 de cd Close to home, met materiaal van zijn verzameling aan geluidsopnames gemaakt in de jaren '60.
Zijn recentste cd's waren opnames waarop hij telkens één instrument uitvoerig behandelde. De laatste in deze reeks verscheen in 2007: Early southern guitar sounds. Mike was namelijk een multi-instrumentalist. Hij zong, speelde gitaar, autoharp, viool, 5-string banjo en op al deze instrumenten even goed, ja, zelfs virtuoos. Hij is Folkways Records (later Smithsonian Folkways Recordings) altijd trouw gebleven. Dus op hun site: www.folkways.si.edu vind je alle informatie over de uitgaven.

Waren de elpees van The New Lost City Ramblers al fantastisch gedocumenteerd (in alle hoezen zaten de songteksten), deze laatste uitgaven zijn voorzien van boekjes die nog net in het cd-boxje passen. De boekjes zijn prachtig uitgevoerd met foto's van de instrumenten die bespeeld worden en bevatten veel achtergrondinformatie over het instrument, zoals over de bouwer en het bouwjaar.

Het mooiste document van zijn hand, voor mij, is nog steeds The New Lost City Ramblers Song Book, een uitgave van Oak Publications, New York uit 1964. Een met John Cohen samengesteld boek met ruim 200 oldtime songs, compleet met muzieknoten, tekst en gitaarakkoorden en rijk geïllustreerd met ruim 120 foto's.
Voor mij was Mike Seeger een groot artiest. Dankzij hem ben ik in aanraking gekomen met American old time music.

[terug naar boven]


MARY TRAVERS 1937 - 2009 - door Rob van Niele
(Bron: Amsterdamse Folkagenda oktober 2009)

Op donderdag 17 september is ook een andere grootheid van de Amerikaanse folk ons ontvallen, namelijk de zangeres Mary Travers. Op 72-jarige leeftijd is zij na een lang ziekbed overleden aan leukemie. Travers vormde samen met Peter Yarrow en Noel "Paul" Stookey het folktrio Peter, Paul & Mary, dat in de jaren '60 grote successen boekte met hits als 'If I had a hammer' (van Pete Seeger en Lee Hays), 'Blowin' in the Wind' (van Bob Dylan) en de nummer 1-hit 'Leaving on a jet plane' (van John Denver). Ook zongen ze nummers van Gordon Lightfood ("Early morning rain") en Tom Paxton ("The last thing on my mind"). Een andere grote hit van het trio was 'Lemon Tree', een van oorsprong Braziliaans folksliedje ('Meu limão, meu limoeiro') waarvoor de Amerikaan Will Holt een Engelse tekst had geschreven die behalve door Peter, Paul & Mary, ook werd gebruikt door onder anderen The Kingston Trio, The Seekers, Sandie Shaw, en Trini Lopez.
In hun muziek toonden Peter, Paul & Mary zich een zeer geëngageerde formatie die gevoelige sociaal-politieke onderwerpen van destijds, zoals met name armoede en rassendiscriminatie, bepaald niet uit de weg ging.

In de jaren '60 behoorden Peter, Paul & Mary de meest populaire folkbands van Amerika. Hoewel ze in 1970 uit elkaar gingen om zich aan hun solocarrières te wijden, zijn ze vanaf 1978 weer zeer regelmatig bijeengekomen om als trio op te treden en platen te maken. Sinds hun gelijknamige debuut in 1962, hebben Peter, Paul & Mary meer dan 19 platen geproduceerd. Travers zelf heeft vijf solo-albums op haar naam staan, de laatste dateert uit 1978.

[terug naar boven]


SARAJEVO, CD'S EN SEVDAH - door Anita Kenbeek
(Bron: Amsterdamse Folkagenda september 2009)

Vanwege een soort interrail-pas kwamen we deze zomer min of meer bij toeval in Sarajevo terecht. Het was 22 jaar geleden dat we daar voor het laatst waren. Het oude gedeelte Bascarsija is na de oorlog prachtig nieuw opgebouwd, al heb ik wel het gevoel dat het nu allemaal veel van hetzelfde is: de talloze cevapcici-restaurantjes die allemaal op precies dezelfde manier het eten serveren, het straatje met de koperwaren lijkt ook te bestaan uit identieke winkeltjes. Voor mijn gevoel was er vroeger meer onderscheid en diversiteit in de winkeltjes en restaurantjes.

In de grote, moderne winkelstraat troffen we een jongeman die met een kraampje cd's stond. Een waar Luilekkerland, als je van Balkanmuziek houdt. Opvallend vond ik dat hij zowel Bosnische, zigeuner als Servische cd's verkocht. Negen jaar geleden werd er bijvoorbeeld in Dubrovnik alleen Kroatische muziek verkocht en pas als je er om vroeg werd er ‘van achter' een Bosnische cd opgehaald, nadat ze zich ervan hadden overtuigd dat dit echt de bedoeling was. Deze jongeman in Sarajevo had een keur aan cd's. En het is dan moeilijk om een keuze te maken. Het liefst zou je minstens driemaal zoveel cd's willen kopen. Wij hebben ons beperkt tot twee cd's van Nedžad Salkovic met prachtige sevdah-nummers, een cd met oude opnames (1965-1989) van Saban Bajramovic, een cd met Servische kolo's en een cd van The Black Panthers (authentieke zigeunermuziek uit Servië).

Op de terugweg naar ons hostel in de oude wijk kwamen we langs het Sevdah-museum, dat in een voormalig koopmanshuis is gevestigd. Volgens de informatie bij de ingang verkopen ze ook cd's! Helaas was het al sluitingstijd geweest. Gelukkig was het bijbehorende restaurant op de binnenplaats wel open. Daar werd non-stop sevdah-muziek ten gehore gebracht. Bovendien werd er ‘sevdah-koffie' geserveerd: turkse koffie in kleine kommetjes met een stukje lokoum.
Ben je niet in de gelegenheid zelf naar Sarajevo te gaan en je zou toch graag een ruime keus aan Balkanmuziek willen hebben: ga dan naar www.passiondiscs.co.uk Op deze site vind je honderden cd's, zowel zigeuner als uit alle Balkanlanden.

Helaas geen sevdah! Daarvoor zul je dus echt naar Sarajevo moeten. Van de meeste cd's zijn van een aantal nummers korte fragmenten te horen, zodat je je min of meer een beeld kunt vormen van wat je van zo'n cd kunt verwachten. Ook staat er bij elke cd wie de muzikanten zijn, soms ook met uitleg over de muziek.
De prijzen variëren van 8,99 tot 12,99 GBP (Engelse pond). Zelf heb ik er nog niet iets besteld, dus ik heb geen info over leveringskosten en leveringstijden.
Weet een van de lezers een adres waar wel cd's met sevdah-liederen te bestellen zijn, laat het weten. Er zijn vast mensen die dat graag willen weten.

Op zoek op internet naar info over het sevdah-museum (geen eigen site) kwam ik op een Amerikaanse site. Tot mijn grote verrassing vond ik daar van 350 sevdah-liedjes de uitgeschreven tekst! www.sevdalinke.com. Op internet kwam ik ook de afstudeerscriptie (muziekwetenschap Universiteit van Amsterdam) van Mirta Mehmedi? tegen: De Bosnische sevdalinka (musicology.nl/WM/scripties/mehmedic.pdf). Zij beschrijft de herkomst van en de vele visies op de sevdalinka.

[terug naar boven]


MAALSTROOM EN JO FREYA BRENGEN NIEUWE FOLK - door Rob van Niele
(Bron: Amsterdamse Folkagenda september 2009)

Op vrijdag 14 augustus werd in het fraaie Haarlemse Rosenstock-Huessy Huis de try-out gehouden van het samenwerkingsproject van Maalstroom en Jo Freya. Maalstroom heeft zich de afgelopen jaren opgewerkt tot een van de meest baanbrekende folkformaties van ons land. Met hun onconventionele aanpak - uitstapjes naar andere genres, veel eigen composities en het gebruik van klarinet en basklarinet - hebben ze de grenzen van de Keltische folk opgerekt zonder daarbij van de basis te vervreemden. Hun optredens in binnen- en buitenland trekken doorgaans veel publiek en hun cd's scoren goede kritieken. Het weekend na de try-out zou de echte première van hun nieuwe programma plaatsvinden, op het Eindhovense Folkwoods-festival, dat hard aan het uitgroeien is tot een toonaangevend Europees muziekevenement. Een mooie opsteker voor de band. Voor hun nieuwste programma hebben de mannen van Maalstroom de Engelse folkdiva Jo Freya weten binnen te halen, en dat is, gezien haar drukbezette agenda, geen geringe prestatie. Jo Freya zal voor de meesten bekend zijn als ex-zangeres en saxspeelster van de band Blowzabella. De laatste tijd is ze echter op de solotoer. Omdat zij inmiddels enige tijd in Nederland verblijft om zich voor te bereiden op het tournee met Maalstroom, kon ik haar nog niet zo lang geleden interviewen, exclusief voor de Folkagenda. Dit interview is apart in dit nummer weergegeven.

Terug dus naar de try-out. Bij aanvang van het concert was goed te merken dat de Maalstromers maar ook Jo best wat nerveus waren. Niet verwonderlijk, want aan de try-out waren vele maanden van repeteren voorafgegaan en wanneer je dan voor het eerst voor publiek gaat, heeft dat een hoog eindexamengehalte. Maar de vijf muzikanten hadden er zin in en lieten met laaiend veel enthousiasme horen waar ze zo lang op hadden zitten broeden. En dat klinkt verfrissend lekker! De swingende klarinetten van Michel Duijves kregen een heerlijk vette back-up van Jo's diverse saxen en fluiten. Voeg daaraan toe de virtuose vioolsound van Gilles Rullmann en de melodiesectie staat als een huis. Paul Pallesen verstaat zijn vak als snarenman en legde een strak ritme onder de muziek. Percussionist Job Cornelissen, die ook de solo-zang voor zijn rekening nam, deed daar nog een schep bovenop. Jo zong ook enkele eigen nummers, waaronder "Female smuggler" van haar gelijknamige, meest recente cd. Met Maalstroom levert dat beslist een ander geluid op als op de cd, maar daar is blijkbaar ook heel bewust voor gekozen. Een gok met een gunstige uitwerking, want de ijzersterke songs bleven in deze setting overeind. Neem nou een nummer als "Foolish One", van haar cd Lal, een eerbetoon aan de overleden Lal Waterson. Dat werd nu in een nieuw jasje gestoken en uitgevoerd met Gilles als tweede stem. Daar valt nauwelijks iets op af te dingen. En zo schotelen ze hun publiek een elftal eigen of door hen bewerkte nummers voor, instrumentals en songs, die de traditionele folk een nieuw aanzien opleveren en met Jo's aanwezigheid het Maalstroom-sound tegelijkertijd een Britse touch geven. Om toch nog een kritiekpuntje te geven: het presenteren en aankondigen van de nummers gaat de band wat onwennig af, alle nervositeit daarbij in aanmerking genomen. Hopelijk gaat dat ook beter zodra het tournee echt op stoom komt. De hoge kwaliteit van hun performance zou dat absoluut verdienen.

[terug naar boven]


INTERVIEW MET JO FREYA - door Rob van Niele
(Bron: Amsterdamse Folkagenda september 2009)

Eind mei van dit jaar heb ik een interview met Jo Freya, thuis bij Michel Duijves (Maalstroom) in Heemstede, waar zij verblijft gedurende de periode waarin ze met Maalstroom in de weer is. De muzikanten hebben nog een lange weg te gaan voordat ze met hun nieuwe programma het podium kunnen betreden. Eindeloos repeteren, muziek doornemen, ideeën uitwisselen, dingen schrappen. Voor iemand met zo'n lange staat van dienst als Jo is dat niet wereldschokkend. Naast Blowzabella, Token Women, The Old Swan Band en The Fraser Sisters doet ze er nu ook Maalstroom "bij".

Hoe komt het dat je er iedere keer voor kiest om weer met andere artiesten samen te werken?
Ik ben inderdaad gewend om met anderen te musiceren, in steeds andere bezettingen. Deels is het gewoon broodwinning, ik moet ervan leven. Als beroepsmuzikant ben je ook in de gelegenheid om andere goede professionals te ontmoeten en zo ontstaan nieuwe verbanden. Een andere reden is dat ik graag de uitdaging opzoek. Nieuwe invloeden, nieuw materiaal. Dat houdt je flexibel en stelt je in staat om te blijven groeien in je vak. Toen we niet zo lang geleden weer met Blowzabella bij elkaar kwamen voor een reüniejaar, wilden we ook niet ons oude materiaal op dezelfde wijze als toen opnieuw spelen. De muziek waarmee we in onze hoogtijdagen wel zo'n 200 optredens per jaar deden. Dat boeit ons nu niet meer. Nee, we hadden allemaal de drive om te vernieuwen en dat deden we dan ook. Nieuw materiaal, met wat andere instrumenten. De muziek en de muzikanten staan nooit stil.

Maalstroom is jouw eerste project met een Nederlandse band. Hoe is het contact met Maalstroom eigenlijk tot stand gekomen?
Zo'n vier jaar geleden werd ik gevraagd om de aankondigingen te doen tijdens een wereldmuziekfestival in Engeland. De organisator van dat festival was bevriend met de jongens van Maalstroom en had van hen begrepen dat ze graag eens met een Britse artiest wilden samenwerken. Ik zei dat ik wel interesse had en zo zijn wij bij elkaar gekomen. Dat Maalstroom een Nederlandse band is, maakt mij niets uit, want ze maken Britse en Keltische muziek en de zang is Engelstalig.

De muziek die je zelf schrijft, de traditie waarbinnen je werkt, is overduidelijk Engels en niet Keltisch. Is dat een bewuste keuze geweest, of niet meer dan een logisch gevolg van het feit dat jijzelf binnen die traditie bent opgegroeid?
Al vanaf mijn dertiende speel ik samen met mijn zus Fi in een formatie genaamd The Old Swan Band. Toen we daarmee begonnen, lang geleden dus, was het not done voor Engelse folkies om iets anders te spelen dan Keltisch. Alsof er geen pure Engelse folk bestond! Dáár verzette ik mij dus tegen, en koos ervoor om met mijn band Engelse folk te spelen, geheel tegen de stroom in. The Old Swan Band groeide uiteindelijk uit tot een van de aanvoerders van de Engelse folk revival in de jaren zeventig. In de jaren tachtig werd ik voor Blowzabella gevraagd en zodoende kwam ik in aanraking met Europese muziek, met name Frans, Duits en Oost-Europees. Dat was in die tijd hot. Dus weer geen Keltisch. Daar voelde ik me pas veel later toe aangetrokken, ook al bleven mijn songs overduidelijk Engelse folksongs. Mijn vader was een Schot en ik ben mij in de loop der jaren steeds meer bewust geraakt van mijn Schotse roots. Misschien is dat wel de reden dat ik met Maalstroom een nummer van Robert Burns doe, namelijk "Green grow the rushes oh".

Wat je een gemeen hebt met Maalstroom is jouw voorliefde voor blaasinstrumenten. Als saxofonist moet je je in de Engelse folk-scene toch een beetje op de verkeerde plaats hebben gevoeld?
Ja, dat was in het begin wennen. De traditionalisten moesten niets hebben van de sax, dat paste niet in hun opvatting van wat Engelse folk was. Maar ik vond het gewoon zo'n mooi instrument. Naast folk hield ik ook van popmuziek, zoals Supertramp en Janis Joplin, en ik luisterde veel naar bands die de sax gebruikten. Later ben ik het instrument gaan gebruiken voor mijn eigen muziek en tegenwoordig is het helemaal niet vreemd om dergelijke instrumenten te spelen binnen de folk. Zeker in deze tijd van fusion en cross-over.

Kom je uit een muzikaal nest?
Eigenlijk niet. Een oom van mij was vioolbouwer en heeft het ook als muzikant vrij ver geschopt. Hij heeft meegespeeld op een album van John Renbourn. Verder is mijn iets oudere zuster Fi erg muzikaal. Toen we jong waren speelde zij viool en ik penny whistle. Eigenlijk was Fi muzikaler dan ik. Op haar zestiende speelde zij zelfs mee op een album van John Kirkpatrick. Later kreeg zij kinderen en bouwde ze een carrière op als wetenschapper. Maar ze is wel altijd muziek blijven spelen, zij het niet professioneel zoals ik. Zoals ik al eerder zij, Fi en ik spelen nog altijd samen in The Old Swan Band, The Token Women en The Fraser Sisters. Mijn artiestennaam is Freya maar eigenlijk heet ik Fraser. En ik heb ook een muzikale zwager. Fi is namelijk getrouwd met Barry Coope, en die is weer bekend van het a capella trio Coope, Boyes & Simpson.

Tot slot, hoe is het in Engeland gesteld met de belangstelling van jongeren voor de folk? Is er een nieuwe generaties folkies op komst? In de folkclubs kom je ze volgens mij niet tegen.
De folkclubs zijn eigenlijk niet meer van deze tijd, alleen de oudere generaties, waartoe ik ook behoor, kom je daar nog tegen. Maar waar wel jongeren op afkomen, zijn de zogeheten open mike nights, waar heel wat folktalent wordt ontdekt. Dat zijn de plaatsen waar nieuwe singer-songwriters elkaar ontmoeten en zich echt uitgedaagd voelen om te laten horen wat ze kunnen. Een formule die goed werkt. En waar tegenwoordig ook goede muzikanten worden afgeleverd, je gelooft het nooit, is de universiteit! Sinds een jaar of acht wordt aan de universiteit van New Castle het vak traditionele muziek, Iers en Brits, gedoceerd. Bekende artiesten geven daar les aan groepen van zo'n 25 studenten. Je kunt allerlei instrumenten leren bespelen, van viool tot de Northumbrian pipes. Daar is steeds meer animo voor en onder de afgestudeerden zijn veel beloften voor de toekomst.

Met de geruststelling dat er hoop is voor de Engelse folk, neem ik afscheid van deze hartelijke en welbespraakte vakvrouw. Ik wens haar veel succes bij de voorbereidingen van de concertreeks met Maalstroom. En in mijn hoofd feliciteer ik Maalstoom met deze formidabele "gastmuzikant". Want dat het met Jo Freya een mooi tournee wordt, staat voor mij al vast.

[terug naar boven]


TREK ER ES UUT NIJMEGEN - door Astrid Prijn (10 jaar)
(Bron: Amsterdamse Folkagenda juli 2009)

Trek er es uut Nijmegen: dat is een soort van muziek weekend waar je muziek gaat maken.

Dag 1 (aankomen): het is woensdagavond. Er zijn al veel mensen gearriveerd, die nu ook druk in de weer zijn met hele tentdoeken en luchtbedden er is een welkom in het gat (dat is waar je binnenkomt en een eindje verder is een trap naar boven). Daar zijn alle mensen van het bestuur bij, zij willen ook even iets zeggen of een klein praatje houden.

Dag 2 (eerste lessen): het is donderdagochtend. Vandaag zijn de eerste lessen. De docenten spelen een liedje voor die we in de les gaan leren. Als alle docenten zijn geweest is er de gelegenheid om koffie of thee te drinken. Daarna is het tijd om naar de les te gaan. Als we in de klas zitten, zien we Nils Koster (dat is onze leraar deze vier dagen) al klaar zitten om ons welkom te heten. Daarna kunnen we een rondje kennismaken. Dit zijn de kinderen waarbij ik in de groep zat: Ludo, Minke, Aimee ,Jolle, Silke en Annejoike. Daarna gaan we de instrumenten uitpakken. Dit zijn de instrumenten die de kinderen hadden: 2 gitaren, 3 trekzakken, 1 keyboard en 1 viool. Nils deelt de muziek uit en speelt het voor. Daarna is het lunchpauze en later gaan we verstoppertje spelen. Even later s er avondeten en dan is er groot feest want TEEU (trek er es uut) bestaat 20 jaar en ook de trekzak bestaat 180 jaar, dubbel feest dus.

Dag 3: het is vrijdagochtend. Vandaag is de tweede dag dat we les hebben. We krijgen weer les en even later is er koffie- en theepauze. Dan is er weer les. Dan is er lunchpauze dan weer les dan hebben we vrij en iets later hebben we avondeten. Dan is er weer groot feest (dat is elke avond zo).

Dag4 (laatste lesdag): het is zaterdagochtend. Het is de laatste lesdag. Als we in de klas komen en het eerste stukje les hebben gehad en het koffie- en theepauze is, krijgen we te horen dat we al de pauze gaan zwemmen. En dat we snel onze spullen moeten pakken en dat we al snel weggaan. Als we allemaal onze spullen hebben gepakt, gaan we op weg. Om kwart over 1 gaan we ons omkleden. Daarna gaan we terug naar TEEU en gaan nog even aan de slag met de liedjes die hebben geoefend. Vandaag gaan we de liedjes die we van Nils hebben geleerd op het podium doen. Dan hebben we vrij en hebben we alles verteld aan de ouders en is het al weer tijd om een warme maaltijd te eten. Daarna is het natuurlijk weer groot feest.

Dag 5 (weggaan): vandaag is het alweer zover, we gaan weer naar huis en ook al is iedereen laat naar bed geweest, moet iedereen toch vroeg opstaan. Want vandaag moet iedereen weer om 12uur weg zijn om naar huis te gaan.

Dat was het weekend, hoe ik het heb beleefd, het was ook ontzettend leuk! Volgend jaar word het weer gehouden, als u ook een instrument bespeelt kan het echt ontzettend leuk zijn als u ook komt. Speelt u geen instrument? Geen probleem! Dan komt u gewoon gezellig als toerist. Ik zal er volgend jaar ook zijn!

[terug naar boven]


EEN SYMFONISCH GEDICHT OVER HET REIZENDE VOLK - door Joop Wieringa
(Bron: Amsterdamse Folkagenda juni 2009)

Er zijn van die cd's die moeilijk op papier zijn te beschrijven of in woorden zijn te vangen. Het is een "sfeer" die de muziek uitstraalt zonder dat je kunt zeggen "we spreken over die of die traditie ; hij speelt zoals....maar dan...". En er zijn artiesten van wie ik bij iedere volgende cd direct blind tot aanschaffen overga en mij vreselijk irriteer aan het feit dat ik een afstand en tijd moet overbruggen eer ik bij mijn eigen cd-speler ben om een "tijdloze wereld" in te glijden bij de eerste geluiden van het pas aangeschafte pronkjuweel. Wel een tijdloze wereld waarbij ik op het puntje van mijn stoel zit om niets te missen omdat er zoveel gebeurt in die muziek. Elke volgende cd past ook weer naadloos in het allang herkenbaar vastgelegde idioom maar kent toch weer volkomen verrassende kantjes die de cd weer uniek maken.

Ik volg Titi Robin al jaren, heb er ook al eens eerder over geschreven en ben toch stiekem wel behoorlijk verslaafd geraakt aan zijn "muzikale denkwereld". Niet een muziekje voor bij een goed boek of een goed gesprek. Geen tussendoortje om bij weg te dromen of lekker op te swingen. Wel muziek die je beelden in je hoofd laat maken van exotische landschappen in een zomeravondzon, warm en loom, of op een afstand kijkend naar een geweldig Indiaas bruiloftstafereel op een volgend moment van de cd.

Titi Robin komt uit Perpignan en maakt een eigen soort flamenco-stijl. Hijzelf is een "Gadje", een niet-zigeuner, maar de Sinti en Roma hebben hem stevig in hun muzikale harten gesloten. Eigenlijk heet onze hoofdpersoon Thierry Robin; het tussenvoegsel "Titi" - "Geluksbrenger" - draagt hij met trots, want hij heeft het gekregen van beroemde muzikale families in Rajasthan. Grote namen als Esme Redzepova vragen hem graag om mee te doen op hun cd's. Zijn muzikale ideeën overstijgen elke grens binnen de traditie van het Volk Zonder Land. In zijn muziek hoor je flamenco met soms tegelijk de hele Balkan voorbij komen. 0f sterke Berber-invloeden of de Indiase bakermat Rajasthan, of de hete Sahara-winden uit Noord-Afrika. Allemaal sfeermomenten binnen het grote geheel. Op deze nieuwe cd, Kali Sultana, l'Ombre du Ghazal, heeft hij zelfs een klassiek strijkerelement aan zijn sound toegevoegd.

Titi Robin bespeelt naast gitaar, de ud en de bouzouki (de Griekse vorm), die steevast bouzouq wordt genoemd. De bouzouq is zijn hoofdinstrument en maakt zijn geluid zo herkenbaar als de stem van Piaf of Brel, de sound van de Beatles of JJ Cale. Zijn nieuwste creatie is een symfonisch gedicht in de klassieke traditie, inclusief delen met de aanduidingen ouverture, premier movement, intermede en epilogue, verspreid over twee cd's. Een aantal prima muzikanten vullen zijn markante spel heel mooi aan, te weten Francis Varis, Ze Luis Nacimento, Renaud Gabriel Pion, Pascal "Kalou" Stalin en zang van Maria Robin. Naast de snarenpracht van Robin horen we violen, klarinet, sax, accordeon en diverse soorten percussie.

Alle stukken vloeien als een echt symfonisch gedicht in elkaar over en veranderen het grote werk soms geleidelijk, dan weer plotseling van karakter. Nogmaals is het hiervoor geschrevene maar een benadering van de muziek die folklore, fusion-jazz en klassiek ineen is. Titi Robins Kali Sultana, l'Ombre du Ghazal moet je ondergaan en daarna in stilte verwerken en dan, na die stilte, weer draaien en daarna nog eens. Als een ritueel voor die dag met steeds weer nieuwe ontdekkingen.

[terug naar boven]


EDDI READER BRENGT ROBERT BURNS TOT LEVEN - door Rob van Niele
(Bron: Amsterdamse Folkagenda mei 2009)

 

Toen ongeveer zeven jaar geleden het Royal Scottisch National Orchestra de zangeres Eddi Reader (Glasgow, 1959) benaderde met het verzoek om voor een Burns Festival enkele Burns-composities te zingen, onder begeleiding van het beroemde orkest, had ze daar wel oren naar. Die enkele composities groeiden uit tot een set en vervolgens tot een cd met 11 Burns songs. Deze cd, Eddi Reader Sings The Songs of Robert Burns, werd in 2003 ten doop gehouden tijdens het Celtic Connections Festival dat toen in Glasgow werd gehouden. De cd en het optreden waren een doorslaand succes waarmee Reader in één klap de harten van de Schotten had gestolen. Het was haar gelukt om Burns, de geliefde Schotse "poet ploughman" die leefde van 1759 tot 1796, uit te de mottenballen van de traditie te halen. Dat had ook heel anders kunnen uitpakken, want wie aan Burns komt, komt aan de Schotse identiteit en die laat niet met zich sollen. Voor puristen is Burns een ikoon en aangezien er nogal wat puristen rondwandelen binnen de Schotse folk scene, is het uitbrengen van een Burns-vertolking niet zonder risico.

Op zich is het bijzonder dat juist Eddi Reader deze eer ten deel is gevallen, want ze mag dan wel Schots zijn, van de gevestigde folk-scene heeft zij nooit deel uitgemaakt. Ze had zelf weinig met de pure volksmuziek op, ook al schurkte de muziek waar zij bekend mee zou worden altijd een beetje tegen de folk aan. Opgegroeid met muziek van The Beatles en Elvis Presley, had ze al op jeugdige leeftijd haar geboortegrond voor Londen verwisseld en zich op de popmuziek gestort. Als zangeress van de band Fairground Attraction werd ze in de jaren '80 wereldberoemd met de hit (It's got to be) "Perfect". Na Fairground Attraction volgde een lange en productieve solocarrière in de akoestische popmuziek. In totaal leverde zij negen studio-albums (in april komt nummer tien uit, Love Is The Way) en vijf live-albums af.

De interesse voor de Schotse traditionele muziek werd bij Reader eigenlijk pas gewekt in de jaren negentig, na het overlijden van haar vader. Toen begon ze zich meer bewust te worden van haar roots en zich te interesseren in het Gaelic, de taal van de Hooglanden, en het Scottish, het dialect dat vooral in de zuiderlijke regio's van Schotland wordt gesproken en waar ook Burns zijn gedichten in schreef. Op school had ze vroeger Burns' gedichten moeten lezen, maar toen vond ze zijn gedichten meer iets voor "high-brows". Later ontdekte zij voor zichzelf dat de gedichten verre van verheven waren en zeker niet alleen voor de happy few bestemd. En zo groeide haar bewondering voor het werk van Burns.

Het succes van Eddi Reader Sings The Songs of Robert Burns heeft er uiteindelijk toe geleid dat zes jaar later, in januari 2009, een "deluxe edition" van dit album is uitgebracht. Dit speciaal ter gelegenheid van de zestiende editie van het Celtic Connections Festival, dat in het teken staat van Burns' 250ste geboortejaar. Deze deluxe-versie is aangevuld met zeven nieuwe Burns-vertolkingen. Een mooier eerbetoon aan de dichter is haast ondenkbaar. De 18 composities staan als een huis en wisselen elkaar mooi af qua tempo en genre. Het is een selectie van de mooiste en bekendste werken van Burns, waaronder natuurlijk "Ae Fond Kiss", "My Love is Like a Red Red Rose" , "Auld Lang Syne" en "Leezie Lindsay".

Reader zingt vol overgave maar ze blijft heel naturel overkomen, nooit te sophisticated. Haar stem is zeer soepel en kan zowel krachtig en uitbundig klinken, als in "Willie Stewart", "Brass And Butter", "Charlie Is My Darling", en "Comingh Through The Rye" als zacht en ingetogen in "Ae Fond Kiss" en "Aye Waukin-O", mijn favoriete nummer op de cd. De prachtige vioolpartijen van het orkest voegen verder een dromerige, romantische dimensie toe aan de zang, terwijl de folky klanken van gitaar, accordeon en whistles in de intro's en intermezzo's de muziek juist weer een aardser fundament geven. Ierse en Schotse folk in een orkestrale setting heeft vaker mooie resultaten opgeleverd, maar bij de Schotten laat de melancholische onderstroom die zo kenmerkend is voor hun muziek (en hun poëzie), zich heel gewillig combineren met een strijkorkest. Dat maakt The Songs of Robert Burns vooral zo bijzonder.

Het succes van The Songs of Robert Burns is niet in de laatste plaats toe te schrijven aan twee zeer prominente folkmuzikanten die met Reader samenwerkten aan dit project, te weten Phil Cunningham (accordeon, fluiten) en John McCusker (viool, fluiten). Zij schreven en bewerkten de folk-arrangementen en vervlechtten deze in de stukken die voor het orkest waren geschreven. En natuurlijk speelden zij mee op de cd en in de live-optredens, samen met een nog een aantal muzikanten, onder wie Ian Carr (gitaar) en Ewen Vernal (contrabas).

En nu maar hopen dat mevrouw Reader, met het Royal Scottisch National Orchestra, een keertje naar Nederland wil komen, maar dat zie ik voorlopig nog niet gebeuren. Wat heeft The Glasgow Royal Concert Halll wat ons Concertgebouw niet heeft? In ieder geval een groot en dankbaar publiek voor muziek die voortkomt uit het hart en de ziel van de eigen traditie.

Eddi Reader, The Songs of Robert Burns, Deluxe Edition, 2009 (Rough Trade)

[terug naar boven]



FOR AULD LANG SYNE
- AUBADE VOOR DE 250-JARIGE ROBERT BURNS
- door Marcel Möller
(Bron: Amsterdamse Folkagenda mei 2009)

Schotland herdenkt in 2009 zijn nationale dichter, Robert Burns die 250 jaar geleden werd geboren. In januari tijdens het Celtic Connections Festival in Glasgow gaven Eddie Reader, Karine Polwart, Dick Gaughan en andere Schotse artiesten een uniek concert. Mokum Folk was erbij.

‘Rabbie Burns', ‘the Ploughman Poet', ‘the Bard of Ayrshire' of kortweg ‘the Bard'. Zijn vele bijnamen geven al aan hoe groot de liefde is die de Schotten voelen voor hun nationale dichter Robert Burns (1759 - 1796). Burns heeft honderden Schotse folksongs nagelaten, waarvan vele klassiekers zijn geworden: Auld Lang Syne, A Man's a Man for A'That, Scots Wa Hae, Ye Jacobites By Name en zo zouden we nog wel even door kunnen gaan. Hij bewerkte bestaande liedteksten en schreef romantische gedichten in het Engels-Schotse dialect van zijn streek. Die zette hij op bestaande of zelf gecomponeerde muziek. Zijn eigen gedichten zijn vaak opgedragen aan een van zijn vele liefdes (Burns was een notoire rokkenjager) of gewijd aan de Schotse natuur of het leven van de boer. Sommige gedichten zijn bijna absurdistisch, zoals To a Louse, waarin hij het woord richt tot de luis op de muts van een kerkgangster.

Haggis
Was Burns al jong succesvol als dichter, daarnaast leidde hij een moeizaam bestaan als boer, het beroep dat hij van zijn vader overnam. Waarschijnlijk is het die combinatie van zijn eenvoudige afkomst en zijn toegankelijke gedichten die ervoor hebben gezorgd dat ‘the Ploughman Poet' al sinds de 19de eeuw Schotlands nationale dichter is. Anno 2009 is hij nog altijd eindeloos populair bij de Schotten. Hij wordt elk jaar op zijn geboortedag (25 januari) uitgebreid herdacht tijdens de Burns Night. Niet alleen in Schotland, ook in de Verenigde Staten, Canada, Nieuw-Zeeland, enz. worden dan Burns Suppers georganiseerd. Onder begeleiding van doedelzakken wordt de haggis geserveerd, een gerecht van onder andere schapenmaag. Daarbij wordt ook Burns' Ode aan de haggis voorgedragen. Er zit een patriottistisch tintje aan de liefde voor Schotlands nationale bard, die in zijn gedichten vaak stelling nam tegen de Engelsen. Toen in 2004 het Schotse parlement werd geopend, mocht ‘Scotland's favourite son' natuurlijk niet ontbreken en dus zong Eddie Reader Auld Lang Syne. En zoals gebruikelijk in Schotland zong de hele zaal mee.

Twee eeuwen na zijn dood vormen de songs van Robert Burns een onuitputtelijke muzikale en literaire bron voor muzikanten. Pak een willekeurige Schotse folk-cd en er staat wel een Burns-song op. Maar ook een grootheid als Bob Dylan liet zich inspireren door Burns' My heart's in the Highlands.

Wereldband
Bij de 250ste geboortedag van een nationale dichter die nog altijd zo populair is, pakken de Schotten natuurlijk groots uit. Het hele jaar door zijn er herdenkingen en speciale concerten en exposities. Ook het programma van het uitgebreide Celtic Connections Festival in Glasgow was gewijd aan Burns. Hoogtepunt was de Auld Lang Syne Night in de Glasgow Royal Concert Hall op 24 januari. Die was aangekondigd als de ´ultimate singers gathering´ en `a once-in-a-lifetime occasion'. En die belofte werd ingelost: wat een concert! Op de bühne vijftien geweldige muzikanten rond de multi-instrumentalist Phil Cunningham (accordeon, toetsen en fluit), sterviolist John McCusker, en ex-Capercaillielid Donald Shaw (accordeon en toetsen). Versterkt met een drummer en een bassist opende deze wereldband het concert met een set van razendsnel gespeelde reels, die door de zaal stampvoetend en klappend werd ontvangen.

Vervolgens was het de beurt aan de crème de la crème van de Schotse folkscene om zijn of haar favoriete Burns-nummers te zingen. De zaal werd stil toen Karen Matheson (eveneens ex-Capercaillie) het spits afbeet met het lieflijk-romantische" Lassie With the Lint-White Locks". Volgde singer-songwriter Karine Polwart, die vertelde dat "Ae fond Kiss" was gezongen bij de begrafenis van haar grootvader en dat haar huwelijk werd geopend door haar vader met "A red, red rose". (Feest der herkenning voor uw correspondent, die dit lied speelde voor zijn echtgenote op zijn eigen bruiloft...) Om vervolgens het minder bekende, maar oh zo prachtige "The Lea Rig" te zingen, daarbij sober begeleid op de vleugel. De jonge Emily Smith zong daarna "The Silver Tassie", met kraakheldere stem en prachtige begeleiding door Cunningham op whistle en McCusker op viool. "Go, fetch to me a pint o'wine, And fill it in a silver tassie." Burns'poezie, gezongen met prachtig Schots accent door de ‘Scots singer of the year 2008‘ in een doodstille zaal...

Het was kennelijk tijd voor de heren, want Dick Gaughan betrad het podium. In de jaren zeventig had hij met de folkrockband Five Hand Reel de knuppel in het Burns-hoenderhok gegooid. Tot dan toe werd Burns meestal klassiek gezongen door ouderwetse dames als Jean Redpath. Met ruige stem en onverzettelijke houding zong Gaughan a capella "Such a Parcel of Rogues in a Nation", een patriottisch lied gericht tegen de Engelsen: "Fareweel to all our Scottish fame". Een groter contrast met de breekbare songs van de dames was amper mogelijk.

Nog meer mannen on stage. Michael Marra nam plaats achter de vleugel om solo "Green grow the Rashes, O" te zingen. Volgens Marra was Burns de eerste die dacht dat God een vrouw was. Daarmee doelend op de dichtregels "The sweetest hours that e'er I spend, Are spent among the lasses, O." Dit refrein werd door de hele zaal meegezongen. Niet hard, maar zachtjes zodat zich een prachtig koor vormde. Opkomst Dougie MacLean, de schrijver van Caledonia, het officieuze Schotse volkslied. Hij zong het swingende "Highland Harry", mooi begeleid door de band met een hoofdrol voor de drummer.

Dansje
Maar dé ster van de avond was zonder twijfel Eddi Reader. Van alle aanwezige artiesten de enige die een echte Burns-cd heeft gemaakt: The Songs of Robert Burns (zie de recensie elders in dit nummer). Daarop wordt zij begeleid door een klassiek orkest. Ook Cunningham, McCusker en nog een aantal musici on stage maakten deel uit van de band van die cd. Met haar ‘eigen' band zong een geconcentreerde, armbewegingen makende Reader drie nummers. Te beginnen met het aanstekelijke "Willy Stewart", dat overging in de Ierse reel Molly Rankin. Aanleiding voor Eddi Reader, in rok, om een leuk dansje te doen. Er volgden nog twee Burns-songs, het intens gezongen "Ae fond Kiss" ("To see her is to love her") en "Leezie Lindsay", waarvan het refrein door de zaal werd meegezongen.
Uiteraard kon de all-starfinale niet uitblijven: bijna alle zangers kwamen on stage om dé Burns-klassieker aller tijden te zingen: "Auld lang Syne", het nostalgische lied over het uit het oog verliezen en weer terugvinden van vrienden. De oorspronkelijke melodie, die ik persoonlijk mooier vind dan de versie die bekend is bij het grote publiek, werd ingezet door Maire Campbell (die samen met Dave Francis het duo The Cast vormt). En natuurlijk deinde de zaal, zoals gebruikelijk in Schotland, hand in hand mee met de muziek. Een mooi slot van een fan-tas-tische avond en het beste folkconcert dat ik ooit heb gehoord.

Crossover
Sinds Jean Redpath is Burns' muzikale erfenis ingrijpend veranderd. Nieuwe generaties muzikanten hebben eigen wegen ingeslagen en de vrijheid genomen om geheel nieuwe vertolkingen te maken. De meesten zijn geen echte folkzangers, maar singer-songwriters die af en toe een uitstapje maken naar hun muzikale roots. Dat zelfs echte cross-over mogelijk is, bewees Karine Polwart die de volgende avond reggae-versies van Burns-liederen zong met Sly & Robbie en de Taxi Gang uit Jamaica. Dat bewijst wel dat het materiaal, de oude melodieën en teksten, van onslijtbaar elastiek is dat steeds weer opnieuw kan worden uitgerekt.
De interpretaties zullen dus veranderen, maar wat altijd zal blijven is de mooie en toegankelijke poëzie, het prachtige Schotse accent en de liefde van de Schotten voor hun nationale bard. Robert Burns is ruim tweehonderd jaar dood, maar zijn muziek en gedichten zijn onsterfelijk. To hear it is to love it.

Aanvullende informatie
The Cast: The Winnowing, Culburnie Records, 1996.
Eddie Reader: The Songs of Robert Burns Deluxe Edition, Rough Trade, 2008. (zie de recensie elders in dit blad)
Karine Polwart: Fairest Floo'er, Hegri Music, 2007.
Emily Smith: werkt momenteel aan een Burns-album dat later dit jaar zal verschijnen.
Diverse artiesten: The Complete Songs of Robert Burns, Linn Records, 2007.
Rod Paterson: Rod Paterson sings Burns, Greentrax Recordings, 1996.
Beelden van het concert staan op de website van BBC Scotland, maar kunnen helaas buiten de UK niet worden bekeken. Een deel van deze opnamen zijn te zien op You Tube (zoekterm Robert Burns Auld Lang Syne 2009).
Meer informatie over speciale activiteiten in het kader van de ‘250th anniversary of Robert Burns' op www.homecomingscotland2009.com.
Het Celtic Connections Festival, dat geleid wordt door directeur Donald Shaw, vindt elk jaar januari plaats in Glasgow. Het festival duurt twee weken en biedt een geweldig programma met veel grote namen uit de folk en de wereldmuziek. Meer informatie op www.celticconnections.com.

[terug naar boven]


EN ALWEER DOODZONDE - door Joop Wieringa
(Bron: Amsterdamse Folkagenda april 2009)

En zaterdag 14 februari moest ik weer in Haarlem wezen voor een concert. Via de pc word ik altijd trouw op de hoogte gehouden door "De Speelman", alias Crispijn Oomes, wat de man nu weer naar Nederland haalt om rond te touren langs het folkcircuit. Meestal haalt deze sympatieke Makelaar In Muziek balkanorkesten naar Nederland, maar de man heeft z'n blik verruimd richting Noord-Europa, en dat heeft, qua muziek, zeer goed uitgepakt. Amsterdammers schijnen voor een concert buiten de eigen provincie "haast hun paspoort mee te nemen"; mischien zelfs buiten Amsterdam.

Ik wist dus waar ik die zaterdag naartoe zou gaan, want ik kende deze groep Phonix. Jaren geleden vond ik, als radioman, dat mijn programma's ook "scandifolk en volksmuziek" in het muziekpakket moesten hebben en kocht ik voor een vriendelijk radiovrijwilligersprijsje een tweedehandse live-cd van deze groep Phonix. Denemarken is ook niet groot, maar herbergt wel een interessant folkmuziekleven. Naast Phonix is er een behoorlijk lange lijst van bands en solisten aan te leggen die voonamelijk hun blik richten op de eigen traditie. Eigenlijk net als de Belgische 'scene' of het Keltisce muziekleven.

Gebrek aan trots op onze eigen cultuur brengt ons helemaal terug naar het zeer grijze verleden van het, overigens prima, programma "Onder de groene linde" van destijds, als ijkpunt voor ons eigen volksmuziekleven. Daarna is het stil gebleven.

De Deense volksdans en muziek is altijd vrolijk en de muziek is voornamelijk bedacht vanuit de viool met de stemingen G-A-D. In een muziekstuk met één melodielijn wordt er nog al eens gewisseld tussen G en D of D en A. Vanaf ongeveer 1920 wordt de muziek doorgaans vierstemmig bedacht voor twee violen, één klarinet en één contrabas.

Twee meiden en twee jongens vormen al 12 jaar Phonix en zij wijken redelijk af van de bovenstaande traditie. Een in meerdere opzichten prachtzangeres wordt begeleidt door een accordeonvirtuoos, een klarinetspeelster, die, zeer bijzonder, ook veelvuldig de basklarinet hanteert. Een avontuurlijke percussieman zit bij hun achter een flinke batterij conga's, djembe's, handtrommels en bekkens, en laat de toch al levendige muziek nog meer swingen. Men staat niet stil om ‘hun ding' te doen maar stappen ferm over het podium, hier en daar een pose aannemend.

Phonix heeft al dik haar sporen verdiend met Danish Music Awards voor "Artist Of The Year", "Vocalist Of The Year" en "Instrumentalists Of The Year" met een eerdere cd, en met hun laatste cd PhonixFolk wonnen ze de Danish Music Award 2008. Men tourt alweer jaren door Europa en Noord-Amerika, langs de folkclubs en de grote festivals, zoals een Dranouter in België of Rosskilde in hun eigen buurt. Vandaar mijn zeer stomme verbazing dat we bij aanvang van het concert met welgeteld 12 luisteraars, inclusief impressario en barman, zaten te kijken naar een "spetterconcert" vol verrassende muziekwendingen, syncopische ‘breaks', solistische hoogstandjes, verstilde momenten, spannende a-capella zang en alles prima in het Engels begeleid met boeiende introductieverhalen. En dus ben je een héééle grote band als je dit alles rustig weet op te brengen voor een voorste rij "stoelzitters", die na het concert (met toegift) allemaal persoonlijk een hand kregen van de leden.

Beschaamd over de opkomst heb ik ze extra gesteund door de aanschaf van hun laatste cd PhonixFolk. En dat is geen slecht besluit geweest, want het product is geweldig uitgebalanceerd met extra steun van gastmuzikanten op viool, cello, sopraansax en zang (maar op het podium miste ik hen niet). Een cd die je vanzelf doet verlangen naar zo'n concert als ik in Haarlem heb gezien.

Als radioman heb ik nogal wat noten door mijn oren laten stromen, maar deze warme noordelijke klanken doen het zeer goed in ‘t hoofd. PhonixFolk is een waardige vaandeldrager als folk-cd van 2008 volgens de Danish Music Awards. PhonixFolk is uitgebracht op het Go Danish Folkmusic label Go 087 of te vinden bij www.phonixfolk.dk.

[terug naar boven]


DE NACHTEGALEN VAN KHAREBA & GOGIA - door Joop Wieringa
(Bron: Amsterdamse Folkagenda maart 2009)

Voor de liefhebbers van verfijnde zangtechniek, een boeiend geluid en "een andere wereld" zijn er mooie avonden in het vooruitzicht. Het ensemble Khareba & Gogia doet weer een tournee door Nederland en ook in Amsterdam. Een Georgisch gezeldschap van vijf zangers die zichzelf begeleiden op de volksmuziekinstrumenten van het land en zo een heel mooi geluid laten horen. Op hun cd Bulbulo is dit alles prachtig weergegeven.

In hun uitbundigheid en met accordeon waan je je even in Italië ("Eg betsjedi visia?") en in hun ingetogenheid denk je een "Klappa"-concert in Dalmatië mee te maken("Venatsvale"). De" Klappa"-zangstijl is zo harmonisch mooi dat het nog steeds een te zwaar onderschatte muziekstijl is buiten het eigen land. Deze mannen weten die stijl heel goed te benaderen (niet bewust), al is wat zij doen wel degelijk Georgisch qua melodie en natuurlijk taal. En bij een instrumentaal stuk als "Daisi" of "Simdi", twee dansstukken, hoor je helemaal het Georgisch idioom van snelle accordeon-riedels met pittige "Doli"-slagen.

De vijf heren zijn vele jaren met hun cultuur verweven en hebben, ieder voor zich, al een lange succesvolle carrière doorlopen. Maar wat mij vooral opvalt (als ex-koorlid), is het opvallend ‘jonge geluid' van de groep. Ze begeleiden zichzelf, naast accordeon en gitaar, ook op typisch regionale volksmuziekinstrumenten zoals de "dehol" of "doli", elders in de regio ook wel bekend als "balaban", een tweezijdig bespannen handtrommel. Ook gebruiken ze "panduri","bas-panduri"en "tjonguri", drie peervormige luit-instrumenten.

De groep is in 2007 opgericht en heeft nu al deze mooie eerste cd, maar de leden hebben ook allemaal een internationale muziekcarrière achter de rug en zijn zo heel makkelijk in staat om hun tweede cd mee te nemen tijdens hun concerten door heel Nederland.

Het getuigt van een rijke cultuur in het, toch wel, arme Georgië in een nog altijd politiek gevoelige regio. In Amsterdam treden ze op zondag 15 maart op in het Werkteater (zie de rubriek Zuid-Oost Europees). Wil je eerder genieten dan is deze cd Bulbulo (‘nachtegaal') te koop bij Gigantic in de St Anthonie Breestraat. Maar liefst 63 minuten lang muziekplezier en de juiste liedvertaling in het Nederlands (!). Voor meer informatie even naar: www.khareba.nl

[terug naar boven]


EEN RECENSIE VAN EEN CONCERT - door Joop Wieringa
(Bron: Amsterdamse Folkagenda maart 2009)

Oh,SHIT....
M'n snaar....
Net aan het eind van dit stuk....
Kalm blijven....
Eerst de ouwe snaar eraf....keurig oprollen, in 't zakje...ja...nieuwe uit de koffer...
Oh,nu komt die melodiecombi van Stijn en Toon al....
Ik kan nie sneller joh....
Toon,...langzaam aankondigen...een andro of een wals?...
Andro....je wordt bedankt....
Kijk, die snaar zit weer in 't gaatje....over de kam?......
Het volgende stuk zet in.
heh,...komnouwww...niet achter die andere snaren liggen kl....
Zo,nu opdraaien....op stemming....goed zo.....beter...
Klaar!
Precies op tijd voor m'n gitaarsolo in deze andro.

Een concert van Hot Griselda tijdens het zesde Balfolk op 17 januari in het Muiderpoort Theater was een grote belevenis. Vooraf trad het duo Melusien op met een "keurige" set. Marion van Kouwen zong aan het eind van hun set nog een paar mooie dansliedjes. Proficiat, een extra dimensie, al zou een extra gitarist(e) of percussionist(e) een nog sterkere dimensie zijn. Maar er werd goed op gedanst en daar gaat het om.

Maar ja........Hot Griselda......ik was jullie weer even vergeten; sorry, want ja, toen kwam er zoveel swing van het podium dat ik even vergat dat de ‘vlekken' voor mijn ogen, dansparen waren die door mijn beeld op het podium zwierden. Vier jongens, muzikale klasbakken: één op bouzouki, één op gitaar en twee geweldige multi-instrumentalisten, beiden met uillean pipes en low whistle. En de baas die ook nog de moezelzak, sopraansax en trekzak bespeelt. Baas Toon van Mierlo wist alle dansen prima te presenteren.

Soms waande ik mij bij een, iets te zacht afgesteld, concert van de Bothy Band (zonder bodhran-speler maar wel met twee pipes), qua energie. De bouzouki-man stond in rockhouding, net als de gitarist, sterk staccato te spelen op z'n instrument. Soms keek ik naar een soort Flook-concert met twee perfect gelijkspelende fluitspelers op een zachtkabbelend geluidsbedje van bouzouki en gitaar, op tijd opvlakkerend om de dans op tempo te houden.

Ik had begrepen dat Hot Griselda nog maar halfjaar vóór deze balfolk bijeen is gekomen en des te knapper is het dat men al zo goed op elkaar ingespeeld is en hun dansmuziek ook al leuke arrangementen bevatten. Net alsof ze meerdere melodietjes voor een dans gebruiken; in ieder geval meer dan bij andere dansbands. En ik,als radiomaker, hoop natuurlijk dat er naast het begeleiden van dansbals ook nog stiekem tijd is voor een opnamestudio. Ho,ho...niet direct..rustig aan. Maar toch....

Het volgende Balfolk staat in het teken van de Bretonse dans. ‘s-Middags een instructie-sessie en ‘s-avonds live-begeleiding van o.a. een Bretons duo van naam en faam: Sebestien Betrand & Alain Pennec. Dat zal dan plaatsvinden op zaterdag 28 maart. Zij komen dan ook in het kader van het Festival De Accordeonslag 2009, wat een landelijk festival is met 40 concerten in 12 steden door 40 acts. Dit duo komt die avond dus als dansbegeleiders, maar dat geldt niet voor al de andere muzikanten van het festival. Voor meer informatie verwijs ik naar www.accordeonslag.nl. Dat het weer een avond op hoog niveau zal zijn, is mij nu al duidelijk geworden, want Nico Beltman en Marion van Kouwen hebben de lat hoog gelegd.

Had ik nog wat gemist? Jazeker, want na Hot Griselda was er nog een optreden van de nieuwe groep Laag Allooi, wat niet zo zeer slaat op de kwaliteit van de muziek die zij maken (wordt gezegtd als op het gebruik van de draailier, die in vroegere tijden nog wel eens werd aangeduid als een instrument van laag allooi. En daarna nog een jamsessie met eventuele dansers/muzikanten in de zaal, maar ja, als openbaar-vervoersmens ken ik mijn beperkingen en moest ik dus helaas veel te vroeg het geweldige Mokumbal verlaten. Nu maar weer wachten tot 28 maart.

Marion en Nico: bedankt voor de prima avond!

PS. Mokumbal, 2e van Swindenstraat 26, Amsterdam; mokumbal@gmail.com.

[terug naar boven]